Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een betrouwbare gids naar de hemel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een betrouwbare gids naar de hemel

Ds. Joseph Alleine, een ijverige knecht, een noeste werker, een dwingend prediker

12 minuten leestijd

Joseph Alleine werd in 1634 te Devizes in Engeland geboren. Op 8 april werd hij gedoopt. Hij was het vierde kind in een groot gezin en kwam al jong tot bekering. Zijn oudste broer Edward, een predikant, stierf op 27-jarige leeftijd. De Heere gebruikte de dood van zijn broer tot het eeuwig heil van de toen 11-jarige knaap. Hij vroeg zijn vader zó te mogen worden opgeleid dat hij zijn broer zou kunnen opvolgen. Zijn vader, Tobie Alleine, stemde toe en zond hem zonder uitstel naar een voorbereidende school voor de universiteit.

Die voorbereidende school was Poulshot, een instituut dat toen onder leiding stond van William Spinage. Spinage was tegelijkertijd lid van de wetenschappelijke staf van het Exeter College te Oxford.

Geldelijke bezwaren voor deze studie waren er niet: Alleine sr. was een welgesteld lakenfabrikant. Vier jaar later, in april 1649, werd hij als student in de theologie ingeschreven aan het Lincoln College van de universiteit van Oxford. De zeer geleerde en bekende dr. John Owen was daar toen vice-kanselier. Owen gaf daar ook academische lessen, evenals Thomas Goodwin. Later ging Alleine naar het Corpus Christi College, toen daar een plaats vrijkwam.

Begerig

Iemand die hem tijdens zijn studentenjaren gekend heeft, heeft getuigd dat hij „verschrikkelijk hard kon werken". Hij liet zich door niets en niemand van de studie afhouden. Hij wilde liever „dat enkelen zich zouden ergeren aan zijn ruwheid dan dat velen hinder zouden hebben van zijn tijdverlies".

Hij bezocht als studentenprediker de dorpen rondom Oxford om daar te preken en te vermanen. Ook preekte hij iedere twee weken in de gevangenis. Toen hij nog maar 20 jaar oud was, was hij „zeer begerig naar de bekering van zielen, en met dat doel voor ogen stortte hij zijn hart uit in gebed en prediking". Op 6 juli 1653 behaalde hij de laagste graad in de theologie, Bachelor of Divinity. Hij werd toen repetitor aan het Corpus Christi College, wat inhield dat hij lesgaf aan de studenten en hun studie begeleidde. Hij had lid van de staf van het college kunnen worden, maar hij gaf er de voorkeur aan studentenprediker te zijn. In 1660 schreef Henry Jessey over dat college: „Ik denk dat er nauwelijks nog zo'n plaats in de wereld was als juist dit college, waar zovelen de kracht der godzaligheid verstonden en de zuiverheid van de dienst des Heeren. Het was zonder meer een Eden, maar nu is het een onvruchtbare wildernis". In 1654 werden hem mooie aanbiedingen gedaan. Hij sloeg ze echter beslist af

Vertrek naar Taunton

De predikant van Taunton, ds. George Newton, vroeg hem daarop zijn helper te worden. Newton heeft geleefd van 1602 tot 1682, en stond bekend als een uitnemend prediker. Van heler harte aanvaardde Alleine deze uitnodiging. Hij liet alle andere functies en aanbiedingen varen en vertrok onmiddellijk naar Taunton, met zijn „kerk als kathedraal", de St. Mary Magdalene. Taunton was voor die tijd een grote plaats, met wellicht wel 20.000 inwoners. Het was een echt puriteins bolwerk in het westen van Engeland. Na de gebruikelijke examens met goed gevolg te hebben afgelegd, werd Alleine geordend tot helper van George Newton, die in hoog aanzien stond bij de gemeente. In diezelfde tijd, op 4 oktober 1655, trouwde hij met Theodosia Alleine, een dochter van zijn oom Richard Alleine.

Theodosia was een vrouw met een rijk geestelijk leven, die het leven van haar man na diens dood heeft beschreven op een wijze die aantoont dat beiden uit één beginsel leefden. Het enige 'gebrek' dat ze bij haar echtgenoot aantrof, was dat hij niet meer tijd met haar doorbracht. Zijn antwoord daarop was: „Ik weet dat jouw ziel veilig is, maar hoevelen komen er om aan wie ik zorg besteden moet? O, dat ik meer voor hen kon doen!" Een geliefkoosde uitdrukking van Alleine was: „Geef mij maar een christen die zijn tijd meer waard vindt dan goud!" Bij het begin van een nieuwe week was hij gewoon te zeggen: „Er ligt weer een week vóór ons, laten we dan deze week voor God besteden!"

Als hij gezond was, stond hij 's morgens steeds om vier uur op of eerder, en „op de sabbat nóg vroeger". Als hij smeden en schoenmakers hun werk hoorde doen terwijl hij nog niet aan het werk was, hinderde hem dat. „O, hoe beschamen die geluiden me! Verdient mijn meester niet méér dan de hunne?"

Samenwerking

Dit toegewijde paar werkte samen om zielen te winnen. Theodosia hield in haar woning school voor jonge kinderen. Haar man besteedde elke week vijf middagen aan het bezoeken van gemeenteleden, als nazorg van de preken die elke zondag weerklonken in de statige kerk van St. Mary Magdalene. Ds. Alleine hield een lijst bij van de bewoners van elke straat, en hij zag er op toe dat allen regelmatig werden bezocht, onderwezen en, waar nodig, vermaand. Dit was onder Gods zegen dienstbaar tot de bekering van velen. Theodosia schreef daar later over: „Het behaagde de Heere onze pogingen overvloedig te zegenen".

Alleine schijnt een innemend karakter te hebben gehad. Te Taunton had hij vrienden zowel onder de aanzienlijken als onder de eenvoudigen. Zijn trouwe herderlijke arbeid viel samen met een leven van doorlopende en diepgaande studie.

Hij was „een man van de boeken", die dikwijls de nachtelijke uren benutte voor de studie. Hij schreef in die jaren het boek "Wijsgerige Theologie", dat inging op het verband tussen schepping en openbaring, met name op de aangeboren èn de geopenbaarde kennis van God. Dit boek, dat door een tijdgenoot zeer geprezen is, is zoekgeraakt. Wellicht is het maar in een kleine oplaag gedrukt, en hebben sommige eigenaars er zich van ontdaan in de moeilijke jaren onder aartsbisschop Laud.

Ook op andere terreinen dan de theologie was hij een man van de wetenschap. Hij stond bekend als een nauwkeurig waarnemer en onderzoeker. Hij stond in verbinding met de oprichters van de "Royal Society". Dit was een genootschap van geleerden die de beoefening van de wetenschap wilden bevorderen, te vergelijken met onze Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.

Afzetting

In het jaar 1662 werd zowel ds. George Newton als Joseph Alleine uit het ambt ontzet, omdat ze om des gewetens wil niet konden voldoen aan de eisen van koning Karel I en aartsbisschop William Laud. Zij waren slechts twee predikanten van de circa 2000 die hun ambt verloren! Alleine was er echter de man niet naar om zijn dagen in ledigheid door te brengen. Hij doorreisde de streek waar hij woonde en preekte op allerlei plaatsen als rondreizend evangelist. Hij werd daarbij vergezeld door een zekere Wesley, een voorvader van de bekende Wesleys die de methodistische beweging hebben gesticht. In die dagen liet hij noodgedwongen de studie wat varen, en legde hij zich vooral toe op de prediking. Soms preekte hij „veertien keer in acht dagen, soms tien keer, en zes of zeven keer was gewoon".

Hij verwachtte toen niet lang meer te zullen leven. Die verwachting is uitgekomen. Zijn preekarbeid is Alleine duur te staan gekomen. Hij werd te Ilchester in de gevangenis geworpen en op onbeschofte wijze verhoord, beboet en beledigd. Uit de gevangenis schreef hij brieven, die zijn gebundeld en uitgegeven. Ze vormen een ontroerend en zeer persoonlijk getuigenis van het leven en het geloof van deze vervolgde om Jezus' wil.

34 jaar oud

Op 26 mei 1664 werd hij weer vrijgelaten. Hoewel het hem niet was toegestaan dichter dan vijf mijl (acht kilometer) bij Taunton te komen, preekte hij overal waar hij hoorders vond, ongeacht de plaats en ongeacht de afstand tot Taunton. Keer op keer werd hij opnieuw gevangen genomen, zodat zijn laatste jaren moeilijk en bewogen waren.

Hij stierf op 17 november 1668, 34 jaar oud. Overeenkomstig zijn wens werd hij begraven in „het koor van zijn kerk in Taunton". Hij had tijdens zijn leven gezegd: „Ook al zou ik 50 mijlen van Taunton verwijderd zijn wanneer ik sterf, laat me daar -in Taunton- begraven worden". Onder de vromen in Engeland stond zijn naam in hoog aanzien. Het bekendst is hij door zijn boekje getiteld "Een waarschuwing aan de onbekeerden", waarop we nog terugkomen. Verder schreef hij nog, behalve het reeds genoemde werk over de natuurlijke en de geopenbaarde kennis van God, een verklaring van de Korte Catechismus van Westminster, "Een oproep aan Archippus", en een boek waarin allerlei gewetensvragen worden behandeld en opgelost. Zijn leven is beschreven door zijn weduwe Theodosia, door Richard Baxter en anderen. Zijn memoires ("Remains"), die in 1674 werden gedrukt, zijn zeer belangwekkend.

Waarschuwing onbekeerden

Het boekje "Een waarschuwing aan de onbekeerden" verscheen voor het eerst in 1672, dus pas na zijn dood, in een oplage van 20.000 exemplaren. Toen in 1675 een herdruk verscheen, was die 50.000 stuks groot. De naam was veranderd in "Betrouwbare gids naar de hemel" (Sure Guide to Heaven). Nadien is het werk regelmatig herdrukt in Engeland en Amerika. Bij het schrijven van dit artikel is gebruik gemaakt van een heruitgave uit 1978 door The Banner of Truth Trust. Dit voornaamste werk van Joseph Alleine verdient het zeker dat we er wat nader bij stilstaan. Het boekje bestaat uit een inleiding, gevolgd door zeven hoofdstukken, en het wordt besloten door een samenvatting. De zeven hoofdstukken gaan over: de misvattingen over de bekering, de aard van de bekering, de noodzakelijkheid van de bekering, de kenmerken van de onbekeerden, het gevaar waarin de onbekeerden leven, een aanspraak aan de onbekeerden, en drangredenen voor de bekering.

Uit de inhoud van dit boekje kunnen we maar een greep doen. We doen dit echter in de hoop dat deze greep de lezer enig inzicht zal geven in de aard van het boekje. Het is niet in de eerste plaats een leerstellig en beschrijvend boekje -dat óók wel!- maar vooral een hartekreet, waarin de schrijver zich met ernst en liefde richt tot zijn lezers, bewogen met hun eeuwig heil. Nog onlangs zei een oud en geoefend christen me: Waar geen gunning is, daar is ook geen genade werkzaam.

Bekering

In de inleiding zet Alleine zijn bedoeling met dit boekje uiteen. In de eerste plaats wil hij aantonen wat bekering werkelijk is, omdat daar zo veel misverstanden over bestaan.

Want hij zag heel goed in dat de oproep tot bekering een slag in de lucht is als de lezer niet weet wat bekering is. Er zijn ook mensen die heimelijk een hoop op genade koesteren, maar die onbekeerd en onvernieuwd van hart en leven voortleven. Voor hen schrijft hij over de noodzaak van de bekering. Anderen menen ten onrechte dat ze al bekeerd zijn: voor hen is het hoofdstuk over de kenmerken van de onbekeerden bedoeld. Anderen zien geen gevaar, vrezen niets, en zijn als iemand „die in het opperste van de mast slaapt". Voor hen is wat er staat over het gevaar waarin een onbekeerde leeft. Anderen zien geen weg ter ontkoming: voor hen schrijft Alleine over de middelen die de Heere gebruikt om mensen tot bekering te brengen. En ten slotte behandelt de schrijver de drangredenen voor de bekering. Als het gaat om de misvattingen die er over de bekering bestaan, is Alleine heel duidelijk. En dat niet om te blijven hangen 'in wat het niet is', maar om eerlijk met de zielen om te gaan en een duidelijk 'ziektebeeld' te verkrijgen vóór de medicijnen worden toegediend. Zó doet een kundige arts het toch óók!

Naamchristen

Alleine rekent af met een 'naamchristendom', met het houden van een fatsoenlijke levenswandel voor de bekering, met het uiterlijk waarnemen van zaken als kerkgang, gebed, milddadigheid, het hebben van heel wat kennis, en met een gedeeltelijke reformatie van de levenswandel. Dit alles kan er zijn zonder dat er sprake is van bekering. Niet voor niets spreekt onze Heidelberger Catechismus over „de waarachtige bekering".

Maar als de naam- en schijnchristen zoveel te vrezen heeft, wat moet er dan worden van een openbare goddeloze? We citeren hier Alleine: „Wat moet er van u worden, o ellendige zondaren, die bijna nooit aan God denkt? Die zo onkundig bent dat u niet kunt bidden, en zo zorgeloos dat u niet wilt bidden. O, heb toch berouw en zoek de bekering. Zoek bij Christus vergeving en vernieuwende genade. U moet leren uzelf geheel aan de Heere over te geven en in heiligheid voor Hem te wandelen, of u zult God nimmer zien. O, dat u de vermaningen des Heeren ter harte zoudt nemen! In Zijn naam vermaan ik u: Bekeer u! Verlaat de slechtigheden en leef Was uw handen, gij zondaren, reinigt uw harten, gij dubbelhartigen. Houdt op kwaad te doen en leert goed te doen. Maar als u zo doorgaat, moet u sterven".

Appellerend

Mogelijk zijn er die dit alles te appellerend vinden, die denken dat Alleine nog vermogens in de geestelijk doodgevallen mens legt. Dat bedoelt hij echter in het geheel niet: hij spreekt slechts de Schrift na: Wendt u naar Mij toe, alle gij einden der aarde, en wordt behouden! Bovendien, in het hoofdstuk over de aard van de bekering komt duidelijk aan het licht dat Alleine de bekering van een zondaar niet toeschrijft aan zoiets schimmigs als de "vrije wil" van de mens. Alleine toont duidelijk aan, dat de Heilige Geest de Werkmeester is van het geloof, dat de oorzaak van de bekering is vrije genade alleen, toegepast in en om en door Christus.

Een bekend voorval toont aan hoe de Heere dit boekje heeft willen gebruiken. Tegen het einde van de achttiende eeuw werd aan een predikant in de Schotse Hooglanden verzocht "Een waarschuwing aan de onbekeerden" in het Gaelic te vertalen. (Het Gaelic is de keltische taal die in de Hooglanden nog door heel wat mensen verstaan wordt). Hij stemde er in toe, het boekje te vertalen en kreeg het op die manier in handen. Het was een predikant die meer bekend stond om zijn geleerdheid dan om zijn ijver voor de zaak des Heeren.

Al vertalend kwam hij tot de overtuiging dat het werkje „goed materiaal voor de preekstoel" bevatte. Hij begon daarom de inhoud ervan te bewerken in zijn preken. En wat was het gevolg? Het behaagde de Heere in die streek. Nether Lorn, een geestelijke verlevendiging te schenken, waarvan de kracht nog lang merkbaar is geweest! Zó werd het gebed verhoord waarmee Joseph Alleine zijn boekje besloot: „En al zou ik het niet te weten komen terwijl ik leef toch smeek ik U, o Heere God, laat het in de jongste dag openbaar worden dat enkele zielen door deze arbeid bekeerd zijn. En mochten er zijn die het mogen betuigen, dat ze hierdoor voor U ingewonnnen zijn. Amen!"

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1992

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Een betrouwbare gids naar de hemel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1992

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's