Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De katholieke jonker uit het zuiden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De katholieke jonker uit het zuiden

Maria van Nispen tot Sevenaer-Ruijs de Beerenbrouck: „Mijn vader was een realist, maar ook een grote idealist"

14 minuten leestijd

75 jaar geleden betrad jonkheer mr. Charles J. M. Ruijs de Beerenbrouck het hart van de politieke arena. In een verward tijdsgewricht moest hij leiding geven aan een met moeite tot stand gekomen kabinet. Als eerste rooms-katholieke ministerpresident in de Nederlandse geschiedenis. De economie had zwaar geleden onder de oorlog. De Duitse keizer zocht asiel in Nederland. Troelstra deed zijn beruchte greep naar de macht. België maakte aanspraak op Zuid- Limburg en Zeeuwsch- Vlaanderen. De adellijke minister- president werd door alle problemen volledig opgeslokt. Alleen de zondag bracht hij in huiselijke kring door. Herinneringen van zijn oudste dochter.

Ze is inmiddels de negentig gepasseerd, maar oogt als een krasse zeventiger. Alleen met lopen heeft ze wat moeite. Door een lelijke val in haar vroege jeugd gaat ze kreupel door het leven. De handicap wordt gecompenseerd door haar uitzonderlijke vitaliteit. Met zelfverzekerde lach vertelt ze dat ze afgelopen zaterdag met haar 98-jarige echtgenoot nog naar Den Haag is gereden, in verband met een familiedag van de Van Nispens. Ze bestiert zelf het landgoed Suideras bij Vierakker en het gelijknamige kasteeltje. Daarmee ging ze in het voetspoor van haar moeder, die tot 1948 het erfgoed van de familie Van der Heijden van Doornenburg beheerde. Haar vader, jonkheer mr. Charles J. M. Ruijs de Beerenbrouck, had wel wat anders aan zijn hoofd dan de zorg voor het landgoed van zijn echtgenote. Als eerste rooms-katholieke minister-president van Nederland gaf hij leiding aan volk en vaderland. En dat in barre tijden. De eerste keer dat hij aantrad als premier was de Eerste Wereldoorlog nog niet ten einde. De tweede keer was het land weggezakt in een diepe economische malaise: de beruchte crisis van de jaren dertig.

Dame te paard
Maria voelde zich sterk betrokken bij de arbeid van haar vader. Politiek was haar met de paplepel ingegoten. „M'n grootvader was commissaris van de Koningin in Limburg. Daarvoor was hij minister van justitie geweest, dus in onze familie werd veel over allerlei politieke ontwikkelingen gesproken. Als mijn broer en ik uit school kwamen, vlogen we direct op de krant af om het laatste nieuws over de Balkanoorlog te lezen. Hoe het met koning Nicolaas van Montenegro stond en met majoor Thomson. Na de moord op Frans Ferdinand waren we in alle staten van spanning. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog begrepen ze op school pas waarom we zo nerveus waren geweest. M'n alleroudste herinnering gaat terug tot juni 1905. Toen bezochten koningin Wilhelmina en prins Hendrik Maastricht. Op het gouvernement was een koninklijke slaapkamer, met een bed dat op een soort troon stond. Je moest twee trapjes op om in dat bed te komen. Heel plechtig. Als kind van twee jaar en drie maanden kreeg ik van mijn grootvader de opdracht om een bos bloemen te geven aan de Koningin, die te paard aan kwam rijden door de poort van het gouvernementsgebouw, ik was er zeer van onder de indruk. Niet de Koningin, maar een dame zo hoog te paard, dat maakte indruk".

Ascetisch
„Mijn vader werd in hetzelfde jaar kamerlid voor het district Gulpen. Hij was een vooruitstrevend man, die veel gedaan heeft voor de arbeidersbeweging. Die sociale inslag had hij van zijn vader geërfd. Die heeft, onder meer als lid van de enquêtecommissie- Van Houten, die de arbeidsomstandigheden onderzocht, zeer gestreden voor de verbetering van het lot van de arbeiders. Beiden hadden een zeer sterk rechtvaardigheidsgevoel. Een familietrek die terug te vinden is in onze wapenspreuk: "Liever sterven dan verraden".

In zeker opzicht paste mijn vader niet zo in het Limburgse land. Hij was geen Bourgondisch type. Eerder ascetisch. Met enige zelfspot zei hij wel eens: „Ik ben een eenvoudig man; ik rook niet, ik drink niet en ik scheer me met koud water". Maar de wijd verbreide opvatting dat hij flegmatisch en introvert was, is absoluut onjuist. Hij was juist een sanguinisch, temperamentvol mens. Ik denk dat dat onjuiste beeld is ontstaan door de omstandigheden. Hij was nog maar 44 toen hij minister-president werd. Dat was voor die tijd verschrikkelijk jong. In zijn kabinet zaten waardige oude heren als Heemskerk, Idenburg en De Visser. Ik denk dat hij het gevoel had zich in zijn nieuwe positie wat in te moeten tomen. In werkelijkheid was hij joviaal en hield hij van grapjes".

Idealist
„De keuze was op mijn vader gevallen bij gebrek aan anderen. Door de sterke groei van de rooms-katholieke partij lag het voor de hand dat er een rooms-katholieke minister-president zou komen. De Koningin verzocht dr. Nolens dan ook een kabinet te vormen, maar dat stuitte op bezwaren vanwege het feit dat hij priester was. Ook een oom van mijn man werd gevraagd: jonkheer mr. O van Nispen tot Sevenaer, oud-voorzitter van de Tweede Kamer en gezant bij het Vaticaan. Deze bedankte vanwege zijn gezondheid, die achteraf allerminst slecht bleek te zijn. Ten slotte kwam men bij mijn vader. Die heeft toegestemd, hoewel net een hele opoffering voor hem was. In mei was hij zijn vader opgevolgd als gouverneur van Limburg. Nog geen drie maanden later werd hem gevraagd de leiding van een kabinet op zich te nemen. Ik herinner me nog goed dat hij zei: „Misschien hebben ze met Kerstmis wel genoeg van me en dan ben ik Limburg kwijt". Het was zeker geen ambitie die hem ertoe bracht „ja" te zeggen. Hij zag het als zijn plicht. Mijn moeder ook. Het klinkt misschien een beetje ongewoon, maar deze mensen lieten zich nog leiden door een gevoel van voorzienigheid. Voor een jaar of zes is zijn overlijden, toen vijftig jaar geleden, herdacht. Op de door het CDA georganiseerde samenkomst in Maastricht heb ik ook gesproken. Ik had het gevoel dat ik hét had over iemand die driehonderd jaar geleden geleefd had. Mijn vader was een realist, maar ook een grote idealist. Dat gelooft niemand meer. Waar in de politiek handelt men vandaag nog uit geloof en overtuiging?"

Katholieke jonker
M'n vader, m'n moeder en mijn zuster verhuisden naar Den Haag, m'n broer en ik gingen naar de kostschool. Lang niet iedereen was gelukkig met de komst van vader. Het was voor velen een bittere pil dat voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een rooms-katholiek leiding ging geven aan een kabinet. Jonkheer De Savornin Lohman sprak wat schamper over „die katholieke jonker uit het zuiden". Dat gevoel leefde bij velen. Daar kwam voor mijn vader nog bij dat hij in een bijzonder moeilijke tijd begon. De Eerste Wereldoorlog was nog niet ten einde. Twee maanden later zocht de Duitse keizer asiel in Nederland en werd vader door de geallieerden onder druk gezet om hem uit te leveren. Hoewel hij weinig sympathie voor de keizer had, heeft hij daar geen moment over gedacht. Het uitleveren van een politieke vluchteling ging naar zijn overtuiging in tegen het volkenrecht. Ik herinner me nog hoe verontwaardigd hij was toen hij hoorde dat de echtgenote van de Engelse ambassadeur de tong had uigestoken tegen de keizer, bij diens aankomst op het station in Doorn. Zoiets was voor mijn vader beneden alle waardigheid".

Troelstra
„In dezelfde tijd deed Troelstra z'n greep naar de macht. Mede door het doortastende en krachtige optreden van m'n vader is die poging mislukt. Hoewel verschillende ministers behoorlijk beducht waren voor de ontstane situatie, verklaarde mijn vader in de Kamer namens het kabinet: „De regering wijkt niet". De betekenis van die krachtige stellingname is later sterk onderschat. In geschiedenisboeken wordt er nauwelijks aandacht aan besteed. Ik heb wel eens de indruk dat dat veroorzaakt wordt door zijn rooms-katholieke overtuiging. Het past niet in de Nederlandse traditie dat een rooms-katholiek op een cruciaal moment van grote betekenis is geweest voor het land. Wel werd de houding van mensen als De Savornin Lohman ten opzichte van mijn vader duidelijk positiever. Omdat ik in die tijd op de kostschool zat, maakte ik alles vanaf een zekere afstand mee. De enige zuster van m'n vader, die er als non werkzaam was, probeerde voor me te verbergen dat het huis van m'n ouders bewaakt werd en meer van dat soort dingen. Dat vond ze te belastend voor een kind van vijftien".

Calvinist
„Na de mislukte revolutiepoging van Troelstra diende een nieuw probleem zich aan. België eiste van de Nederlandse regering de afstand van Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg. Ook in die kwestie heeft mijn vader zich niet laten intimideren. Mijn moeder is hem altijd tot grote steun geweest. Het was een zeer verstandige, doortastende en bijzonder strikte vrouw. M'n vader noemde haar meer dan eens, wat plagend, „een calvinist". Hij was zelf ook strikt in zijn levenshouding, maar vertaalde dat een beetje vlotter. Begrijpt u? Mijn moeder was afstandelijker. Daar stond tegenover dat zij een grote mensenkennis had. Daarin voer m'n vader altijd op haar kompas. Ik geloof niet dat hij geheimen voor haar had. Ook op politiek gebied niet".

Ruimhartig
„Van dualisme had vader een grote afkeer. Zijn geloof en zijn leven was één. Elke morgen liep hij in alle vroegte naar de kerk. Daarvandaan ging hij naar het Binnenhof ook te voet. Hij was een overtuigd katholiek mens. Tegelijk had hij een ruim hart voor andersdenkenden, als ze maar oprecht waren in hun overtuiging. Na zijn dood kregen we bij voorbeeld een indrukwekkende briefvan Sneevliet, dè communistische voorman van voor de oorlog. Die had groot respect voor mijn vader. Dat was in die tijd een heel merkwaardige zaak. Door de functie van mijn vader leerden wij alle mogelijke mensen uit politieke kringen kennen. Op onze huwelijksreceptie waren niet alleen familieleden en vrienden, maar ook mensen als Colijn en Nolens aanwezig. Met diners zat ik wel naast ze. Zo heb ik bijzonder goede herinneringen aan een bezoek van de bekende priester Alphons Ariëns. Een zeer sociaal bewogen man, wiens heiligverklaring momenteel wordt voorbereid. Mijn vader, die zeer met hem bevriend was, moest die avond plotseling weg. Die goede Ariëns heeft daarop de hele avond genoegen met mij genomen, zonder dat er ook maar iets van teleurstelling bij hem merkbaar was".

Opgeblazen
„Ook in protestantse kring had mijn vader goede vrienden. Zijn geloof was positief gericht. De vaste rooms-katholieke overtuiging maakte hem niet anti-protestants. Hij had bij voorbeeld zeer veel achting voor Idenburg. Voor Colijn minder. Die was qua persoonlijkheid de tegenpool van mijn vader. Hij was ongetwijfela een groot man, maar bescheidenheid was hem vreemd. Een zeer opgeblazen mens. Ook in presentatie verschilden ze sterk. Colijn was erg ronduit. Mijn vader juist fijngevoelig. Later is mij van verschillende kanten verteld dat hij een sterk samenbindende invloed had. Doordeweeks zagen we hem niet veel. Het werk slokte hem volledig op. Maar in de vakanties gingen we naar buiten. Naar Wolfrath, het landgoed van zijn vader in Limburg, of naar Suideras. Mijn moeder kon niet zo wennen in Den Haag. Ze had wat moeite met de mentaliteit daar en ging regelmatig naar haar moeder. Ik was een meisje van een jaar of twintig toen een ministersvrouw me vroeg: „Maria, wat zoekt jouw moeder zo vaak in de Achterhoek? De bomen zijn er toch allemaal hetzelfde?" Waarop ik geïrriteerd antwoordde: „Och mevrouw, weet u, mijn moeder vindt in Den Haag misschien alle mensen hetzelfde". „Opgeblazen Haagse lucht", daar had m'n vader het soms over .

Crisis
„In 1925 kwam er een nieuw kabinet en werd mijn vader voorzitter van de Kamer. Drie jaar later onderging hij een ernstige nieroperatie. Desondanks stemde hij in 1929 toe, toen hem voor de tweede keer werd gevraagd een kabinet te vormen. Opnieuw in moeilijke omstandigheden, aan het begin van de beruchte crisis. Het volk liep te hoop in demonstraties en maakte mijn vader tot de zondebok. Een bekende leus in die dagen was: "Wie maakt onze centen zoek, dat is Ruijs de Beerenbrouck". De katholieke partij kwam daarop met de ongelukkige tegenleus: "Een edelman die werkt voor het volk". Daar was m'n vader allerminst content mee. Hij voelde zich één met de grote massa die het moeilijk had. Daar kan ik een indrukwekkend voorbeeld van geven. In 1932 werd mijn grootmoeder, die op Suideras woonde, ernstig ziek. Moeder, die enige dochter was, heeft in die periode met mijn zuster hier gewoond. Mijn vader was doordeweeks in Den Haag en het weekend op Suideras".

Kolentoeslag
„Op een koude dag in oktober moest ik naar een dokter in Den Haag. Na afloop ging ik even bij m'n vader langs om hem goedendag te zeggen. Ik kom boven, in z'n werkamer, en daar zit hij met z'n kamerjas aan in het onverwarmde vertrek. Ik zeg: „Wat zit u hier in een verschrikkelijke kou?" Zijn antwoord zal ik nooit vergeten. Hij voelde zich een beetje betrapt en reageerde wat beschaamd met: „Ik kan hier toch niet in een goed verwarmde kamer gaan zitten, terwijl ik de bevolking pas per 1 november de kolentoeslag kan geven". Dat typeerde hem. Het dienstpersoneel zat in de keuken bij een brandende kachel, maar hij leed boven kou. Uit solidariteit met het volk. Hoewel hij grote bedenkingen had tegen de SDAP stond hij volledig achter de sociale wetten. Binnen zijn eigen partij was hij zeer vooruitstrevend. Naar de mening van velen zelfs tè. Maar hij had het economische tij tegen. Sociale voorzieningen zijn pas realiseerbaar als ze economisch mogelijk zijn ger maakt. In dat dillemma zat mijn vader".

Gedesintegreerd
„Als ik het politieke bedrijf van nu vergelijk met dat van vroeger, is het verschil hemelsbreed. Mensen als mijn vader integreerden hun geloof en wat dat meebracht aan waarden en normen ook in hun handelen. Ik heb hem nooit kunnen betrappen op een verschil tussen wat hij zei en wat hij deed. Vind je dat type nog wel in het politiek circuit? Misschien in de kleine christelijke partijen. Maar in het algemeen vind je nauwelijks meer historisch besef en geestelijke diepgang. De grote problemen laat men liggen en men komt met duizend vragen over niks. De laatste jaren van zijn leven was hij weer voorzitter van de Kamer. Hij leed toen al aan de ziekte van Addison, een destijds dodelijke ziekte van de bijnieren. Een van de verschijnselen ervan is een overstelpende moeheid. Toch ging hij door. Tot het einde toe. Op zijn sterfbed zei hij nog: „Leven zonder te werken kan ik niet; dan heb ik liever dat God mij roept". Donderdag voor Pasen begon hij een novene, een periode van negen dagen waarin je op een bijzondere wijze tot God bidt. Op de laatste dag van zijn novene is hij gestorven. Zeker mijn moeder beschouwde dat als teken van de voorzienigheid".

Principiëler
„Z'n begrafenis was indrukwekkend. Iedereen sprak over zijn grote verdiensten voor het land. Geen enkele ministerpresident had zo langen in zulke moeilijke perioden geregeerd. Toch raakte hij al snel in het vergeetboek. Toen in 1948 koningin Juliana de regering aanvaardde, is in het stadion van Amsterdam de 50-jarige regeerperiode van koningin Wilhelmina groots herdacht. Troelstra, die in 1918 een radenrepubliek nastreefde, werd zeer loffelijk vermeld. Mijn vader is niet genoemd. Hem te noemen, paste blijkbaar niet in het historische beeld dat men wenste over te drgen. Opvallend genoeg is zijn naam het laatste jaar wel veel genoemd, in verband met het feit dat Lubbers het record dat mijn vader had gevestigd door de duur van zijn premierschap heeft verslagen. In meerdere publikaties is een parallel tussen hen getrokken. Beiden zeer jong toen ze minister-president werden. Beiden roomskatholiek. Beiden zeer lang aan het bewind. Beiden bijzonder samenbindend en bereid om te zoeken naar compromis- Ik zie die overeenkomst ook. Toch zie ik ook verschil. Ik denk dat Lubbers spitser is. Maar mijn vader was principiëler, waarbij je eerlijk moet zeggen dat dat in die maatschappij gemakkelijker was. Mijn vader was minister-president in christelijke kabinetten. Voor Lubbers is dat niet het geval. Maar het heeft me verbaasd dat hij departementen die een specifiek levensbeschouwelijke achtergrond hebben, zoals onderwijs en cultuur, zo gemakkelijk aan de PVDA overliet".

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

De katholieke jonker uit het zuiden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken