Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Evangelisatie onder moslims wordt in ons land 'witte raaf'

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Evangelisatie onder moslims wordt in ons land 'witte raaf'

"Oecumenischen in de kerken overwaarderen de 'theologie' van de islam''

8 minuten leestijd

Evangelisatie onder moslims heeft in kerkelijk Nederland een verdachte klank gekregen. Voor oecumenischen tenminste. Verdraagzaamheid en wederzijds begrip staan bij hen hoog in het vaandel. Evangelischen daarentegen onderscheiden zich door hun sterk op resultaat gerichte prediking. Reformatorischen laten het tegenover de moslimse naaste goeddeels afweten.

De deze week in Bunnik gehouden bijeenkomst van het zogeheten Güntersteinberaad bracht de verschillen opnieuw onder woorden. De gereformeerde islamdeskundige ds. J. Slomp noemde expliciete evangelisatie onder moslims „irriterend". De zending is voor hem een „witte raaf' geworden, zo concludeerde een van de 75 aanwezigen.

Maar ook evangelischen staken hun mening niet onder stoelen of banken. EZA-secretaris J. L. Keijzer meldde dat een christelijke bijbelschool in Indonesië een hele leergang gaat wijden aan gospelmuziek, om zo tegemoet te komen aan de vele moslimse jongeren die „de moskee- muziek te slap vinden". Dat is weer het andere uiterste, verzuchtte een conferentieganger.

Dialoog

In de kerkelijke omgang met moslims gaat het vandaag meer om dienst, diakonia en gezamenlijke solidariteit dan om getuigenis. Het gaat om „dialoog". Maar die dialoog is niet langer een „missionaire dialoog", zo constateerde prof. dr. J. Verkuyl eind deze week in het magazine "Kerk". Verkuyl pleit overigens in één adem voor een „wederzijds begrip" en „economische en sociale coöperatie".

„Er moet evenwicht zijn tussen getuigenis en dialoog. Evangelischen zien dat beter dan oecumenischen", aldus de emeritus hoogleraar. Naar zijn mening zijn er situaties denkbaar waarin je niet moet beginnen met de proclamatie van het Evangelie, maar met gemeenschap, of met diakonia of met deelname aan de strijd voor de gerechtigheid.

„Maar", zo vindt hij, „uiteindelijk zullen ze alle vier aan bod moeten komen. Vanuit dat standpunt vind ik het geweldig, dat ik zovele moslims, boeddhisten en hindoes tot Christus heb mogen brengen en daarom vind ik het zo verschrikkelijk dat het missionaire elan in ons land afneemt".

„Verdacht"

Verkuyl, die jarenlang werkzaam was in Indonesië, heeft met dit getuigenis een „verdachte klank" gekregen. Onvermoeibaar blijft hij echter tegen de nieuwe trend getuigen. In 1985 schreef hij in zijn boek "Met moslims in gesprek over het Evangelie" dat „het een schande zou zijn als etnische en religieuze minderheden niet de gelegenheid ontvingen om met het Evangelie in aanraking te komen".

Verkuyl: „Wee ons christenen in een zogenoemd christelijk land, indien wij niet bereid zijn in oprechte vriendschap het Evangelie te communiceren en onze diepste overtuigingen met elkaar uit te wisselen. (...) Christenen moeten eerlijk bekennen dat ze Mohammed in vele opzichten respecteren, maar worden niet geroepen tot imitatio Mohammedanis, maar tot imitatio Christi".

Kraemer

Behartigenswaardig zijn Verkuyls opmerkingen over, wat hij noemt, de „oververhitte theocentriciteit" en de „drang tot verwereldlijkte theocratie" in de islam. Moslims lopen het gevaar de majesteit van God te overaccentueren en geen oog te hebben voor de „diepere dramatiek tussen God en mensen", zo leerde hij van de hervormde zendingsman dr. H. Kraemer. Met hem is Verkuyl van mening dat de islam vanaf 622 een „politieke religie" is geweest, die de drang om de aardse macht identificeert met de geestelijke strijd.

De opvattingen van iemand als de hervormde emeritus predikant dr. W. S. Hugo van Dalen, die evenals Verkuyl vrij lang werkzaam was als „prediker onder de Mohammedanen", sluiten hierbij naadloos aan. Gisteren benadrukte hij desgevraagd dat de islam geen religie, maar een beweging is. De koran is volgens hem „een lege doos, zonder inhoud". Mohammed noemt hij een „pathologische figuur met mystieke trekken" en een „epileptische persoonlijkheid".

Foutieve ontwikkeling

Fel is de oud-prediker over de opvattingen van moderne islamologen als de Amsterdamse hoogleraar dr. A. Wessels. „Ze weten niet wat ze zeggen. Ze aaien de moslim over de bol. Het is een foutieve ontwikkeling, die de zending kapot maakt". Het door hen als „fundamentalistisch" afgeschilderde getuigenis van evangelischen noemt hij verfrissend. „Fundamentalisme is goed beschouwd: Schriftuurlijke kritiek op onschriftuurlijke meningen. Daar heb ik vanzelf niet zoveel moeite mee".

Maar ook in wetenschappelijk opzicht slaan islamologen als Wessels volgens hem de plank mis. „Hun opvattingen zijn godsdienst-historisch gezien een aanfluiting. Als Mohammed al bestaan heeft, heeft hij heel iets anders bedoeld dan zij interpreteren. Mohammeds analogieën zijn geen homologieën, begrijpt u. Het zijn regelrechte ontkenningen van de kruisiging van Christus en van de goddelijke drieëenheid. De profeet heeft leentjebuur gespeeld om zijn eigen gelijk te halen".

Moord op confessie

Wessels is het hierin niet met hem eens. Op de al eerder genoemde bijeenkomst van het Güntersteinberaad pleitte hij voor een omkering van de volgorde van de christelijke feesten, „omdat Mohammed vanuit de opstanding de kruisiging zou hebben beleden". Hugo van Dalen: „Zie je wel, de hele islamologie van deze eeuw wordt vermoord. Die mensen vermoorden de confessie. Laat ze de koran lezen, daarin staat het zwart op wit".

De verwijzingen zijn legio. Soera 4 beschuldigt de mensen van het Boek „om hun ongeloof en hun uitspreken van ontzaglijke laster over Marjam". „Wij hebben gedood de Masih Is'a, de zoon van Marjam, de boodschapper van Allah", zeggen zij. „Maar niet hebben zij hem gedood en niet hebben zij hem gekruisigd, doch voor Hem werd een schijnbeeld van hem gemaakt".

Lieden van het Boek

„Zij die daarna van mening verschillen, zijn", aldus de koran, „waarlijk in twijfel over hem. Zij hebben daaromtrent geen wetenschap anders dan het navolgen van de blote mening". Want: „Niet hebben zij hem gedood in zekerheid". Dergelijke passages laten aan duidelijkheid niet te wensen over, ook wanneer in ogenschouw wordt genomen dat deze teksten niet stammen uit de Mekkaanse periode. Ze zijn gekleurd door Mohammeds strijd tegen joden en christenen in Medina.

Zo ook deze tekst (Soera 4:171): „O lieden van het Boek, overschrijdt niet de grenzen in uw godsdienst en zeg niets anders over Allah, dan het wezenlijke. Immers de Masih, Is'a, zoon van Marjam, is slechts de boodschapper van Allah en Zijn Woord, hetwelk Hij geworpen heeft op Marjam, en een Geest van Hem. Gelooft dan in Allah en Zijn boodschapper. En zegt niet: Drie. Houdt daarmede op; dat is beter voor u. Immers Allah is een enig god. Vér is het van Zijn lofprijzing dat Hij kinderen zou hebben".

Nee tegen joden

De koran is christenen overigens gunstiger gezind dan de joden. „Gij zult als hevigsten der mensen in vijandschap jegens hen die geloven, bevinden de joden en hen die genoten geven. En gij zult als de naasten hunner in genegenheid voor hen, die geloven, hen bevinden, die zeggen: Wij zijn christenen. Zulks omdat onder hen zijn priesters en monniken en omdat zij zichzelf niet verhovaardigen", aldus Soera 5:82.

Gemeenschap met joden en christenen is echter uitgesloten, omdat „Allah waarlijk niet recht leidt de onrechtdoende lieden". „Gij ziet toch hoe, in wier harten krankheid is, zich in hun midden druk maken, zeggende: Wij zijn bang, dat een ommekeer ons zal treffen. Doch wellicht zal Allah de uitkomst geven of een beschikking van Zijnentwege, zodat zij berouw zullen krijgen over wat zij verheimelijkten in hun zielen".

Bavinck

„Ik neem die teksten volstrekt serieus", zegt Hugo van Dalen. „Dat doet Wessels ook. Hij moet wel. Ik las bij jullie dat hij hij de koran „openbaring" noemt. Op die teksten na dan waarin de profeet zich uitspreekt tegen joden en christenen. Maar dat ligt er ook zo dik bovenop, daar kun je gewoon niet omheen".

De hervormde emeritus ervaart het naar zijn zeggen als een „misser van eerste orde" dat zijn gereformeerde vakgenoten de publikaties van oudgedienden als Snouck Hurgonje, Kraemer en J. H. Bavinck („toch geen kwajongen") hebben bijgezet in het antiquariaat. „Ze gaan nog verder dan het Vaticaan".

Bijgeloof

Volgens Hugo van Dalen zien zijn collega's „theologie"-waar van geen theologie sprake is. „De volksislam is onwetend. Ik heb een imam teksten horen reciteren terwijl hij de koran omgekeerd op zijn schoot had. Ook vind je daar net zo goed als in de westerse wereld occultisme en allerlei bijgeloof. Moslims staan overal voor open". Het enige raakvlak tussen moslims en christenen is, zo benadrukt hij, de godsleer. „De godsbeelden zijn verschillend, maar beiden belijden dat God bestaat. Dat is ons aanknopingspunt in de zending".

De Britse missioloog Martin Goldsmith, die eveneens het woord voerde op het Güntersteinberaad, sluit zich hierbij aan. „Er zijn raakvlakken. Die moet je uitbuiten", zo zei hij desgevraagd. Ook voor hem is bekering hèt doel van de dialoog. „Het is niet aan mij om te oordelen. Ware zoekers zullen vinders worden, zeg ik wel eens. Ook onder moslims. Maar zolang het Evangelie aan hen voorbijgaat, komen ze veel tekort. Niet in Mohammed, maar in Jezus woont immers de volheid der Godheid lichamelijk".

Jezus als norm

Goldsmith's mening is exemplarisch voor de evangelische vleugel in de Anglicaanse Kerk. Opvallend is dat men hier wel kerkelijk bezig is met evangelisatie onder moslims. Goldsmith staat niet alleen. In gesprek met hem passeren de namen van Kenneth Cragg en Colin Chapman, missiologen die ook in Nederland meer of mindere bekendheid genieten, regelmatig de revue. Hun werken laten een ander geluid horen dan in de officiële hervormd/gereformeerde publikatie "Bidden tot dezelfde God?", waarin een dertien leden tellende theologengroep oproept om te verstaan „hoezeer de islamitische en de christelijke geloofstraditie bij elkaar staan".

De meeste lezers van dit blad zullen zich niet herkennen in de mening van deze theologen dat „de dialoog met de islam, net zo zeer als het oecumenische gesprek, aanleiding kan geven tot herbezinning op de geijkte begrippen en for-j muleringen, waarin de christelijke partners de kern van hun geloof bewaren en verwoorden". Objectieve informatie over de islam als religeuze beweging, maar ook objectieve informatie over de individuele moslims, is weliswaar een 'must'. Voor de theologische beoordeling hebben christenen echter maar één norm en maatstaf. Het Evangelie van Jezus Christus. Van kaft tot kaft.

Hij is dè toetssteen van de christelijke zending.

Dit is het vijfde en laatste artikel in een serie over islam en christendom in Nederland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 maart 1992

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Evangelisatie onder moslims wordt in ons land 'witte raaf'

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 maart 1992

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken