Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zeist vindt resten van ridderhofstad

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zeist vindt resten van ridderhofstad

Kloostermoppen zijn restanten van eeuwenoude adellijke burcht

6 minuten leestijd

ZEIST - De kloostermoppen die vorige week tijdens rioolwerkzaamheden aan de Kersbergenlaan werden aangetroffen, zijn afkomstig van de voormalige ridderhofstad Kersbergen. Dit bleek na een onderzoek van de onderzoeksgroep zandgronden van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland.

Projectleider H. Fokkens heeft ook in de tuin van de woning tegenover de Kersbergenvijver, waar de rioolwerkzaamheden plaatsvonden, in de grond geprikt en daarbij stootte hij enkele keren op een steenachtige bodem. Dat duidt er volgens Fokkens op dat dit nog muurresten zijn van het voormalige kasteel.

Een nader onderzoek wordt volgens Fokkens door zijn werkgroep niet ingesteld. „Wij hebben op dit moment zo veel werk, dat wij er niet aan toe komen en de locatie leent zich daar ook niet voor, omdat er te veel bebouwing is. De resten kunnen daar ook rustig blijven liggen, want er verandert ter plaatse toch niets.

Geschiedenis

Kersbergen of Carsbergen, zoals het vroeger ook werd genoemd, heeft eeuwenlang een belangrijke plaats in Zeist ingenomen. Het lag tegenover de oude hervormde kerk aan de Utrechtseweg. Vanouds moet Kersbergen het jachthuis van de Utrechtse bisschoppen geweest zijn. De naam komt men voor het eerst tegen in een akte van 18 mei 1417, waarin „Voern van Kersberch" een stuk grond en een hoeve „in den lande van Haghensteijn" erkent. Daarvoor had Otto van den Berghe het van de heer Van Abcoude in bruikleen.

Dat Kersbergen in 1418 geen leengoed meer was, blijkt in elk geval uit het feit dat toen het vrije eigendom werd overgedragen voor het gewone gerecht en niet voor het leengerecht. Volgens de akte van 27 juli 1418 „werd des woensdaghes na Sinte Jacobs dach in den somer Loef van den Gheyne en zijn vrouw Jvr. Cunegont in eigendom overgedragen aan heer Johan van Rynesse van Rijnouwen het huis en de hofstede met singel genaamd Kersberch met vijf morgen (oude landmaat, DvB), vier hont (een hont had een oppervlakte van 100 vierkante roeden) en twaalf roeden wetering, gelegen aan de Kerkweg van Cattenbroek tot Zeist gaande.

Door huwelijk kwam het landgoed in 1498 terecht bij Dirk van Zuilen van Harmeien, die met Maria van Renesse van Zeist huwde. Hoewel het in 1538 in het bezit van Hermen van Heernskerk geweest was als vrij allodiaal (niet leenroerig) goed, was het, toen de bezitting door de Staten riddermatig werd verklaard, weer aan de van Zuilens gekomen.

Adellijk bezit

Anno 1592 vermaakte Gijsberta van Zuilen van Harmelen „Carsbergen" aan haar neef Frederik van Baexen, heer van Koningsvrij, die in 1610 in de Utrechtse ridderschap werd beschreven, maar in 1618 door prins Maurits en de Staten met nog „enige Heeren uit het eerste (geestelijkheid) en tweede lid (adel) der Staten" werd ontslagen.

Ewoud van Baezen, die in 1629 onder de edelen van 't Sticht was opgenomen, liet bij zijn dood in 1644 de bezitting na aan zijn zuster, die met Koenraad Borre van Amerongen, heer van Zandbergen, gehuwd was.

Wilhelmina Borre van Amerongen, dochter van diens kleinzoon Willem, Foto Van de Pbll-stichting werd op 5 augustas 1718 bezitster van Kersbergen. Vervolgens was jonker Arend baron Stoet van Warmenlo, Overijsels ridder, eigenaar, door zijn huwelijk met jonkvrouw Florentine W. Borre van Amerongen. In dit geslacht bleef het landgoed honderd jaar, tot het in 1854 gekocht werd door mr. Josua van Eik, die de herinneringen aan het vroegere uiterlijk die "Kersbergen" nog had in de ronde toren en gebouwvorm, geheel wegnam en er de vorm van een gewoon, vierkant, modem landhuis aan gaf.

Muzikaal

In 1885 stierven de heer en mevrouw Van Eik en kwam Kersbergen door testamentaire beschikking in handen van de familie Crommelin. Tot 1920 werd het landhuis door deze familie bewoond. In de zomer van 1900 kreeg Kersbergen landelijke bekendheid. Op 15 en 16 augustus werd Zeist overspoeld door muziekliefhebbers uit het gehele land. In totaal gaven 65 harmonieën en fanfares uitvoeringen op het terrein van Kersbergen. Daarbij waren 1800 muzikanten betrokken. Om de grote toeloop te kunnen verwerken werd de Stichtse tram de eerste dag met 170 wagens uitgebreid en de tweede dag met 132.

Ruim 10.000 mensen bezochten toen Zeist, terwijl er in de gemeente maar 8000 mensen woonden. De middenstand speelde er dan ook gretig op in met allerlei lekkernijen. De organisatie van het muziekspektakel was in handen van het Zeister Harmonie Muziekgezelschap.

De prijsuitreiking werd verricht door koningin Wilhelmina. Twee jaar later werd het landhuis opnieuw door een lid van het koningshuis bezocht. Koningin-moeder Emma opende een tentoonstelling van vruchten, bloemen en planten. De toegangskaarten stegen die dag aanzienlijk in prijs.

Vergane glorie

Daarna was het gedaan met de glorietijd van Kersbergen. In 1927 kwam het landhuis in handen van de NV Park Kersbergen, die het voor 340.000 gulden kocht van de familie Crommelin. Hiermee kwam ook een einde aan de voorwaarde waaronder Josua van Eik het buiten had gekocht, namelijk het niet te zullen verkopen aan rooms-katholieken of aan een aannemer, die het zou gaan verkavelen, en zeker niet aan een sloper.

Het huis en de tuinen werden met de grond gelijk gemaakt om er een villapark van te maken. Behalve een aantal bomen was het renaissancepoortje uit 1663 het enige dat overbleef van de fraaie buitenplaats. Dit poortje werd later verplaatst naar de Utrechtseweg, waar het nu nog staat tussen de buitenplaatsen Ma Retraite en Veldheim.

In de eerste vijf jaar van het bestaan van de NV werd vrijwel de helft van het terrein bebouwd: de Kersbergenlaan, het Kersbergenplein en een gedeelte van de Van Renesselaan. Nadat het park was volgebouwd en de benodigde wegen waren aangelegd, werd het even grote park Griffensteijn gebouwd. Ondanks de economische crisis, die ook in de bouw van landhuizen merkbaar was, durfde de NV Park Kersbergen dit in 1933 toch aan.

Failliet

Beide parken werden gescheiden door de Zeister Grift. De villaparken werden met elkaar verbonden door de Van Renesselaan, die, nadat het water was overbrugd, opgenomen werd in de randwegen van het Griffensteijnseplein. In de daarop volgende jaren werd Griffensteijn volgebouwd. Door de economische crisis ging dit langzaam. Het project veroorzaakte zelfs het faillissement van de exploitanten. Pas in 1940 was het terrein redelijk bezet met middenstandswoningen. Deze bouw werd later ook voortgezet in dit gebied, zodat er een dichtere bebouwing plaatsvond dan in het park Kersbergen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 10 juni 1992

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Zeist vindt resten van ridderhofstad

Bekijk de hele uitgave van woensdag 10 juni 1992

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken