Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voetius en Coccejus hebben hun evenknieën

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voetius en Coccejus hebben hun evenknieën

Scheidende hoogleraar prijst 'Apeldoornse' dogmatiek

8 minuten leestijd

UTRECHT - Johannes Coccejus (1603-1669) en Gisbertus Voetius (1589-1675) hebben hun equivalenten tot in de twintigïste eeuw. Prof. dr. C. Graafland, hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, maakte dat gisteren duidelijk in een lezing op de studiedag "Voetianen en Coccejanen". De dag, die werd georganiseerd door universitaire onderzoeksgroepen in Leiden en Utrecht, was een vervolg op het wetenschappelijk Voetius-symposium in 1989.

Graafland, aan wiens afscheid deze studiedag mede was gewijd, vindt dat de verbondstheoloog Coccejus een evenknie heeft in de Leidse emeritushoogleraar dr. H. Berkhof, „die met zijn Christelijke Geloofsleer pas echt het ideaal bereikte, wat Coccejus wilde". Voor Voetius vulde hij de namen in van de Apeldoornse hoogleraren dr. W. H. Velema en dr. J. van Genderen. „Hun Beknopte Gereformeerde Dogmatiek had eigenlijk aan de Utrechtse faculteit moeten worden ontwikkeld, maar ik geloof dat de ambivalentie daar al zo heeft toegeslagen, dat het schrijven van zo'n gaaf document niet meer mogelijk was".

In zijn lezing legde Graafland de wortels bloot van de theologie van de voetiaan Johannes à Marck en de coccejaan Johannus Braunius. De invloed van hun leermeesters was onmiskenbaar, maar splitste zich in later eeuwen nog verder uit. De voetiaanse nadruk op de eeuwige predestinatie werd een „structuurbepalend centrum" in de achttiende-eeuwse orthodoxie. De coccejaanse traditie daarentegen kon niet terugvallen op een „gaaf verbondsmatig stelsel", maar moest een beroep doen op cartesiaanse filosofie.

Braunius („open en experimenteel theoloog, de populaire professor") en A Marck („strak en stijf dogmaticus, de polemische professor") ontmoetten elkaar als hoogleraren aan de theologische faculteit te Groningen. Beiden schreven een dogmatiek. A Marck luistert daarin naar Coccejus en integreert diens denken in zijn eigen theologie. Zijn theologie is statisch, maar biedt volgens Graafiand meer dan het concept van Braunius. Deze heeft minder mogelijkheden om de christologie zelfstandig te behandelen.

Wezenlijk voor Braunius' thelogie noemde Graafiand dat hij het geweten („het allerklaarste licht, door welke wij geheel worden overtuigd") ziet als „landingsplaats van Gods openbaring in de ziel". Het criterium van de kennis van God ligt daarmee bij de mens. Zijn dogmatiek is een pleidooi voor pluraliteit („ik maak zelf uit wat goed en kwaad") en tolerantie („wij zijn toch allen broeders").

Parallellen

A Marck daarentegen wijdt in zijn dogmatiek een afzonderlijk hoofdstuk aan de godsdienst. Het gaat hem niet zozeer om de kennis van God alswel om het leven met God. Graafland signaleerde hierin parallellen met de puritein Guilielmus Amesius (1576-1633). Of, om met de gematigde voetiaan Friedrich Adolf Lampe (1683-1729) te spreken: Coccejanen weten alles over Gods handelen in de geschiedenis, maar weinig of niets over dat wat God doet in het leven van Zijn kinderen".

,,Die kritiek is niet helemaal onterecht", vond Graafland. Wel maakte hij duidelijk dat Braunius en A Marck wellicht dichter bij elkaar stonden dan hun nazaten nu. Braunius hield nog vast aan de dubbele predestinatie, en kwam mede daardoor tot zijn inconsequente verbondstheologie. Bij Barth, Berkhof („wel genoemd de coccejus redivivus van Leiden") en Kuitert is God partner geworden van de mens. Zowel de godsleer als de leer van de predestinatie onderging bij hen een fundamentele omwenteling.

Andere inleiders op de studiedag waren prof. dr. J. van den Berg, dr. F. G. M. Broeyer, dr. M. van der Bijl, dr. J. van der Sluis, dr. W. J. op 't Hof, mevrouw prof. dr. E. G. E. van der Wall en dr. W. J. van Asselt. Prof. Van den Berg zette de studiedag in met een analyse van het driestromenland (,Maresianen, Voetianen en Coccejanen") van de Gereformeerde Kerk in het Nederland tussen 1650 en 1750, terwijl Van der Bijl aandacht vroeg voor de politieke en sociale implicaties van het geschil.

Van Asselt, Broeyer, Van der Sluis en mevrouw Van der Wall belichtten ieder één bepaalde persoon. Voor het voetlicht kwamen Johannes Burman (polemist tegen Jacobus Koelman), Johannes van der Waeyen (tegenstander van Abraham van der Velde), Petrus Allinga (bestrijder van Hermannus Witsius) en Pierre du Joncourt (Waalse tegenpool van Coccejus). Voor Joncourt was het antwoord duidelijk: Voetius heeft een vlucht als die van een arend, Coccejus de gang van een mol onder de aarde.

Maar er was volgens mevrouw Van der Wall meer aan de hand dan Van Asselt in zijn verhaal over „methodologische onzekerheid bij coccejanen" ontdekte. Coccejus introduceerde het begrip twijfel, maar dit is bij hem niet twijfel aan Gods bestaan, maar opschorten van het oordeel, zo zei zij. Op de vraag van ds. L. W. van der Meij of de rede mensen inderdaad te hulp kan komen bij het wegnemen van geloofstwijfel, antwoordde zij met een vage verwijzing naar Coccejus' kritiek op de suprematie van de cartesiaanse filosofie. Ook ging zij slechts zijdelings in op de vraag van prof. Graafland of ook het „klare en distincte geweten" niet is aangetast door de zonde.

Dr. W. J. op 't Hof informeerde de 250 aanwezigen over de verschillen in een zevental catechismusverklaringen van coccejanen en voetianen, zoals Everardus van der Hoogt, Petrus van der Hagen en Henricus Groenewegen. Hij signaleerde verschillen tussen statische orthodoxie en dynamische verbondsopvatting, attendeerde op een filosofisch onderscheid doordat Coccejus de wil het primaat geeft boven het verstand, en maakte de aanwezigen opmerkzaam op verschillen in de opvattingen over de heiliging van de Dag des Heeren.

Prof. dr. O. J. de Jong deed aan het slot van de bijeenkomst uit de doeken dat prof. Graafiand geen prijs stelde op toespraken. De scheidende hoogleraar had zich in zijn lezing echter gekenmerkt „zoals wij u kennen onder uw studenten", aldus De Jong. Zelf zei de scheidende hoogleraar dat zijn werk altijd „zeer fragmentarisch en gebrekkig" is geweest. „Ik wacht op Gods ontferming".

De studiedag werd namens het moderamen van de hervormde synode bezocht door dr. J. Hoek en mevrouw Willemze. Ook waren er vertegenwoordigers van het bestuur van de Gereformeerde Bond, het faculteitsbestuur, de vakgroep kerkgeschiedenis, de Stichting Studie der Nadere Reformatie, alsmede tal van predikanten en studenten die ooit bij Graafland college volgden. Ook oud-collegae als prof. dr. S. van der Linde, prof. dr. C. van Leeuwen en prof. dr. G. Quispel lieten geen verstek gaan.

De naam van Graaflands opvolger werd, in tegenstelling tot de verwachtingen, niet bekendgemaakt. Volgens het universiteitsbestuur is de zaak nog in discussie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juni 1993

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Voetius en Coccejus hebben hun evenknieën

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juni 1993

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken