Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over de bijbelse leer van de onsterfelijke ziel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over de bijbelse leer van de onsterfelijke ziel

9 minuten leestijd

Dat ds. C. E. van der Ploeg, die de public relations verzorgt van de Zevendedagsadventisten (een vriendelijk man), zou reageren op mijn artikel van twee weken geleden, waarin zijn kerkgenootschap te sprake kwam, ligt voor de hand. In dat artikeltje nam ik het onder andere op voor de bijbelse leer van de onsterfelijkheid van de ziel. Maar éérder nog dan ds. Van der Ploeg bereikte mij de brief van een abonnee. En die meldde kort en goed: „Er is geen bijbelse leer van de onsterfelijkheid der ziel". Ik kan het niet nalaten nog wat op dat thema door te borduren.

Ik ga niet na wie er allemaal nog méér tegen de onsterfelijkheid van de ziel geageerd hebben. Karl Barth bij voorbeeld. En de bekende ds. B. Telder, ooit predikant van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Ds. Telder schreef in "Sterven... en dan?" betreffende de staat van hen die in Christus ontslapen zijn: „...dat zij met alle andere gestorvenen slapen in het stof der aarde, uit welke slaap zij weer opgewekt zullen worden op de dag van Christus' wederkomst". Ik voer louter wat positieve argumenten aan vóór de leer van de onsterfelijkheid van de ziel en tégen de zogenoemde "zieleslaap".

Op grond van de Schrift

Laten wij beginnen eens te kijken naar wat de gereformeerde belijdenis zegt over de onderhavige kwestie. De Heidelbergse Catechismus vraagt en antwoordt in Zondag 22: „Wat troost geeft u de opstanding des vleses? Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heeriijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden".

„Mijn ziel zal na dit leven van stonde aan tot Christus opgenomen worden...", zegt de belijdenis. Voor degenen die de confessie al te gemakkelijk afdoen als mensenwerk zij opgemerkt dat de Catechismus enkele bijbelse bewijsplaatsen noemt. Lucas 16:22 en 23:43 en Filippenzen 1:21,23. De Heidelberger belijdt op grond van de Bijbel.

Lucas 16:22 betreft de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Daar staat: „En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham". Dat lijkt mij een afdoende antwoord op de vraag waar de ziel heen gaat na het lichamelijke sterven van een mens. In Lucas 23:43 gaat het over de moordenaar aan het kruis. Jezus zegt tegen hem: „Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn". In Filippenzen 1:23 zegt de apostel Paulus: „Want ik word van deze twee gedwongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn".

Andere confessies

Het is dan ook niet alleen de eenvoudige Heidelberger die de onsterfelijkheid van de ziel belijdt. De Westminster Confessie (1646) en de (veel jongere) Confessie der Verenigde Kerk in Japan gelooft ook en uitdrukkelijk in de onsterfelijkheid van de ziel. De Confessio Helvetica posterior (1562) verwerpt uitdrukkelijk „allen die de onsterfelijkheid der zielen belachelijk maken of door subtiele disputaties in twijfel trekken". De Frankfurter Bekenntnis (1554) belijdt uitdrukkelijk dat de ziel onsterfelijk is, hoewel deze een aanvang heeft.

De Apeldoomse prof. dr. J. van Genderen schreef dan ook een aantal jaren geleden niet voor niets: „Op grond van het Nieuwe Testament mag de kerk niet alleen op de komende opstanding maar ook op een door de dood niet onderbroken gemeenschap met Christus hopen. De beloften van Christus in Johannes 11:25, 26 en Lucas 23:43 wijzen in deze richting. En de woorden van Paulus in Filippenzen 1:23 en 2 Corinthen 5:8 zeggen toch ook, dat hij na het sterven verwacht met Christus te zijn".

En laten wij ons oor eens te luisteren leggen bij nu wijlen prof. G. Wisse: „In Genesis 5:24 vinden we van Henoch vermeld, dat Hij wandelde met God „en hij was niet meer, want God nam hem weg". De nadere verklaring van dit woord geeft de H. Schrift zelf ons; in Hebreen 11:5: "Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien". Het woordje wegnemen dat de apostel hier gebruikt, heeft in de oorspronkelijke (Griekse) taal de betekenis van overbrengen van plaats tot plaats. Waaruit blijkt dat dit wegnemen niet bedoelt, een pantheïstisch 'opgaan' van de ziel in God, maar een heengaan van deze aarde naar een ander oord, dat der heerlijkheid; alzo een krachtig getuigenis betreffende het voortbestaan na de dood".

Gereformeerde Kerken

De generale synode van de Gereformeerde Kerken heeft in 1942 een speciale leeruitspraak gedaan "aangaande de onsterfelijkheid van de ziel". In verband met de vrees van sommigen, dat het voortbestaan van de ziel na de dood in twijfel getrokken werd.

De leeruitspraak zegt: „1e dat, naar Schrift en belijdenis, bij het sterven van de mens zijn lichaam wederkeert tot stof, maar zijn ziel, hetzij in de gemeenschap met Christus zaligheid genietend, hetzij in rampzaligheid lijdend, voortbestaat, totdat zij op de jongste dag, wanneer de doden zullen opstaan, wederom met haar lichaam verenigd wordt, en de gelovigen naar ziel en lichaam eeuwige zaligheid zullen ontvangen, de ongelovigen daarentegen naar ziel en lichaam zullen worden overgeven tot een voortbestaan in eeuwige rampzaligheid, welke waarheid vanouds ook wordt uitgedrukt in de leer van de onsterfelijikheid der ziel;

2e dat daarom moet gehandhaafd worden, dat de ziel des mensen, ofschoon op wonderbare wijze met het lichaam een eenheid vormende, nochtans iets eigens is, en van het lichaam dermate onderscheiden, dat zij daarvan kan worden afgescheiden en afzonderlijk bestaan".

Calvijn

De leraar van de oude kerk Irenaeus beschouwde de ziel als een "onsterfelijke substantie". Augustinus schreef een verhandeling over de onsterfelijkheid der ziel. Ongetwijfeld heeft Calvijn hun werken gelezen, toen ook hij tot de vaststelling kwam van de onsterfelijkheid van de ziel. Hij schrijft er over in zijn Institutie, I, 5, 2.

De geest is niet zomaar een kracht, zegt Calvijn. Degenen „die zich verbeelden, dat de ziel daarom geest genoemd wordt, omdat zij een blazing is of een van Godswege in de lichamen ingegoten kracht, die echter het wezen mist" „tasten grof mis". „Onder het woord ziel", schrijft hij, „versta ik een onsterfelijk maar nochtans geschapen wezen, dat het edelste deel van de mens is".

Als mensen „niet bedenken, dat ze na de dood zullen blijven voortleven" ligt dat er aan, dat zij „meer dan passend is aan de aarde gehecht zijn, afstompen, ja, omdat ze van de Vader der lichten vervreemd zijn, door de duisternis verblind zijn".

Vanuit de Bijbel

Ook Calvijn verdedigt vanuit de Bijbel het voortbestaan van de ziel na de dood. „Zo wanneer Salomo, over de dood sprekend, zegt, dat dan de geest weerkeert tot God, die hem gegeven heeft (Prediker 12:7). En wanneer Christus zijn geest in de handen des Vaders beveelt (Lucas 23:46), en ook Stephanus de zijne in de handen van Christus (Handelingen 7:59), dan verstaan zij daardoor niets anders, dan dat, wanneer de ziel uit de kerker des vleses is losgemaakt. God haar voortdurende bewaarder is". „Wanneer de zielen niet, na losgemaakt te zijn uit de kerker der lichamen, bleven voortleven, dan zou ongerijmd zijn, wat Christus verhaalt (Lucas 16:22), dat de ziel van Lazarus blijdschap genoot in de schoot van Abraham en wederom de ziel van de rijke naar huiveringwekkende kwellingen verwezen was. Ditzelfde verzekert Paulus (2 Corinthen 5:6, 8) lerend, dat wij uitwonen van God, zolang wij inwonen in het lichaam; maar dat wij zijn tegenwoordigheid genieten buiten het vlees".

In de Institutie, II, 10, 9 zegt Calvijn: God noemde zichzelf „de God van Abraham, Izak en Jacob lang na hun dood (Exodus 3:6), Immers zou dat niet een belachelijke benaming geweest zijn, als zij te niet gegaan waren? Want het zou evenzo geweest zijn, alsof Hij zo gesproken had: „Ik ben de God van hen, die niet zijn". Daarom verhalen de evangelisten, dat de Sadduceën door Christus de mond gesnoerd werd door die ene argument (Matthéüs 22:32; Lucas 20:37).

Ik heb, dit alles overziende, geen vrijmoedigheid om één enkel argument aan te voeren tegen de onsterfelijkheid van de ziel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 november 1993

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Over de bijbelse leer van de onsterfelijke ziel

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 november 1993

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken