Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Afgeluisterd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Afgeluisterd

4 minuten leestijd

Bartelink

In de Russisch-orthodoxe kerken zal men tevergeefs naar orgels zoeken. Dat de Litouwse componist César Cui (18351918) toch enkele werkjes voor orgel of harmonium op zijn naam heeft staan, is vooral te danken aan de westerse invloeden die hij onderging via zijn uit Frankrijk afkomstige vader. Alexander Glazunov (1865-1930) kreeg pas belangstelling voor het orgel na zijn emigratie naar Frankrijk, waar hij regelmatig contact had met Saint-Saëns en Dupré. Voor zover in Rusland gesproken kan worden van een orgelcultuur, heeft deze zich moeten ontwikkelen in de concertzaal. Zo is bij voorbeeld de Passacaglia uit 1932 van Dmitri Shostakovich bedoeld als entr'acte-muziek tussen twee scènes uit een opera. Hoewei in andere Oostbloklanden de orgelcultuur vaak wel vanuit een kerkelijke voedingsbodem is opgebloeid, blijft de Oosteuropese orgelwereld als geheel voor ons een onbekend terrein.

Tijdens zijn concertreizen naar Moskou en andere oostelijke podia kwam Bernard Bartelink in aanraking met deze muziek. Als organist van de Kathedrale Basiliek St. Bavo te Haarlem heeft hij ook de beschikking over een instrument dat zich uitstekend leent voor dit repertoire. Zelfs de gedetailleerde registratieaanwijzigingen bij de Sonntagmusik van Petr Eben laten zich op het grote Adema-orgel probleemloos realiseren. Op Bartefinks cd met Russische, Hong'aarse en Tsjechische orgelmuziek nemen de complete orgelwerken van Glazunov de meeste tijd in beslag. Het zijn overigens maar drie stukken, met de Fantasie op. 110 als indrukwekkend hoogtepunt. Ten onrechte wordt vermeld dat hier ook het complete orgeloeuvre van Janacek is vastgelegd: van de zes onlangs bij Supraphon gepubliceerde stukken horen we er maar drie. Heel fraai is de Prélude van Kodaly, terwijl de beide Préludes van César Cui klinken als pure Franse romantiek. Folkloristische motieven zijn herkenbaar in de Toccita van Mushei, waarmee Bartelink zijn programma besluit. Het fijnzinnige orgelspel van Bernard Bartelink verdient alle Ion dat de orgelklank juist in fijnzinnigheid te kort schiet, kan Bartelink ook niet helpen. 

N,a.v. "East European Organ Works"; Bernard Bartelink, Kathedrale Basiliek St. Bavo, Haarlem; Intersound 1012. 

Dick Sanderman


Kleinbussink

"Tussen Bach en Mendelssohn. Orgelwerken in de schaduw van de barok". Zo bestempelt de Deventer organist Jan Kleinbussink de inhoud van een cd door hem volgespeeld aan de klavieren van het Holtgrave-orgel in de Grote of Lebüïnuskerk. Holtgrave bouwde in die kerk in 1839 een instrument dat de weerklank van de late Barok en de 18eeeuwse Hollandse orgelbouw nog in zich draagt. De binding van deze orgelmaker aan de historische tradities van de orgelbouw was voor Kleinbussink de leidraad bij de samenstelling van het programma voor deze cd. Vanuit werk van Mendelssohn (allegro, met koraal en fiiga), gecomponeerd vijfjaar na het gereedkomen van het orgel, blikt hij terug op werken die hij representatief acht voor de verlenging van de barokke tradities. Als vanzelf komt hij dan terecht bij de Duitse orgelliteratuur en maakt hij een klein uitstapje naar onze Leidse C. F. Ruppe, hoewel die van geboorte ook weer Duitser was.

Het is een programma dat getuigt van een goede smaak. Dat is voor de periode tussen Bach en Mendelssohn geen gemakkelijke opgave. In zijn toelichting bij Kreos' Fantasie over het koraal "Freu dich sehr, o meine Seele", die hij overigens buitengewoon fraai vertolkt, schrijft hij dat het een periode was van langzaam maar zeker ter neer gaan van de orgelkunst. Ga dan maar eens op zoek naar wat van waarde is! Maar dat blijkt bij Kleinbussink in even goede handen als de wijze waarop hij het vervolgens tot klinken brengt. Dat neemt niet weg, dat niet alles even interessant is. M. G. Fischers Trio over "Vater unser" en de Fantasia in D van Joh. Chr. Kittel markeren eigenlijk een stijlbreuk. Maar de manier waarop ze worden weergegeven, maakt alles goed.

Kleinbussink speelt met een breed en groots gebaar. Dat pakt meteen in Johann Schneiders "Preludium en allabreve". De brede vocale 'streek' waarin hij Bachs "Wachet auP' doet herleven, laat de muziek volop ademen. Koraalwerken van Mohrheim en Homilius klinken onder Kleinbussinks handen als juweeltjes. Een programma dat met grote zeggingskracht tot leven komt.

De prima opgenomen cd gaat vergezeld van een uitstekend tekstboekje met een beschrijving van het orgel, een toelichting op de gespeelde werken, compleet met de registraties. Zo hoort het! 

N.a.v. "Tussen Bach en Mendelssolin; Orgelwerken in de schaduw van de barok". Jan Kleinbussink; JQZ Kampen. QCD 3075-2. 

A.M.Alblas

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1994

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

Afgeluisterd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1994

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken