Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Koppige boer, Jaromir en puntdicht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Koppige boer, Jaromir en puntdicht

De verskunst van Staring beperkte zich niet tot Oost-Gelderland

5 minuten leestijd

Men kan Staring als dichter geen echte romanticus noemen, ondanks zijn voorliefde voor streekhistorie en -cultuur. Wel onderhield hij in Harderwijk nauwe banden met de Zwolse romantische dichter Rhijnvis Feith en in Göttingen met de romantische dichtersbent van de Göttinger Heimbund. Staring heeft de ondergrond van de Romantiek, maar bij hem stoelt niet heel zijn poëzie op het gevoel. Zijn dichtwerk is vierledig: verhalende gedichten of 'Romances', mengelwerken, bijdragen aan het kerkgezang en puntdichten naar Huygens' voorbeeld. Slechts één vers is van hem bekend in Gelders dialect, "De tuchtiging der Algerijnen". Daarvan maakte hij ook een Nederlandse versie, "Algiers bestraft". Dat Staring ook wat proza schreef is minder bekend

Drs. Henk Krosenbrink, de —scheidende— directeur van het Staring-Instituut, betoogde dat op de recente Staring-avond. Hij leidde ook "Elk weet waar 't Almensch kerkje staat..." van Wim Wijnands en tekenaar Jan Baggen in. En hij werkt, met de emeritus-historicus prof. J. C. Boogman, destijds Geyls opvolger te Utrecht en nu woonachtig in de Achterhoek, en met dr. Ton Schaars, de dialectkundige van het instituut, aan een studie over Starings leven en werk.

De lijst van werken over Staring groeit nog steeds. Johanna M. de Vries promoveerde op zijn teksten en varianten. C. van de Ketterij onderzocht zijn dichterlijke vertellingen als epische categorie tussen romance en roman. Busken Huet gaf hem een plaats in zijn "Litterarische Fantasiën en Kritieken". B. H. Lulofs was in 1842 zijn biograaf. Dominee-dichter Nicolaas Beets tekende "Loopbaan en Kenschets des dichters Staring" en nog in de oorlog gaven J. de Vries en C. Kruyskamp zijn gedichten opnieuw uit. In 1981 verscheen een herdruk van zijn verzamelde gedichten. Vergeten is hij dus niet.

Staring debuteerde in 1783, zestien jaar oud, bij het Haags dichtgenootschap "Kunstliefde spaart geen vlijt". In 1786 volgde zijn bundel "Mijne eerste proeve in poëzy ", na vijf jaar gevolgd door "Dichtoeffening". Dit vroege werk is nog erg sentimenteel en onpersoonlijk-romantisch. Dichten is voor hem ook geen hoofdbaan, dus het duurt tot 1820 voor zijn twee deeltjes "Gedichten" verschijnen, zorgvuldig herzien oud werk en nieuwe verzen.
Zijn humoristische vertellingen in versvorm verschijnen in periodieken als de "Nederlandsche Muzenalmanak". Samen met z'n lyrische verzen en puntdichten —bekend is "De meester, in zijn wijsheid, gist,/ De leerling, in zijn waan, beslist"— bundelt hij ze in "Nieuwe Gedichten" (1827) en "Winterloof" (1832). De laatste titel wijst op zijn ouderdom: hij is dan 65 en maakt de balans op, hoewel hij in 1837 nog na grondige herziening opnieuw zijn poëzie bijeenbracht in vier delen "Gedichten". In 1837 verschijnen ook zijn nu vergeten historische-novellen, "Kleine verhalen". Staring drukte ze af in diverse almanakken. Daarin schreef hij ook over trouwgebruiken in Barchem en andere folklore.

'Romances' en lyriek
Zijn 'romantische' gedichten over "Ada en Rijnoud" of "Emma en Adolph" leest haast niemand meer. Zijn stof hiervoor ontleende hij graag aan middeleeuwse of oud-Noorse motieven. Maar zijn lyriek is levendig en vaak nog te genieten. Dat geldt evenzeer voor zijn epigrammen, zoals "De langdradige Preek": „Ik ging bij A. ter preek; Z. onder 's mans gehoor/ Mee luistrend, begint mij aan te stoten,/ En mompelt: 'Goede kost, maar met lang nat begoten!/ Men dient ze best op een vergiettest voor!'" Of: "Op een Kwaadspreekster": „Met ogen, die als kolen branden,/ Sluipt Gudel rond, en spuwt venijn./ Niets faalt haar om een slang te zijn,/ Dan gladder vel, en nieuwe tanden."
Lang niet alle poëzie van Staring is streek-gebonden. Hij dicht ook lyrisch over de oogst, grove dennen, de lente of de trek der kraanvogels. Zijn epischhistorisch vers in het dialect over de Algerijnse zeerovers schreef hij, zo dacht men vroeger, in het 'boeren-Zutphens', maar dr. Schaars ontdekte, dat het eerder een Liemers-Gendringse variant van het Gelders is. Wel ontleent hij in zijn verskunst veel aan de volkskunde, historie en oude sagen en verhalen van de Achterhoek: "Het vogelschieten", "Jaromir", "Lochem behouden in 1590", "De Burgt'te Bronkhorst afgebroken, in 1824".

Monnik Jaromir
Van zijn lange berijmde vertellingen zijn "De leerling van Pancrates", "Marco" (een persoonlijke variant op klassieke motieven),"De twee bultenaars", "De Vampyr" of "Het kameleon" minder bekend. Maar "De hoofdige boer" en de vierdelige "Jaromir"-cyclus —Jaromir te Praag, Lochem, en Zutphen en Jaromir gewroken— duiken in elke bloemlezing weer op. "Jaromir" geeft een 'verklaring' voor bepaalde legendarische verschijnselen en namen.
Jaromir is 15e-eeuwse middeleeuwse theologiestudent en monnik, die losbandig leeft en zich in Praag de haat van de duivel op de hals haalt door zichzelf als duivel voor te doen en zo bij een hevig geschrokken herbergier een gratis maal en logies te krijgen. In "Lochem" neemt de duivel wraak; de kerkklokklepels laat hij hard op Jaromirs hoofd neerdalen en de klokken dumpt hij in een meertje (dat in Starings tijd "de duivelskolken" genoemd werd). In Zutphen sluit de duivel Jaromir op in de Librije. Deze wordt gered door de aartsengel Michael. Op zijn vlucht laat de duivel pootafdrukken in het plaveisel achter en bij elke rondleiding wijst de gids u op die legendarische hoefjes...

„Nietigheid voor God"
In "Jaromir gewroken" geeft Staring 'uitleg' van de naam "duivelsaars", een kuil of weiland nabij Lochem. Jaromirs tegenspeler heet nu Sinjeur Tenterkwaad. Hoofdpersoon was eerst niet de kapelaan geworden Jaromir, maar het jonge begijntje Leonoor. Op verzoek van zijn uitgever, die meende dat vrouwelijke lezers deze 'zedeloze' versie niet zouden waarderen, heeft Staring dat deel geheel omgewerkt. De cyclus is ook opgenomen in "Elk weet waar 't Almensch kerkje staat...", dat nu voor 12,50 gld. te koop is bij diverse boekhandels in de Achterhoek en bij hotel "De Hoofdige Boer" in Almen.
Op het dorpskerkhof van Vorden ligt Staring onder een eenvoudige zerk. Hij leefde vanuit „een gevoel van nietigheid voor God, (...) waardoor wij niet verblind worden door aardsche magt en grootheid". Sommige van zijn verzen rijmde hij op bestaande melodieën en zijn betekenis voor het geestelijk lied is mogelijk groter dan men veelal weet. In 1789 typeerde hij zichzelf zó: „Ik ben uit Geldersch bloed!/ Oprecht is mijn gemoed;/ Aan eenvoud heb ik lust:/ Met pracht en weeld komt zorg;/ Genoegzaamheid baart rust".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1990

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Koppige boer, Jaromir en puntdicht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1990

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken