Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Du Cloux beleefde Afscheiding èn Doleantie, maar bleef hervormd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Du Cloux beleefde Afscheiding èn Doleantie, maar bleef hervormd

Ook in vorige eeuw onverkwikkelijke polemiek onder handhavers van belijdenis

11 minuten leestijd

Op 30 juli was het honderd jaar geleden dat ds. A. P. A. du Cloux in het Groningse Bedum overleed. Dat feit geeft ons de gelegenheid om even stil te staan bij de persoon en het werk van deze dienaar van het Woord, die in de kerkelijke strijd van de vorige eeuw in de voorste linies stond. Als jong predikant was hij van zeer nabij betrokken bij de Afscheiding van 1834 en als emeritus maakte hij nog de Doleantie mee. En in beide gevallen koos hij bewust voor het blijven in de Hervormde Kerk, om daar te strijden voor de handhaving van de gereformeerde belijdenis.

Het kan niet missen, de man met drie Franse voornamen en een Franse familienaam stamde uit een Hugenotengeslacht. De bet-overgrootvader van Alphonse Pierre Antoine du Cloux was, zoals zovelen in zijn tijd, in 1685, na de herroeping van het Edict van Nantes, uitgeweken naar Holland.

Alphonse, geboren op 25 maart 1808 in Den Haag, verhuisde reeds op tweejarige leeftijd naar Appingedam, waar zijn vader, een jurist, griffier was bij het Hoog Militair Gerechtshof. Begrijpelijk dat voor de theologiestudie de keuze op Groningen viel. Reeds op 22-jarige leeftijd werd Du Cloux toegelaten tot de evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk.

Belgische opstand

Zijn plan om predikant te worden in het toenmalige Nederlands-Indië werd doorkruist door de Belgische opstand. Op 12 mei 1832 werd hij in zijn eerste gemeente Vierhuizen en Zoutkamp beVgsjigd door zijiysctiend ds. G. Palmer uit Houwerzijl, terwijl Hendrik de Cock uit Ulrum, als ringcollega, aan de handoplegging deelnam! Du Cloux deed intrede met Galaten 6:14: „Maar het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus..."

Later zal Du Cloux belijden dat hij het ambt had aanvaard zonder het gewicht en de heerlijkheid ervan te gevoelen of te kennen, hoewel hij niet direct onrechtzinnig in de leer was. Desondanks maakte hij zich door zijn vriendelijkheid en zijn ijver geliefd, ook bij hen die kritisch stonden tegenover zijn prediking.

Conflict met De Cock

Al spoedig raakte hij in conflict met zijn ringcollega De Cock, die zonder toestemming kinderen doopte uit omliggende gemeenten, ook uit Vierhuizen. Du Cloux is dan ook de geschiedenis ingegaan als de eerste die bij het Classicaal Bestuur een aanklacht tegen De Cock in- , diende! In feite isijij degene gefeest die de bal aan het rollen bracht.

Twaalf dagen hadat De Cock en zijn kerkeraad en een groot deel van de gemeente de Akte van Afscheiding hadden getekend, op 26 oktober 1834, moest Du Cloux in Ulrum een vacaturebeurt vervullen. Omdat hij problemen voorzag, had hij om politieversterking gevraagd. Maar tijdens die dienst gebeurde er niets. Bij de volgende ringbeurt, op 15 maart 1835, dreigde de dienst wel te worden verstoord. Nauwelijks had Du Cloux de kansel beklommen, of een kerkganger riep hem een paar keer toe: „Wolf, kom af!" Onder het zingen van een gezangvers werd de oproermaker afgevoerd en het incident was afgesloten.

Bekering

In zijn tweede gemeente Losdorp, die hij veertien jaar zou dienen, kwam „de blinde leidsman der blinden", zoals hij zichzelf later noemt, tot bekeringplHij was daar de opvolger geworden-J van zijn schoonvader, dr. N. Westendorp, en deze was het die hem vertrouwd maakte met de belijdenisgeschriften. Ook de vele gesprekken met een ouderling gebruikte de Heere om hem te brengen tot kennis van zichzelf èn van de Zaligmaker. Een en ander leidde uiteraard tot verandering en verdieping van zijn prediking, en dat bleef niet onopgemerkt. Niet alleen uit Losdorp, maar ook uit de omgeving stroomden de kerkgangers toe. Van die tijd af ontving Du Cloux tal van beroepen. In 1851 ging hij naar „mijn onvergetelijk Oldebroek".

De volgende gemeente was OudAlblas, waar hij nog geen jaar bleef (juni 1856 - april 1857). Daarna volgde 's-Grevelduin-Capelle en in 1864 ging hij weer terug naar het noorden om de gemeente Spijk te dienen, waar hij in 1873 om gezondheidsredenen met emeritaat ging

Naast bestaand? gemeente

Over het leven van Du Cloux zou heel wat te vertellen zijn. Hij was bij voorbeeld de eerste predikant die voorging in een dienst naast de bestaande hervormde gemeente. Dat gebeurde op 9 juni 1857 in Middelburg, waar een groep malcontente hervormden aparte samenkomsten organiseerde. Niet alleen vele hervormden woonden deze dienst bij, maar ook leden van de Kruisgemeente en van de ledeboeriaanse gemeente van P. van Dijke!

Tijdens zijn korte verblijf in OudAlblas raakte Du Cloux in conflict met zijn ringcollega Thieme uit Wijngaarden, omdat hij doopleden uit die gemeente op belijdeniscatechisatie had, en omdat ouders uit Wijngaarden kinderen in Oud-Alblas wilden laten dopen. Zijn gedachten zullen ongetwijfeld wel eens teruggegaan zijn naar zijn eerste gemeente. Toen waren de rollen omgekeerd, en diende hij voor hetzelfde feit een aanklacht in tegen Hendrik de Cock... Overigens heeft Du Cloux zich over het dopen van kinderen en het belijdenis doen in een andere gemeente uitvoerig uitgesproken. Hij pleitte allereerst voor handhaving van de orde der kerk: Niet iedereen kan zomaar ergens dopen of belijdenis doen zonder toestemming. Hij is er wel tegen dat die toestemming gegeven moet worden door de predikant alléén, want het is een zaak van de kerkeraad. En als het even kan, als de predikant geen openbare verloochenaar is van de leer der kerk, dan moet men dopen in de eigen gemeente. Een staaltje van kerkelijk denken!

Majesteitsschennis

Ook is Du Cloux een keer beschuldigd van majesteitsschennis. Toen hij in 1860 als predikant van 's-GrevelduinCapellé een ringbeurt vervulde in de vacante gemeente Raamsdonk en daarbij preekte over de bekering van Manasse, merkte hij op dat de Oranjes „niet meer voorgangers en handhavers waren van de vrome instellingen onzer vaderen". Zijn vijanden grepen deze uitspraak gretig aan om een aanklacht tegen hem in te dienen, die overigens geen gevolgen voor hem had. In een brief aan een heeft Du Cloux uitvoerig de toevriend dracht verteld, en ook dat hij een en ander mocht zien als het dragen van een stukje smaadheid om Christus' wil.

Het verhaal van de „droevige Pinksteren" is overbekend. Op Tweede Pinksterdag, 28 mei 1860, verging de Capelse boot op het Hollands Diep in een zware storm. 42 passagiers verloren het leven, slechts tien konden worden gered. Du Cloux heeft een brochure gewijd aan deze ramp, die hij zag als een goddelijk ingrijpen in de brooddronkenheid van de feestvierders die naar Rotterdam waren geweest. Maar tevens beschuldigde hij de kapitein, die tegen alle waarschuwingen in toch was uitgevaren, van roekeloosheid.

Voor verdere informatie over de persoon en het leven van Du Cloux moge ik verwijzen naar mijn schets in "Zij die bleven" (1981) en naar het artikel van drs. M. den Admirant in "De Hoeksteen", jaargang 5, no. 2.

Betekenis

De betekenis van Du Cloux voor de kerk van de negentiende eeuw ligt vooral in zijn prediking, die zéér geliefd was, en in zijn strijd voor de handhaving van de gereformeerde belijdenis. Om met dat laatste te beginnen, na de grote ommekeer in zijn leven zag hij het als zijn roeping „om vrijmoedig voor de verdrukte waarheid in onze Kerk uit te komen en daarvoor te strijden".

Reeds in 1848 was hij een van de vele deelnemers aan de vergadering in het Odeon in Amsterdam, een bijeenkomst die was georganiserd door vrienden uit de kring van het Réveil. Daar werden twee Adressen verzonden, een naar de Algemene Synode en een naar de koning. Algemeen wordt deze vergadering beschouwd als een eerste aanzet tot reorganisatie van de kerk.

Nadat verschillende brochures van zijn hand het licht hadden gezien, werd Du Cloux in 1852 redacteur van het tijdschrift "De Wachter op Sions Muur". Onvermoeid werd daarin de strijd gevoerd tegen de theologie van de "Groninger richting" en tegen de voortdurende ondermijning van de gereformeerde belijdenis.

Vrienden der Waarheid

In 1856 werd de Provinciale Vereniging van Vrienden der Waarheid in ZuidHolland opgericht. Samen met de geestverwante collega's W. Kraijenbelt en H. W. A. Verhoeff redigeerde Du Cloux het orgaan van deze vereniging, het Kerkelijk Tijdschrift, waarin steeds weer werd gehamerd op hetzelfde aambeeld: Kerk, keer terug tot de belijdenis der vaderen!

Om hun frontale aanval op de Haagse predikant Zaalberg, die volgens hen „de grondwaarheden van het Christendom" had aangetast, kregen de redacteuren heel wat te verduren! Er werd zelfs een spotlied verspreid, waarschijnlijk vervaardigd door een liberaal kamerlid, met het refrein:

„Met liefde zij uw naam vermeld: Du Cloux, Verhoeff en Kraijenbelt!"

Ondanks de desolate toestand van de Kerk weigerde Du Cloux consequent haar te verlaten.

„Bij en onder al den gruwelijken afval in de Kerk is de Heere nog niet van ons geweken. Zoolang het fundament van de Kerk er ligt, namelijk onze geloofsbelijdenis, hoop ik haar te blijven dienen, en mogten de Besturen onverhoopt bepalen dat er leervrijheid is, en de Geloofsbelijdenis en de Formulieren van eenigheid zijn afgeschaft, dan nóg wensch ik zelfs eerder al die Besturen openlijk te verwerpen als anti-gereformeerd (...) dan de Kerk te verlaten"

Geliefd

Onder ons is Du Cloux het meest bekend en geliefd om zijn prediking. Dat was hij trouwens ook onder het kerkvolk in zijn eigen tijd. Er zullen in de negentiende eeuw weinig predikanten zijn geweest op wie zóveel beroepen zijn uitgebracht, misschien ds. J. H. Guldenarm van Oosthem uitgezonderd. Er is vrijwel geen nummer van het Kerkelijk Tijdschrift waarin zijn naam onder de beroepingsberichten niet voorkomt.

In tegenstelling tot de meeste van zijn collega's, sprak Du Cloux op de kansel los van het papier. Dat weten we uit de reeds genoemde brief aan een vriend naar aanleiding van de zogenaamde majesteitsschennis. Hij vertelt daarin dat hij aanvankelijk bang was zich misschien wat onvoorzichtig te hebben uitgedrukt, want „daar gij mijne gewoonte kent om meestal geheel, zoo als men zulks noemt, uit het hoofd te prediken, wist ik, dat naar de uitspraak der Schrift, hij die niet in woorden struikelt, een volmaakt mensch is...".

Bundels preken

Hoewel hij dus zijn preken niet uitschreef, hebben we toch een indruk van de wijze waarop hij het Woord verkondigde, doordat hij zelf tal van preken, zoals dat heet, „voor den druk gereed gemaakt" heeft. Bundels preken verschenen van zijn hand voor de feestdagen, voor de lijdenstijd, en ook vrije stoffen. Ze zijn eenvoudig van opzet. Na een korte inleiding volgt de verklaring van de tekst in een paar punten. Schriftuurlijk en bevindelijk van inhoud, om dan „met een woord van toepassing te eindigen". Die toepassing is steeds gericht op de drie bekende categorieën: onbekeerden, van verre staanden en bevestigden.

Het zal duidelijk zijn dat Du Cloux in zijn tijd bekend stond als een predikant aan de uiterste rechterzijde van de kerk. Zelfs zo, dat hem meer dan eens het etiket "ultra-gereformeerd" is opgedrukt. Nog in 1934 bracht dr. G. Keizer in zijn werk over de Afscheiding zijn houding tegenover Hendrik de Cock ter sprake en meende hij zijn bekering min of meer in twijfel te moeten trekken met de insinuerende opmerking: „Zijn afkeer van de gezonde Gereformeerde leer is hem bijgebleven".

Weerstanden

We beseffen dat deze uitspraak afkomstig is van een theoloog uit de Gereformeerde Kerken, waar men het moeilijk kon verkroppen dat Du Cloux destijds geen partij had gekozen voor de Afscheiding. Echter, ook in eigen kring riep Du Cloux kennelijk weerstanden op.

Ds. C. C. Callenbach, die toch congeniaal met hem was, schreef in 1860, naar aanleiding van een beroep in Nijkerk aan een van zijn kinderen: „om der gemeente wil, niet om mijnentwil, wensch ik dat Do. d. C. bedankt". En het is zonneklaar dat met deze initialen niemand anders dan Du Cloux bedoeld kan zijn.

Dat er minstens nuanceringen waren, ook tussen hen die" schouder aan schouder stonden in de strijd voor handhaving van de belijdenis, blijkt ook uit de nogal onverkwikkelijke polemiek tussen Du Cloux en dr. J. G. Verhoeff. Deze pennestrijd, waarmee Du Cloux vele pagina's van het Kerkelijk Tijdschrif heeft gevuld, ging over de vraag naar de reikwijdte van de verzoening. Verhoeff, die de nadruk had gelegd op de algenoegzaamheid van Christus' dood, werd door Du Cloux min of meer beschuldigd, een voorstander te zijn van de leer van de algemene verzoening! Kort daarna trad H. W. A. Verhoeff af als mede-redacteur van het Kerkelijk Tijdschrift. De reden, hoewel niet opgegeven, ligt voor de hand: de manier waarop Du Cloux zijn broer in het openbaar had aangevallen. Het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan.

In ieder geval, honderd jaar geleden ging een dienaar van het Woord heen die niet alleen voortdurend was opgekomen voor het recht van de kerk en haar gereformeerde belijdenis, maar die vooral ook de goede strijd van het geloof had gestreden. Zijn prekenbundels, die tot vandaag toe in hervormde èn in 'gescheiden' kringen worden gelezen, leggen er ondubbelzinnig getuigenis van af.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1990

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Du Cloux beleefde Afscheiding èn Doleantie, maar bleef hervormd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1990

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken