Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

John Preston wekte op tot een ijverig en biddend gebruik maken van de middelen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

John Preston wekte op tot een ijverig en biddend gebruik maken van de middelen

„Veel besproken Engelse prediker, schrijver en politicus (1587-1628) stond achter de gereformeerde leer"

15 minuten leestijd

Politieke gebeurtenissen beïnvloedden het, betrekkelijk korte, leven van John Preston diep. Hij werd geboren —de precieze datum is niet bekend— in Upper Heyford in Northamptonshire in Engeland, dat kerkelijk behoorde tot Bugbrook. Op 27 oktober 1587 werd hij in de kerk te Bugbrook gedoopt. Zijn ouders heetten Thomas Preston en Alice Marsh. Over zijn eerste levensjaren is weinig bekend. Nadat hij het onderwijs op de dorpsschool gevolgd had, ging hij naar de "Grammar School", een instelling die de vooropleiding vormde voor het academisch onderwijs.

Deze vooropleiding gebeurde op kosten van een oom van zijn moeder, een zekere Creswell. Creswell was rijk en kinderloos, en daarom wilde hij de studie van zijn begaafde achterneef betalen. Daarna kreeg de jonge John van een predikant in Bedfordshire enige tijd grondig les in het Grieks, eveneens voor rekening van Creswell.

Op 5 juli 1604 werd hij als "sizar" ingeschreven in King's College, dat deel uitmaakte van de universiteit van Cambridge. Een sizar is een student die maar een deel van de studiekosten behoeft te betalen. In 1606 verwisselde Preston King's College voor Queen's College, waar hij als mentor Oliver Bowles kreeg, een theoloog.

Oom Creswell had hem een flink grondbezit nagelaten. Hij dacht tijdens zijn studiejaren aan een loopbaan in de diplomatie. Hij maakte daarom een afspraak, officieel vastgelegd in een contract, met een koopman. Die zou ervoor zorgen dat Preston een poosje in Parijs zou kunnen doorbrengen, waardoor hij wat ervaring zou kunnen opdoen in het leven buiten Engeland. Doch door de plotselinge dood van deze koopman ging dit niet door.

Daarop begon Preston met de studie van de wijsbegeerte, daartoe aangemoedigd door Porter, die intussen Bowler was opgevolgd. Porter was zeer op de jonge Preston gesteld. Op voorspraak van Porter bij Tyndal, die rector was van Queen's College, en deken van Ely, werd Preston in 1609 als "fellow" opgenomen in de wetenschappelijke staf van Queen's College. Reeds in 1607 was hij "Bachelor of Arts" geworden. Hij was toen nog maar 21 jaar oud! De gelden die oom Creswell aan de vorming van zijn begaafde neef had uitgegeven, bleken goed besteed. Na de wijsbegeerte begon hij medicijnen te studeren. Bij een bevriende arts in Kent deed hij, tijdens een verblijf aldaar, praktische ervaring op. Daarnaast studeerde hij astrologie, de zogenaamde 'wetenschap' die leert dat de stand van de sterren en planeten invloed uitoefent op de levensloop, en ook op de gezondheid van de mensen. In die tijd zag men allerwegen de astrologie als een hulpwetenschap van de medische wetenschap.

Een grote verandering

Ongeveer in 1611, het jaar waarin hij het doctoraal examen deed, beluisterde Preston een preek die zijn leven geheel zou veranderen. Ds. John Cotton, die maar enkele jaren ouder was dan Preston, preekte in de St. Mary's Church. Cotton stond bekend als een groot kanselredenaar, vanwege de schone vorm en inkleding van zijn preken. Maar ditmaal waren de meeste kerkgangers niet tevreden over de preek van ds. Cotton.

Hij hield niet een prachtige rede, maar een eenvoudige en door en door bijbelse preek. Verschillende van zijn toehoorders lieten hun ongenoegen duidelijk blijken, en ds. Cotton keerde enigermate bedroefd, en ook wel wat gepikeerd, terug naar zijn kamers. Even later klopte John Preston op de deur. Daarna volgde een diepgaand gesprek tussen beide mannen, dat de levensgang van Preston volkomen heeft veranderd, en dat het begin werd van een levenslange vriendschap. Ds. Cotton heeft Preston overigens lang overleefd: hij stierf in 1652. Preston begon nu theologie te studeren, waarbij hij behalve aan Thomas van Aquino grote aandacht besteedde aan Duns Scotus en Ockham, allebei theologen uit Groot-Brittannië. Spoedig bleek dat Preston enige invloed kreeg in academische kringen.

In 1614 overleed Tyndal, de rector van Queen's College, en een zekere George Montaigne —die later aartsbisschop van York werd— had het oog op die belangrijke post geslagen. Maar Preston was er niet voor dat Montaigne rector zou worden, en daarom reed hij dadelijk na het overlijden van Tyndal te paard naar Londen, dat hij nog voor het aanbreken van de dag bereikte. Daar sprak hij met de graaf van Somerset, Robert Carr, over de vervulling van de nu vacante post. Toen hij naar Cambridge terugreed, had hij de toezegging verkregen dat Tyndal zou worden opgevolgd door John Davenant, de man die hij bij Carr had voorgedragen. Montaigne wist toen nog niets van het sterven van Tyndal af!

In 1615 bracht koning Jacobus I —van de King James Bible!— een bezoek aan de universiteit van Cambridge. Ter ere van de vorst werd er een "geleerd gesprek" gehouden, over een onderwerp dat ons grappig aandoet; "of honden kunnen redeneren en gevolgtrekkingen maken". De koning was door dit gesprek zeer vermaakt en vertelde iets over zijn eigen ervaringen met honden. ("The King's dog story").

Als Preston gewild had, had hij toen gemakkelijk een betrekking aan het hof of in de diplomatie kunnen krijgen. Men zei ervan „dat 's konings hond voor de heer Preston de weg naar het hof gebaand had". Maar Preston had zijn vroegere plannen en ambities leren opgeven, en hij gaf nu colleges over de theologie van Calvijn. Dat hij niet gevoelig bleek voor de gunsten van de koning, maakte hem bij sommigen verdacht als „een echte Puritein"!

Dat werd nog erger toen de koning opnieuw Cambridge bezocht. Men zou toen een toneelstuk, "Ignoramus", voor de koning opvoeren, en een leerling van Preston, Morgan, zou in dat stuk een vrouwenrol spelen. Preston verbood hem dit, maar de voogden van de jonge man gaven hun toestemming, en Morgan speelde zijn rol. Later vertrok deze student naar Oxford, waar hij overging naar de Rooms-Katholieke Kerk.

Strenge opvattingen

De strenge opvattingen van Preston leidden ertoe dat heel wat ouders hun zonen aan hem toevertrouwden. De verhouding tussen dr. Davenant en Preston was uitstekend. Op vele kansels kwamen ex-studenten van Preston te staan. Men noemde hem dan ook wel spottend: de grootste handelaar in preekstoelen sinds mensenheugenis in Engeland. ("The greatest pulpit-monger in England in man's memory").

De universiteitsgebouwen moesten een gevolge van de toevloed van studenten worden vergroot. Hij was gewend zijn studenten hun studie te laten afronden bij ds. John Cotton, toen predikant te Boston in Lincolnshire. We hebben reeds vernomen dat God Cotton heeft willen gebruiken tot Prestons bekering. Al zijn activiteiten lieten echter niet na een nadelige invloed uit te oefenen op Prestons gezondheid.

Vooral leed hij aan chronische slapeloosheid. Tweemaal bezocht hij daarom een zekere William Butler, die te Clare Hall woonde, en die bekend stond als een „succesful empirie", een succesrijke kwakzalver. De eerste keer bezocht Preston Butler in een vermomming, omdat hij het niet wilde weten dat hij een kwakzalver bezocht. Het recept van Butler was voor onze begrippen vreemd: hij ried Preston aan te gaan roken, en inderdaad voelde Preston zich daarna beter! Intussen was hij geordend tot predikant in de Kerk van Engeland, en in die hoedanigheid fungeerde hij als deken en catecheet van Queen's College. Hij begon een reeks preken te houden, waarin hij in feite de gehele geloofsleer behandelde. Er was zo'n toevloed van toehoorders, dat er een formele klacht werd ingediend bij de vice-kanselier van de universiteit „dat niet alleen studenten van andere colleges, maar ook gewone burgers van Cambridge de preken van Preston kwamen beluisteren, waardoor de collegezaal hen niet allen kon bevatten". Daarop werd verordend dat alleen studenten van Queen's College de preken van Preston mochten aanhoren. Kennelijk was er jaloezie in het spel. Daarom begon hij namiddag-lezingen te houden in de kerk van St. Botolph, die bij Queen's College hoorde.

Conflict

Dit leidde tot een conflict met Newcome, die bijzonder gebeten was op Preston, omdat een huwelijk van Newcome's dochter Jane met een leerling van Preston niet was doorgegaan, hetgeen Newcome aan Prestons invloed toeschreef. De discussie in de St. Botolph's Kerk met Newcome duurde zo lang, dat de namiddag-lezing pas later dan gebruikelijk kon worden gehouden. Maar daardoor moest Preston voor eenmaal het liturgisch voorgeschreven openbare gebed laten vervallen. Prompt spoedde Newcome zich daarop naar de rechtbank aan de Newmarket om Preston als een „nonconformist" aan te klagen! Een nonconformist was iemand die zich niet hield aan de gehele liturgie zoals die in het "Algemeen Gebedenboek" in de Kerk van Engeland is voorgeschreven. Men beraadslaagde hierover en zelfs werd er even gesproken over verwijdering van Preston van de universiteit. De bisschop van Ely, Lancelot Andrewes, sprak het verlossende woord. Hij stelde voor dat Preston zijn gevoelen over de hele zaak zou uitspreken en toelichten. Dat gebeurde en Preston wist zich vrij te pleiten. Kort daarop werd hem gevraagd voor koning Jacobus te preken te Finchingbrook.

Preston preekte tegen het arminianisme en de koning was daar zeer mee ingenomen. Een hoveling, de markies van Hamilton, stelde zelfs voor Preston tot hofprediker te benoemen, maar de koning achtte de tijd daarvoor nog niet rijp. Als de koning geweten had dat Preston de schrijver was van een geschrift dat gericht was tegen de "Spanish Match", dat zeer vertrouwelijk circuleerde onder de leden van het Hogerhuis, zou hij wellicht minder ingenomen zijn geweest met Preston. De "Spanish Match" is de Engelse naam voor de plannen van de koning om voor zijn zoon een Spaanse prinses als echtgenote te zoeken. Deze plannen zijn mislukt. Om politieke redenen —men wilde de Puriteinen gunstig stemmen— werd Preston benoemd tot predikant ("chaplain") van prins Karel.

In 1620 behaalde Preston zijn eerste theologische graad. Toen John Davenant benoemd werd tot bisschop van Salisbury, verwachtte Preston hem op te zullen volgen als professor in de theologie. Alle colleges werden toen in het Latijn gegeven, en omdat Preston deze taal niet voldoende beheerste, besloot hij een bezoek aan ons land te brengen, wat naast een zekere ontspanning meebracht dat hij meer Latijn zou moeten spreken. In de zomervakantie van 1621 was het zover. Hij ging —in het geheim!— per schip naar Rotterdam, in gewone burgerkleding. In Nederland sprak hij met vele theologen, protestanten zowel als rooms-katholieken. Teruggekomen wilde hij ontkennen dat hij in Nederland was geweest, maar dit bleek nutteloos: een spion had hem al die tijd geschaduwd en wekelijks rapporten naar Londen gestuurd! Men vreesde toen een Puriteinse staatsgreep.

Lincoln's Inn

In februari 1622 legde de bekende predikant en dichter John Donne zijn ambt als predikant bij Lincoln's Inn neer, en men koos Preston als Donne's opvolger. Lincoln's Inn is een oud en beroemd gerechtshof in Londen. Preston nam dat beroep aan en ook hier stroomde men van alle kanten toe om hem te horen. Er moest zelfs een nieuwe, grotere kapel gebouwd worden om alle hoorders onderdak te kunnen bieden. Een nieuwe promotie van Preston volgde spoedig: hij werd benoemd tot rector van Emmanuel's College. Deze hele zaak te beschrijven zou te ver voeren, maar duidelijk is wel dat de hele procedure niet vlekkeloos was. Zo werd de vacature, tegen de voorschriften in, niet openlijk bekendgemaakt, en ook vond de benoeming van Preston op 2 oktober 1622 in het geheim plaats, achter gesloten deuren! Ook met de regels die het nagenoeg onmogelijk maakten tegelijk predikant van Lincoln's Inn en rector van Emmanuel's College te zijn, nam men het niet al te nauw. We kunnen Preston en zijn medestanders hierin niet in alles bewonderen.

In 1623 werd hem — bij koninklijk besluit!— de titel van doctor in de theologie verleend. Naast de uitoefening van zijn dubbele functie preekte Preston nog graag en veel te Cambridge. Men bood hem daar de vacante plaats in de Trinity Church aan. Ook dat ging weer niet helemaal zonder moeilijkheden, omdat de koning er op tegen was dat Preston ook nog predikant te Cambridge zou worden. Bovendien: er waren meer gegadigden. Men bood Preston zelfs aan bisschop van Gloucester te worden, als hij maar afzag van het predikantschap te Cambridge. Niettemin, Preston hield naar gewoonte voet bij stuk, en zo werd hij predikant van de Trinity Church.

Jacobus I

Toen koning Jacobus I op 27 maart 1625 stierf, was Preston in de sterfkamer aanwezig. Hij vergezelde prins Karel, samen met de eerste minister Buckingham, naar Whitehall, waar de prins werd uitgeroepen tot koning Karel I. Dat was de vorst die later het leven zou laten op het schavot, in de dagen van Cromwell. Het zag er een poosje naar uit dat Preston grote invloed zou krijgen op politiek terrein, maar dat werd verijdeld door William Laud, de felle hater van alles wat Puriteins was. Deze politieke activiteiten zouden voor Preston ongunstig aflopen. Lord Buckingham maakte van Prestons populariteit een handig gebruik. Preston voelde dat ten slotte wel aan en toen Buckingham zich op 1 juni 1626 liet benoemen tot kanselier van de universiteit van Cambridge, voelde Preston zich daar niet meer geheel veilig. Hij overwoog toen zelfs Engeland te verlaten en zich in Bazel te vestigen. Een brief van Preston aan een lid van het parlement, waarin hij ertoe opriep zich tegen de politiek van Buckingham te verzetten, raakte ongelukkigerwijs in Buckinghams handen! Toen Preston ook kennelijk aan het hof niet meer zo in de gunst stond als vroeger, werd zijn positie als rector van Emmanuel's College moeilijk. Begin november preekte hij nog voor de koning in Whitehall. Later, toen bekend werd dat op 8 november 1627 eerste minister Buckingham een zware nederlaag had geleden tegen de Fransen, beschouwde men de inhoud van die preek als profetisch.

Preston zou niet lang meer leven: zijn gezondheidstoestand ging snel achteruit. Vooral zijn longen waren door een kwaal aangetast. Hij trok zich terug in het huis van een vriend in Preston-Capes in Northamptonshire, waar hij op zondag 20 juli 1628 stierf, nog geen 41 jaar oud. Op 28 juli werd hij begraven in de dorpskerk van Fawsley. De begrafenis werd geleid door ds. John Dod. Er is geen grafsteen boven zijn graf aangebracht. Preston is nooit getrouwd geweest. In zijn testament had hij bepaald dat zijn bezittingen moesten worden vermaakt aan zijn moeder en broers. Met uitzondering echter van zijn boeken en meubels, die hij legateerde aan zijn leerling Thomas Ball, die zeer bij hem in de gunst stond.

Over Prestons karakter wordt verschillend geoordeeld. Zijn biograaf, Gordon, wijst erop dat hij beschikte over een grote mate van zelfbeheersing, dat hij een man van zijn woord was en dat hij nauwelijks gevoelig was voor kritiek. Nu kan dat laatste positief en negatief beoordeeld worden! Zijn diplomatieke aanleg schijnt hem wel eens parten te hebben gespeeld. Een zekere Fuller noemde hem „een volkomen politicus", een man die zeer voorzichtig en gereserveerd was. Ball schrijft over het uiterlijk van Preston dat hij „stevig en goed gebouwd was, en een levendige, scherpe blik had". Er zijn verschillende portretten van hem gemaakt.

Prestons werken

In de levensbeschrijving van Preston door ds. Alexander Gordon is een lijst met 24 door hem geschreven werken opgenomen. Een te lange lijst derhalve om hier over te nemen. Uit die werken leren we een man kennen die de gereformeerde leer van heler harte was toegedaan. De onderwerpen waarover hij schreef hebben merendeels betrekking op de praktijk van het geestelijke leven. De boeken hebben soms pakkende namen: De leer van de zwakheden der heiligen. De wet buiten de wet gesteld. De gedeformeerde vorm van een vormelijke belijdenis, Een levendige beschrijving van het geestelijke leven en van de geestelijke dood. De onderwerping der heiligen. Over de onwederstandelijke, bekerende genade. Verder nogal wat prekenseries.

Volgens ds. J. van der Haar, die zelf Prestons boek "A liveless Life or Man's Spiritual Death" in 1982 vertaalde, waren er voordien maar drie werken van Preston in het Nederlands vertaald en uitgegeven. Dat zijn: De dagelijkse oefening der heiligen, over 1 Thessalonicensen 5:17, Het Nieuwe Verbond, of het deel der heiligen, en De Drinkbeker der Dankzegging, een reeks avondmaalspreken. Voor het schrijven van dit artikel hebben wij de beschikking gehad over de zojuist genoemde vertaling van ds. Van der Haar en over de facsimile-uitgave (van 1979) in het Engels van "Het Borstwapen van het geloof en van de liefde". In het kort willen we van deze werken de grote lijnen nagaan. Het tractaat over "Een levenloos leven, of de geestelijke doodstaat van de mens" bestaat uit vier hoofdstukken. Ze gaan over de geestelijke dood in de zonde, de leer van de verootmoediging voor God, de genade die in Christus wordt gevonden, en het grote gevaar van het blijven in de zonde.

Over de doodstaat van de onwedergeboren mens zegt Preston treffende dingen. Trefzeker typeert hij als hij de tekenen van de geestelijke dood noemt: het verdwijnen van het rechte verstand, het gemis van gevoel en beweging, en de doodskleur op het gezicht. Preston gaat ook in op de nog veel gehoorde opmerking „Waartoe dient het preken, als alle mensen toch dood zijn in de zonde?" Hij antwoordt dat het woord der prediking tot leven kan brengen, zoals het machtswoord van Christus de dode Lazarus tot leven bracht. God vindt al de Zijnen in de zonde en in de geestelijke dood, maar Hij roept hen tot leven door Zijn Woord! Sterk wekt Preston op tot een ijverig en biddend gebruik van de middelen.

Ook in "Het Borstwapen" slaat Preston dezelfde toon aan. Zo schrijft hij in zijn preek over "Het werkzame geloof" naar aanleiding van 1 Thessalonicensen 1:3 dat, „tenzij een mens vermoeid is, en zwaar beladen met het juk van de satan, tenzij Satans juk onverdraaglijk voor hem wordt, hij het nooit zal kunnen uithouden onder het juk van Christus". In een andere preek over hetzelfde onderwerp schrijft hij: „Denkt u, dat Christus uit de hemel gekomen is, het vlees heeft aangenomen, en de dood gesmaakt om alleen maar kleine zonden te vergeven? Neen, het was om de grootste zonden te vergeven. Het (verlossings)werk is groot genoeg om voor de grootste zonden te voldoen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1991

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

John Preston wekte op tot een ijverig en biddend gebruik maken van de middelen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1991

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken