Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

stinkt van opwinding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

stinkt van opwinding

Löiige marterachtige is onmisbaar voor de aantalsregulatie van schadelijke dieren

8 minuten leestijd Arcering uitzetten

"Hij stinkt als een bunzing" is een bekende uitdrukking. Slechts weinig mensen kennen echter het dier dat zo stinkt. De bunzing komt tamelijk algemeen voor, maar wordt niet gauw opgemerkt, want hij jaagt alleen in het donker. Hij leeft graag in de omgeving van boerderijen en houdt zich daar op bij schuren, stallen of houtmijten. Hij huist het liefst onder een takkenhoop of een hooischelf. De bunzing heeft een duidelijke voorkeur voor een woonplek in de buurt van een sloot of een vijver. Hij kan uitstekend zwemmen. De bunzing wordt in de volksmond plaatselijk stinkotter genoemd. Wanneer hij wordt aangevallen of zich opwindt, spuit hij uit twee klieren onder zijn staart een stinkend vocht. De stank is zo sterk dat zelfs jachthonden het dier dan met rust laten. Als dit niet afdoende is, krijst de bunzing om zijn belagers af te schrikken. Hij kan zich ook met zijn vlijmscherpe tanden goed verdedigen. Door zijn stankwapen is hij berucht geworden.

De bunzing maakt tijdens de jacht vooral gebruik van zijn neus en oren. Hij heeft een zeer goed ontwikkeld reukorgaan en een scherp gehoor. De mens heeft bunzings gedomesticeerd, waaruit de tamme bunzing of fret is voortgekomen. Die is licht van kleur en wordt gebruikt voor de jacht op konijnen. Stropers jagen vaak met een fret, omdat zij met dat dier geruisloos konijnen kunnen vangen.

Slechte naam

De bunzing behoort tot de familie van de marterachtigen. Dat zijn zeer actieve jagers met een lang en lenig lichaaml 'I en betrekkelijk korte poten. Wanneer ze hun omgeving willen verkennen, richten ze zich verticaal op. Om zich snel te kunnen verplaatsen, maken ze vaak met een gebogen rug grote sprongen. De bunzing verschuilt zich overdag in een zelf gegraven hol. Hij vestigt zich ook wel in een verlaten hol van andere dieren. Het komt een enkele keer voor dat de bunzing in een bewoond konijnehol zijn intrek neemt en zijn gastheren ongestoord laat. In de nacht zwerft hij door zijn territorium op zoek naar voedsel. De bunzing is niet kieskeurig en jaagt op veel soorten kleine prooidieren. Zijn voorkeur gaat uit naar muizen, ratten en woelratten.

In gebieden waar veel konijnen zijn, jaagt de bunzing vooral daarop. Hij neemt Vijvers, poelen en landsloten met zacht water zijn unieke biotopen voor waterplanten en waterdieren. Het is boeiend om in dergelijk helder water te speuren naar wat erin leeft. Waar zacht en zuiver water is, is ook een rijke onderwaterflora. Die maakt een gevarieerde onderwaterfauna mogelijk. Waar vindt men zulk water nog? Een halve eeuw geleden was dat er in ons land nog overvloedig. Nu is het er nauwelijks meer. Dat is een sterke verarming van de natuur. Mevrouw drs. G. Arts is op woensdag 9 mei aan de Katholieke Universiteit Nijmegen gepromoveerd op een onderzoek naar de kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater. Zij kwam tot de volgende conclusie: „Door de toenemende verzuring van oppervlaktewater komen de zeer zachte watertypen in ons land vrijwel niet meer voor. De eens zeer karakteristieke waterplanten, zoals de waterlobelia, zijn zo goed als geheel uit onze natuur verdwenen. De soort groeit nu nog slechts op twee plaatsen.

Dit is toe te schrijven aan de zure neerslag en de uitstoot van schadelijke •stoffen als ammoniak, zwaveldioxyde en stikstofoxyde. Naast de verzuring vormen ook ontginning door de mens en eutrofiëring door het landbouwwater oorzaken voor het verdwijnen van waterplanten uit zacht water". zijn prooi meestal mee naar zijn hol of een andere veilige plek. Als hij veel prooi heeft kunnen bemachtigen, dan legt hij daarvan een voorraad aan. Het is bekend dat hij kikkers levend bewaart. Daarvoor verlamt hij ze door een beet in de rug. Bij het uitgraven van een bunzinghol kwamen eens meer dan honderd verlamde kikkers te voorschijn.

Bijgeloof

Voor de bunzing zijn kikkers een noodrantsoen, want hij eet ze niet graag. Een kikkermaaltijd heeft soms nare gevolgen. Van vrouwelijke kikkers zwellen de eileiders met kikkerdril zo sterk op dat de bunzing er last van krijgt en de maaginhoud moet uitbraken. Die glibberige massa is het zogenaamde "sterreschot". Op het platteland heerste vroeger het bijgeloof dat het resten van een vallende ster waren. Dit verklaart de merkwaardige naam die eraan werd gegeven.

De bunzing heeft bij kippenhouders al eeuwenlang een slechte naam. Hij wordt beschouwd als een bloeddorstige moordenaar van pluimvee en een echte eierdief. Daarom is hij door de mens altijd fel vervolgd. Dat hij zich toch goed kan handhaven, komt doordat hij veel jongen krijgt.

Onmisbare schakel

Er wordt op de bunzing geen werkelijke jacht gemaakt. Jagers en jachtopeerlijk en positief oordeel over de bunzing: „De bunzing kan pluimveehouder en jachtopziener vrij veel schade berokkenen, doch zijn aanwezigheid in het veld kan ook nuttige zijden hebben. Zo is de bunzing vooral in de polders een belangrijke, zo niet de belangrijkste verdelgervan de bruine rat, een dier dat ongemerkt tal van sloten en ruige hoeken bevolkt en een ware terreur uitoefent door het stelen van eieren en jong wild. De bunzing bewoont in het jachtveld precies dezelfde biotoop als de bruine rat en is" in staat dit ongedierte afdoende op te ruimen. de landbouw schadelijk zijn. Te veel wordt echter nog gelet op de schade die hij aanricht.

Faunabeheer

In ons land neemt de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ) het op voor de kleine marterachtigen, waartoe ook de wezel en de hermelijn behoren. Over deze dieren is betrekkelijk weinig bekend. Hun aanwezigheid is een bewijs dat de levensgemeenschap ter plaatse volledig is en duidt op een goede kwaliteit van het landschap. Maar van dat „verantwoord" kan een rekbaar begrip worden gemaakt.

De volgende uitspraak van VZZ onderschrijf ik volledig: „Hoewel de houding van het publiek de laatste jaren duidelijk aan het veranderen is, is toch meer voorlichting nodig over de plaats van roofdieren in de levensgemeenschap om zodoende tot een tolerantere houding van de bevolking tegenover roofdieren te komen". De bunzing maakt zijn hol graag onder een hooischelf of onder een takkenhoop. zieners wordt wel vaak gevraagd een bunzing te schieten omdat hij schade veroorzaakt. Er zijn nog enkele bunzingvangers, die het dier met hond en spade opsporen en vangen voor zijn pels. In de jaren dertig was dat lonend. Nu is dat niet meer het geval, waardoor de animo voor het vangen van bunzings is afgenomen.

De jachtauteur J. Antonisse geeft in zijn boek "De jacht in Nederland" een

In een model-jachtveld kan men de rat geheel niet en de bunzing slechts in beperkte mate tolereren. Daar waar men de ratten echter niet afdoende controleert -en in hoeveel jachtvelden gebeurt dit?- komt men door het wegvangen van de bunzing wellicht van de regen in de drup, doordat de ratten vrij spel krijgen".

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat het onverstandig zou zijn om te trachten de bunzing op boerenerven en in het jachtveld uit te roeien. Hij vormt een belangrijke en onmisbare schakel in de aantalsregulatie van dieren die voor

In een resolutie van de vereniging staat: „Beheer van roofdierpopulaties is een onderdeel van natuurbeheer en in het bijzonder van faunabeheer. Wij pleiten hier voor een faunabeheer waarbij aan natuurlijke ontwikkelingen zoveel mogelijk de kans gegeven wordt en de mens zich terughoudend opstelt". Door dit „zoveel mogelijk" en „terughoudend" is dit een voorzichtige uitspraak. Er moet naar mijn mening begrip zijn voor plaatselijke situaties. Die kunnen het noodzakelijk maken 4at er jacht wordt gemaakt op de bunzin|^Verantwoorde uitoefening van de jacht is'geen verwerpelijke zaak, maar isllim's.^ereist.

Dat is nodig, want ook de bunzing en andere marterachtigen vervullen een onmisbare functie voor het natuurlijk evenwicht. Door ruilverkaveling is het landschap op veel plaatsen sterk verarmd en zijn in de laatste twintig jaar veel geschikte bunzingbiotopen verdwenen. Toch schijnt er geen sprake te zijn van een sterke achteruitgang. Vier jaar geleden schreef S. Siebenga in "De Nederlandse Jager": „Gegevens van de Vereniging van bunzingvangers maken duidelijk dat het met de bunzing in verschillende gebieden in Noord-Nederland met slecht gaat. De vangstgegevens wijzen op een stabiel blijvende tot licht toenemende populatie".

Om unieke waterplanten te behouden zijn drastische rhaatregelen nodi

Het zachte, zuivere water verzuurt
tuurlijke buffering tegen schadelijke Stoffen. D.e f^ra van zacht water heeft een bijzondere^en soortenrijke samenstelling. Dit water is echter zeer gevoelig voor invloeden van buitenaf. Reeds enkele tientallen jaren merkt men dat de onderwaterflora achteruitgaat. Men heeft dat vooral toegeschreven aan eutrofiëring of voedselverrijking.

Ongeveer tien jaar geleden ontdekte men dat het zachte water verzuurt. Daardoor worden de oorspronkelijke waterplanten verdrongen door veenmos en knoJrus. Die soorten kunnen zich ook slechts-tort handhaven. Uiteindelijk verdwijnenalle onderwaterplanten met uitzondp-ing van de waterlelie, die drijfbladeren heeiüSir

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1990

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

stinkt van opwinding

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1990

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's