Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Het KNMI werkt met verborgen hypothesen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Het KNMI werkt met verborgen hypothesen"

Asser geograaf dr. M. W. van der Sluis bestrijdt 'Biltse' verhalen over oorzaak aardbevingen

9 minuten leestijd

ASSEN - Het KNMI mag een internationaal gerespecteerd instituut zijn, de Asser geograaf dr. M. W. van der Sluis wantrouwt „in toenemende mate" de 'Biltse' wetenschappers. Niet vanwege hun weersverwachtingen, wel om hun verklaringen van aardbevingen in ons land. Volgens het KNMI zijn vrijwel alle bevingen het gevolg van natuurlijke oorzaken. Van der Sluis bestrijdt dat en legt een duidelijke link met de gaswinning. Wat hem irriteert is de „pertinente weigering" van 'De Bilt' om dit gegeven „objectief' te onderzoeken.

Van der Sluis, docent milieu-geografie aan het Prof. H. C. van Hall Instituut in Groningen, vraagt al jaren aandacht voor het mogelijke verband tussen aardbevingen en gaswinning. Talloze publikaties hierover staan op zijn naam. De officiële wetenschapswereld, waarin het KNMI een stevig partijtje meeblaast, neemt hem nauwelijks serieus. „Mijn verhalen worden afgedaan als flauwekul. Er wordt gewoon gezegd: Daar heeft een aardrijkskundeleraar geen verstand van". De Asser geograaf blijft bescheiden. „Wie ben ik? Een hobbyist, die zich toevallig verdiept in deze dingen. Maar wel iemand die probeert de waarheid boven tafel te krijgen". Dr. Van der Sluis is er vast van overtuigd dat het Biltse bolwerk z'n ogen sluit voor feiten en verklaringen die essentieel kunnen zijn, maar wellicht niet passen in zijn straatje. Dat is hem na de krachtigste beving tot nu toe in ons land, die van maandag 13 april bij Roermond, opnieuw duidelijk geworden.

„Het KNMI verklaarde de beving onmiddellijk uit natuurlijke oorzaken. Aardbevingen komen nu eenmaal voor, omdat de natuur zo in elkaar zit, zo werd verteld. Limburg loopt daarbij een verhoogd risico vanwege de natuurlijke gesteldheid van de ondergrond". De verklaring riep bij Van der Sluis grote vraagtekens op. Hij werd daarin gesterkt door het gestuntel rond het bepalen van het epicentrum van de beving. „Eerst lag dat volgens het KNMI tien kilometer ten noorden van Roermond. Duitse seismologen kwamen echter met heel andere gegevens. Vervolgens veranderde het epicentrum met de dag".

Niet-natuurlijk

Van der Sluis zette geheel onafhankelijk een eigen verklaring op voor de dramatische gebeurtenissen op de dertiende april. Hij houdt er, in tegenstelling tot het KNMI, rekening mee dat de beving het gevolg is geweest van een samenspel tussen twee breuken in de aardkost, de zogeheten Peelrandbreuk en de Feldbiss. Daarnaast boeit de vraag hem of er soms niet-natuurlijke oorzaken in het spel geweest zijn. De Asser geograaf wijst in dit verband op de gasvelden bij Waalwijk, die vier maanden geleden in gebruik zijn genomen, en op Purmerend, dat in het verlengde van de Peelrandbreuk ligt en waar ook door de NAM naar gas wordt geboord. Opmerkelijk genoeg vond daar in 1989 een aardschok plaats.

De aardbeving bij Hilvarenbeek op 18 juli 1990 had als epicentrum de plaats waar elf maanden eerder naar gas was geboord. Van der Sluis: „Het KNMI presenteert Hilvarenbeek echter tot op de dag van vandaag als een natuurlijke beving". De Asser geograaf benadrukt de relatie tussen de diverse bevingen. „De gasbevingen van Purmerend en Hilvarenbeek waren de laatste bevingen in de Peelrandbreuk en de Feldbiss vóór de beving van Roermond. Ik vraag me af in hoeverre zij, populair gezegd, ontstekingsmechanismen zijn geweest voor de beving van Roermond".

Angst

Deze en andere gegevens, onder meer van eerdere aardschokken in Drenthe, overtuigen Van der Sluis steeds meer van het verband tussen bevingen en gaswinning. „In Nederland hebben gasboringen een maximale diepte van vier kilometer. De vraag is wat de invloed daarvan is op spanningen die op een diepte van 20 tot 25 kilometer aanwezig zijn. Hoe ver mogen wij, mensen, gaan met het opwekken van trillingen in de grond? Daar hebben we nog geen antwoord op".

Van der Sluis vreest dat het verlossende antwoord voorlopig ook niet zal komen. „Het KNMI was tot voor enkele jaren zwanger van angst voor een confrontatie met zijn grootste klant: de NAM. Dat is mij in het verleden meer dan eens bevestigd door een oud-medewerker van het KNMI. Daarom deed het KNMI ook geen moeite om de beving in oktober 1976 bij het gas veld Weerselo-Rossum serieus te onderzoeken. Daarom zei het toenmalige hoofd van de afdeling seisrnologie, dr. A. R. Ritsema, bij de beving in Assen in 1986 direct dat deze niets te maken had met gaswinning. Zijn opvolger, dr. H. W. Haak, houdt de schok Van 1976 nog steeds op een testvlucht met een Concorde, overigens zonder dat hij de vluchtgegevens kan tonen".

Omgedraaid

Volgens de Asser geograaf houdt zowel de NAM als BP gegevens over de gaswinning bij Waalwijk en Purmerend geheim. Zo wordt er waarschijnlijk tijdens de boringen water geïnjecteerd dat met chemische stof is vervuild om het te scheiden van het gas. Op de hoeveelheden heeft Van der Sluis geen zicht. „Dat water is wèl een soort smeermiddel voor breuken en verhoogt de kans op verzwakkingen en bevingen".

Van der Sluis wijst verder op de bodemtrillingen die door inwoners van Waalwijk zijn waargenomen. „Het KNMI schrijft ze bij voorbaat toe aan het overvliegen van straaljagers. De verklaring luidt dan: Mensen kunnen luchttrillingen niet onderscheiden van aardbevingen. Ik ben daar zeer verbaasd over en wil de signalen van die mensen graag serieus nemen".

Helemaal onbegrijpelijk vindt Van der Sluis de ommezwaai die het KNMI maakte na de beving in Emmen op 15 februari 1991. „Voor die tijd werden alle schokken uigelegd als natuurlijke bevingen. Na 'Emmen' gaf het KNMI opeens toe dat er mogelijk een verband ligt met de gaswinning. Toen journalisten daarover vragen stelden, kregen zij te horen: Dat hebben we altijd voor mogelijk gehouden. Daaruit blijkt dat het KNMI met verborgen hypothesen werkt". Volgens Van der Sluis is de radicale ommezwaai mede het gevolg van de publieke opinie. „Je kunt het verband tussen het een en het ander niet blijven ontkennen, zeker niet als er steeds meer signalen komen die het verband bevestigen".

Komisch

Naar aanleiding van bevingen in 1989 (Purmerend), 1990 (Hilvarenbeek) en 1991 (Emmen, Geelbroek, Eleveld en Middelstum) besloot de Tweede Kamer, op verzoek van de PvdA'er K. Zijlstra, een grootscheeps onderzoek in te stellen, onder verantwoordelijkheid van het ministerie van economische zaken, naar de oorzaken van aardbevingen. Van der Sluis had er aanvankelijk veel vertrouwen in, maar dat wordt steeds minder. „Hetzelfde ministerie streeft naar maximale gaswinning. Dat is natuurlijk een merkwaardige combinatie. Verder is dr. Ritsema, oud-medewerker van het KNMI, voorzitter van de begeleidingscommissie. Ook dat geeft mij weinig vertrouwen".

Van der Sluis oriënteert zich liever op de Duitse en Amerikaanse seismologen, die naar hij zegt veel meer aandacht hebben voor milieueffecten van gasbevingen. Ondanks alle kritiek wil Van der Sluis zich „absoluut niet presenteren als een vijand van "De Bilt"'. De Asser geograaf laat als bewijs de vorig jaar verschenen KNMI-catalogus "Aardbevingen in Nederland zien", waarover hij -komisch genoeg- een kritisch verhaal voor de Drents Groningse Pers schreef. „Bij twee kaarten zijn de basisgegevens van mij. Alle informatie die ik verzamel is voor derden toegankelijk, ook voor het KNMI". Een tegenstander van gaswinning is de Asser geograaf evenmin. „Gaswinning is een maatschappelijk belang en gunstig voor de staatskas, maar er moet meer aandacht komen voor de gevolgen ervan".

Geen blamage

Dr. H. W. Haak, hoofd van de afdeling seismologie van het KNMI, plaatst vele kanttekeningen bij het verhaal van Van der Sluis. Van een ommezwaai in het KNMI-standpunt na de beving bij Emmen in 1991 is volgens hem absoluut geen sprake. „We hebben vóór die tijd alleen gezegd dat er geen relatie bestond tussen de eerste beving in Assen en het gasveld bij Slochteren. Onze huidige opinie, namelijk dat een verband tussen gaswinning en bevingen niet wordt uitgesloten, is gevormd in de periode na 'Assen'".

Dat het KNMI bang zou zijn voor de NAM als „grootste klant" ontkent Haak. „De NAM is formeel klant van ons, maar wel een uiterst kleine. De enige zakelijke relatie die wij met hen hebben, is dat de NAM gedurende een aantal dagen per jaar gebruik mag maken van ons aardmagnetisch observatorium in Witteveen om kompassen te ijken". Dat het KNMI het epicentrum van de beving bij Roermond aanvankelijk verkeerd berekende, is volgens Haak geen blamage.

„Bij een dergelijk grote beving wil je de mensen snel van informatie voorzien. Dan kun je zulke fouten verwachten. De Duitsers en de Britten hebben ook berekeningen gemaakt die van elkaar verschillen met een afwijking van drie kilometer. Het is in dit soort gevallen heel essentieel hoe goed je de plaatselijke bodemgesteldheid kent. Bovendien kwamen er de eerste uren na de beving steeds nieuwe seismogrammen binnen die de bepaling van het epicentrum nauwkeuriger maakten. Die verschillen komen misschien wat slordig over bij het publiek, maar dat is, zou ik haast zeggen, niet te voorkomen bij een vak als seismologie".

De lezing van Van der Sluis over de aardbeving bij Roermond deelt Haak niet. „Ik houd het vooralsnog op een natuurlijke beving, die heel logisch te verklaren is. De beving past perfect in het tectonisch beeld dat we van Nederland hebben. Een relatie met de gasvelden bij Waalwijk en Purmerend, zoals Van der Sluis veronderstelt, lijkt me erg onwaarschijnlijk. De afstand tussen de gasvelden en het epicentrum van de beving is daarvoor te groot. Bovendien zat de beving veel dieper dan de gaswinning plaatsvond. Dat mag in het geval van een verband tussen beide geen tientallen kilometers schelen".

Niet onder de indruk

Het verwijt dat het KNMI met „verborgen hypothesen" werkt, veegt Haak met kracht van tafel. „Dat kunnen we niet maken, want dat krijgen we vroeg of laat toch op ons brood. De hypothesen berusten bij de onderzoekers en dat zijn voor het grootste deel geen medewerkers van het KNMI".

Neemt het KNMI Van der Sluis nog wel serieus?

"Een moeilijke vraag. Van der Sluis heeft de verdienste dat hij de relatie tussen bevingen en gaswinning maatschappelijk heeft aangezwengeld. Dat mag je op zijn conto schrijven. In wetenschappelijk opzicht echter ben ik niet onder de indruk van hem. Bovendien vind ik het jammer dat hij zich de laatste tijd zo agressief opstelt ten opzichte van het KNMI. Wat mij betreft ligt de zaak zo scherp niet", aldus Haak.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1992

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

„Het KNMI werkt met verborgen hypothesen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1992

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken