Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Mevrouw Grabijn geschokt door het vijandbeeld dat men van haar heeft

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Mevrouw Grabijn geschokt door het vijandbeeld dat men van haar heeft

9 minuten leestijd

„Weet u wat ik zo erg heb gevonden? Het vijandbeeld dat van mij is gemaakt. Men had mij minstens het voordeel van de twijfel kunnen geven. Ik kom uit een uiterst deugdelijk SGP-nest. Het is schandelijk wat men in sommige kerkelijke bladen over mij heeft geschreven".

De kreet komt haar recht uit het hart. Als er iets is wat mevrouw H. Grabijnvan Putten niet kan hebben, is het wel onrecht. Daar vecht zij tegen met al de felheid van haar karakter. En juist omdat zij vindt dat haar onrecht wordt aangedaan, houdt zij hardnekkig vol in haar streven om als vrouw volwaardig in de SGP-gelederen te mogen (blijven) meedoen.

Uitvoerig legt zij uit hoe het zo ver heeft kunnen komen dat zij volwaardig lid is geworden van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Het zit haar namelijk bijzonder dwars dat in de media het beeld wordt geschetst dat zij op een slinkse manier in het ledenbestand is gekomen. Niets is minder waar, zo betoogt het Haagse SGP-lid.

Het eerste contact tussen mevrouw Grabijn en de SGP dateert uit mei 1984. Aanvankelijk dacht de partij met een man te doen te hebben, maar al snel hielp mevrouw Grabijn dat misverstand met een kort briefje aan het partijbureau uit de wereld. Het feit dat het om mevrouw Grabijn ging en niet om haar man, was voor het hoofdbestuur van de SGP echter geen belemmering om haar te adviseren zich bij de Haagse kiesvereniging aan te melden, zo blijkt uit een brief van het hoofdbestuur van 10 augustus 1984.

Deze brief, geschreven op briefpapier van de SGP en ondertekend door het hoofdbestuurslid de heer Pijl, was volgens mevrouw Grabijn beslist géén soloactie van Pijl, maar een uiting van het toenmalige beleid van het hoofdbestuur. Weliswaar heeft de partij achteraf gezegd dat Pijl in 1984 op persoonlijke titel handelde, maar daar stelt zij tegenover dat het hoofdbestuur de situatie dat enkele vrouwen in Den Haag lid waren geworden, vele jaren ongemoeid heeft gelaten. Het hoofdbestuur wilde destijds zelfs nog wel verder gaan, stelt zij. Om dat aan te tonen, pakt zij uit haar archief een brief van het hoofdbestuur aan de kiesverenigingen van juni 1993. Daaruit blijkt dat op 4 mei 1985 het hoofdbestuur een voorstel van het dagelijks bestuur om de Haagse kiesvereniging te verzoeken „een bepaling te maken dat vrouwen niet in aanmerking komen voor een bestuursfunctie" heeft afgewezen. Mevrouw Grabijn: „Alles toeschuiven aan Pijl kan dus niet. Er heeft een beleid aan ten grondslag gelegen".

Herbezinning
Echte problemen ontstonden er volgens mevrouw Grabijn pas op het moment dat de Haagse kiesvereniging begin 1990 op verzoek van het hoofdbestuur zich ging herbezinnen op de positie van de vrouw binnen de partij. Mevrouw Grabijn: „We voelden ons aangevallen en vernederd, omdat wij ons altijd zéér terughoudend hadden opgesteld. We bezochten ook geen vergaderingen waar onze aanwezigheid problemen zou kunnen geven. Maar vanaf dat moment verzuimden we geen vergadering meer. We boden felle tegenstand. En de vrouwen werden steeds bozer. Wat altijd vanzelfsprekend was geweest, werd nu ineens ter discussie gesteld".

De irritaties bij de Haagse vrouwen waren eind 1990 zo hoog opgelopen, dat zij besloten op hun strepen te gaan staan en kaarten voor de Algemene Ledenvergadering te vragen. „We deden dat zelf, want de kiesvereniging durfde dat niet. Gezien de druk vanuit het hoofdbestuur konden we dat eigenlijk ook niet verlangen". Door alle strubbelingen en verwikkelingen was het te laat geworden om nog naar de ledenvergadering voor 1991 te gaan. Het jaar daarop zou het echter wel zover komen. Voor het eerst in de SGP-geschiedenis waren er vrouwen op de Algemene Ledenvergadering.

Bijbelse gegevens
Het zal niemand verwonderen dat mevrouw Grabijn zich heeft verdiept in de Bijbelse gegevens over de verhouding tussen man en vrouw. Haar conclusie luidt nog steeds dat er geen schriftuurlijke grond is om vrouwen uit de politiek te weren. „Als de Bijbel mij duidelijk zou maken dat ik geen lid van een politieke partij mag zijn, dan had ik allang bedankt", zegt zij stellig. „Ik wil mij onderwerpen aan het Woord van God, ongeacht de rechten die mij als staatsburger toekomen. Gods wet is bovengeschikt". De Schriftgegevens over de plaats van de vrouw binnen het huwelijk en binnen de christelijke gemeente noemt zij „heel duidelijk", maar zij geeft er geen wijdere toepassing aan. Mevrouw Grabijn: „Die lijnen mag je niet zonder meer doortrekken naar de maatschappij en naar de politiek". Bovendien wijst zij er op dat ook tal van vrouwen in de Bijbel een aanzienlijke maatschappelijke functie hebben bekleed, zoals Debora, Lydia, Mirjam, Bathseba en Hulda. Zij maakt hieruit op dat vrouwen best mogen kiezen, partijlid mogen zjjn en als regeerder gekozen mogen worden. De man blijft voor haar wel „eerstverantwoordelijke", maar dat wil naar haar mening niet zeggen dat „vrouwen géén verantwoordelijkheid mogen dragen".

Volmondig erkent zij overigens dat het hele vraagstuk behoort tot de zogenaamde middelmatige zaken. Of de zaak al de verdeeldheid dan wel waard is? Ze reageert fel: „We moeten de schuldlast niet gaan omkeren. De vrouwen hadden niets gedaan om te provoceren. Natuurlijk is deze hele zaak van ondergeschikt belang, maar we moeten wel even teruggaan naar het beginpunt. Wij zijn niet begonnen. We zijn hiertoe geprovoceerd door het hoofdbestuur. We hebben ons zeven jaar lang terughoudend opgesteld en we verdienen dit niet. En soms moet men zijn stem verheffen om zijn recht op spreken niet te verliezen".

Teleurstellend"
De brief van het hoofdbestuur van 22 juli 1993 die 25 september aanstaande aan de orde zal zijn, noemt mevrouw Grabijn „teleurstellend". Het hoofdbestuur betoogt daarin dat „het ambt en de taak van de regering in politieke zin, verstaan naar het getuigenis van de Heilige Schrift in Oude en Nieuwe Testament, toebetrouwd is aan de man". Uit de brief blijkt volgens haar veel te weinig dat het hoofdbestuur geluisterd heeft naar de geluiden die er ook binnen de partij zelf zijn vóór definitieve openstelling voor de vrouw. „Ik betreur dat het hoofdbestuur daar geen enkel gehoor aan geeft. Integendeel, het heeft bijbelteksten gezocht bij een standpunt dat al van tevoren vaststond. De onderbouwing is zeer onvolledig en daardoor eenzijdig".

Mevrouw Grabijn: „De visie van het hoofdbestuur is zo weinig politiek, zo wereldvreemd. Vele SGP-leden zien het hoofdbestuur in feite als een soort synode en de besturen van de kiesverenigingen als kerkeraden. We hebben het echter niet over een kerk, maar over een politieke partij".

Volgens mevrouw Grabijn zou het het best zijn als de partijleden elkaar in liefde wilden verdragen. Dat er verschillend wordt gedacht over de vrouw, vindt zij geen probleem, omdat volgens haar de grondslag van de partij niet in het geding is. „Dan moet je elkaar de maat niet zo nemen. Mensen die een ander standpunt hebben dan ik krijgen van mij de ruimte daarvoor, maar die ruimte wil ik ook. Er is veel meer dat ons bindt dan dat ons scheidt en daarom moetem wel elkaar zoeken in eenheid en niet de traditie tot principe verheffen".

De brief van partijvoorzitter ds. Hovius aan de kiesverenigingen noemt mevrouw Grabijn „moedig". Zij hoopt dat zijn voorstel (wel lidmaatschap, maar geen passief kiesrecht voor de vrouw) door alle vleugels binnen de SGP bij wijze van een compromis aanvaard zal worden. Zou de zaak daarmee voor de SGP eindelijk definitief zijn geregeld? Mevrouw Grabijn: „Dat is een kwestie van formulering. De angel blijft gedeeltelijk in het vlees zitten als spijkerhard wordt vastgelegd dat vrouwen niet gekozen kunnen worden. Ik zou het voorzichtig formuleren en daar niet zo stellig in szijn om niet over een aantal jaren met een zelfde problematiek te worden geconfronteerd. Ik denk dat het ook niet in de statuten moet worden opgenomen. Ds. Hovius is overigens ook wat inconsequent. Hij vindt dat je voorzichtig moet zijn met je standpunt wanneer de Schrift niet spreekt, maar dat doet de Schrift naar mijn mening ook niet over het passieve kiesrecht".

Als het voorstel van ds. Hovius aanvaard zou worden, is mevrouw Grabijn als concessie bereid om niet voluit aanspraak te doen op de rechten die zij als volwaardig lid heeft. „Het behoud en de eenheid van de partij zijn voor mij héél wezenlijk. Ik ben bereid daar concessies voor te doen. Maar alleen -net als in de liefde- het kan nooit van één kant komen". Mocht de partij haar op 25 september de gevraagde liefde niet geven, is zij dan bereid te praten over vrijwillige opgave van haar lidmaatschap, zoals het hoofdbestuur onlangs, aan een journalist suggereerde? Mevrouw Grabijn: „Als mij nu zo'n verzoek zou bereiken, zou ik het eens bekijken, maar voorlopig ben ik lid en ik ben van plan dat ook na 25 september te blijven".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 augustus 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Mevrouw Grabijn geschokt door het vijandbeeld dat men van haar heeft

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 augustus 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken