Japan voelt zich nog steeds slachtoffer
Sadako Sasaki was een klein meisje van twee jaar oud toen de Amerikanen tiun atoombom op Hirosjima wierpen. Aanvankelijk behoorde zij tot de overlevenden, maar tien jaar later haalde de bom haar toch in. Het meisje heeft maanden voor haar leven gestreden. Zij meende dat zij zou genezen als zij er maar in zou slagen om duizend papieren kraanvogels te vouwen. In haar bed in het ziekenhuis maakte zij de diertjes van medicijnverpakkingen. Zij zou haar doel echter niet bereiken. Het Japanse meisje stierf toen zij 964 kraanvogels had gevouwen. Vrienden van haar namen het op zich om het zozeer gewenste, maar niet bereikte duizendtal vol te maken. Nog weer andere scholieren voegden daar later vele strengen, met elk duizend papieren vogeltjes, aan toe. En tot op de dag van vandaag ontvangt het atoombom-museum in Hirosjima honderden veelkleurige strengen van scholieren uit heel Japan. Als kwetsbare monumenten van een verschrikkelijk verleden.
Voor de boeddhistische Japanner begint morgen het grote gedenkjaar van de slachtoffers van de atoombomaanvallen. Dat heeft te maken met een oude manier van tellen in het boeadhisme, waarbij de gebeurtenis zelf het 'nulpunt' vormt. Op dat moment begint men te tellen met het jaar 1. Precies één jaar na dato begint volgens deze zienswijze dus het tweede gedenkjaar. En zo komt het dat morgen in Hirosjima de boeddhisten "het jaar 50" herdenken van de doden die op 6 augustus 1945 in deze stad vielen. Zij zullen dat op 9 augustus ook in Nagasaki doen. De officiële herdenking van overheidswege zal echter pas volgend jaar plaatshebben.
Japan heeft nog steeds moeite met het eigen verleden, althans, in onze ogen. In een artikel in de Nihon Keizai (letterlijk: De economie van Japan, een krant die enigszins te vergelijken is met NRC Handelsblad) van 18 juli jl. werd daar nog eens op ingegaan. De auteur voerde „sommige Amerikanen" in die vinden dat het goed is dat de atoombommen werden ingezet, omdat daarmee voorkomen is dat nog vele andere mensen in de oorlog zouden sterven. Deze opvatting is in Japan duidelijk geen gemeengoed. Er heerst eerder een schaamtegevoel over het feit dat het land de oorlog heeft verloren dan een schuldbesef over het eigen aandeel in de hele oorlog. Dat spreekt ook uit de manier waarop zij in Hirosjima en Nagasaki de herinnering aan de atoombom levend houden.
Bevreemdend
Een bezoek aan deze twee steden is voor een westerling in veel opzichten een bevreemdende ervaring. Wie door de straten loopt, ziet eigenlijk een gewone Japanse stad, zoals er zo veel zijn in het land van de rijzende zon. Veel verkeer, hoge kantoorgebouwen en overal lawaai. Tegelijk is er het besef dat deze twee steden bijna vijftig jaar geleden een aanblik vertoonden die elke beschrijving tart. In één klap alleen al 140.000 doden in Hirosjima en nog eens 74.000 in Nagasaki. En daar zouden nog vele, vele duizenden doden bij komen. Mensen als Sadako Sasaki.
De nietsvermoedende bezoeker uit het Westen krijgt wel een en ander te verwerken als hij de atoombommusea van de beide getroffen plaatsen gaat bekijken. De woorden "Tweede Wereldoorlog" komen in de tentoonstellingen niet voor. Wel wordt heel uitgebreid, tot in de gruwelijkste details, beschreven wat de atoombom allemaal teweeg heeft gebracht. Maar daar blijft het bij. De vraag naar het 'waarom' van de Amerikaanse aanvallen komt eenvoudig niet aan de orde. Daardoor wordt sterk de indruk gewekt dat de Japanners zichzelf meer slachtoffer vinden dan agressor.
Bizar
Behalve het ontbreken van een historisch kader, is ook de wijze waarop de exposities zelf zijn ingericht in westerse ogen bizar. Een enkel voorbeeld kan dat verduidelijken. Direct om de hoek na de kassa in het atoombommuseum te Hirosjima is een ruime kamer, waarin de situatie van vlak na het vallen van de bom wordt verbeeld. De ruimte is tamelijk duister, maar achter de donkere, stoffen wanden flakkert rood licht. Op de achtergrond staan enkele zwartgeblakerde ruïnes, puinhopen van huizen. Daarmsen zijn de resten te zien van brandende bomen en struiken, gemaakt van zwart materiaal en elektrische gloei-elementen, zoals die wel in nep-open-haarden worden gebruikt.
Het gruwelijkste staat op de voorgrond, zodat de bezoeker daarmee direct wordt geconfronteerd. Het vormt als het ware de eerste kennismaking met de gevolgen van een atoomaanval. Een drietal levensgrote poppen loopt door dit kunstmatige inferno. Op zoek naar verbrande of verdampte familie? Of volkomen in shocktoestand, zoals bij velen het geval was? De figuren zien er verschrikkelijk uit. De huid hangt in lappen van dertig, veertig centimeter van de bebloede lichaamsdelen naar beneden. De kleren zijn gescheurd of op het lichaam vastgebrand.
Realiteit
Het schokkende is echter niet eens zozeer het feit dat men dit zo na heeft gebootst, maar veel meer dat dit allemaal realiteit is geweest. Talloze foto's in het museum, vaak ter grootte van anderhalve meter in het vierkant, laten daar geen enkele twijfel over bestaan. De groepen schoolkinderen die lawaaiig en met zakjes snoep in de handen door het museum lopen, onderstrepen met hun kind-zijn nog eens extra de hardheid van de tentoongestelde 'grote-mensen-wereld'.
De Japanners hebben, met de serieusheid die hun eigen is, elk detail van de atoomaanval weergegeven. Uit het vluchtverslag van de "Enola Gay" (genoemd naar de moeder van de piloot), de B-29-bommenwerper die de bom op Hirosjima wierp, blijkt dat het projectiel op een hoogte van 8500 meter werd losgelaten. Het zou precies 43 seconden duren voor hij op een hoogte van 600 meter boven de grond explodeerde.
De gevolgen waren ongelooflijk, zeker naar de maatstaven van die tijd. Direct na de explosie ontstond volgens de gegevens een vuurbal in de lucht van zo'n 300.000 graden Celsius. Met een enorme kracht gierde vervolgens een storm met een temperatuur van zo n 3000 tot 4000 graden over de grond. Wie daaraan werd blootgesteld, verbrandde levend of liep op zijn best ernstige verwondingen op. Hoe fel de hitte was, blijkt uit de tentoongestelde voorwerpen. Hier een stapel aan elkaar gesmolten flessen, daar enkele vervormde bakstenen en dakpannen. De foto's van stapels verbrande lichamen tussen het puin tonen meer dan woorden kunnen zeggen.
Door de luchtdruk bleef in Hirosjima in een straal van 2 kilometer niet één houten huis overeind. Dichterbij hielden ook de betonnen gebouwen geen stand tegen het geweld. Tot op 16 kilometer afstand vlogen er ruiten uit de sponningen. Later kwamen daar de gevolgen van de radioactieve st'raling bij. Uitval van het haar, ingevvandsstoornissen en misvormingen bij het nageslacht zijn maar enkele vooroeelden.
Overlevenden
Nog steeds zijn er mensen die kunnen vertellen hoe zij de gebeurtenissen in Hirosjima of Nagasaki hebben overleefd. Sommigen, zoals Hideyuki Hayashi, hebben hun verhaal schriftelijk vastgelegd. Hayashi was in 1945 onderwijzer op de Yamazato-lagere school te Nagasaki, gebouwd op ongeveer 600 meter van de plaats waar de bom viel. Van de 1581 leerlingen overleefden er nog geen 300. Driekwart van de leerkrachten evenmin.
Op de bewuste dag, 9 augustus 1945, was Hayashi in de ochtenduren bezig met het graven van een schuilplaats voor luchtaanvallen. Eerder op die morgen was er al luchtalarm geweest, maar dat was spoedig overgegaan. De rust op school was echter verdwenen en de leerkrachten besloten geen les meer te geven, maar aan de schuilplaatsen te gaan werken. Rond elf uur hoorde Hayashi het geluid van vliegtuigen. Zonder te kijken dook hij direct in de pasgegraven kuil. Twee collega's vielen over hem heen, mee naar binnen.
Hayashi: „Precies op dat moment scheurde een verschrikkelijke explosie de lucht, alsof er honderd donderslagen tegelijk vielen. Direct daarop stroomde een golf van intense hitte door onze schuilplaats. De vrouwen die achter mij lagen, gilden van pijn. Enkele minuten later kwamen wij drieën uit onze schuilplaats, om alleen maar geschokt naar het schouwspel voor ons te staren. De lucht was die morgen helder geweest, maar binnen enkele minuten was zij bedekt met onheilspellende zwarte wolken, alsof er een regenstorm naderde. We waren echter nog meer geschokt door het zien van onze collega's, die buiten hadden zitten rusten. Op een afzichtelijke manier mismaakt lagen zij verspreid over de grond".
„De gezichten waren zwart verbrand, hun haar zag eruit als een vogelnest en hun kleding was aan flarden gescheurd. Zij waren zo veranderd dat het niet mogelijk was iemand te herkennen. Ik zag iets als vieze vodden van hun armen en benen naar beneden hangen en met afschuw realiseerde ik mij dat het stukken huid waren die los had gelaten. Uit de open wonden kwam bloed sijpelen. Het geschreeuw van de slachtoffers kan ik nu nog horen. Zelfs een kleine brandwondop de punt van een vinger doet al zo'n pijn. Het is moeilijk voor te stellenwat voor pijn brandwonden over het hele lichaam teweegbrengen" (vrije vertaling, WvdK).
Nooit meer
Hayashi eindigt zijn verhaal met een oproep aan de wereld om nooit meer gebruik te maken van kernwapens. „Ik hoop dat jullie diep na zullen denken over wat jullie kunnen doen voor vrede", besluit hij. Het is de Japanse variant van het "nie wieder" dat bij onze oosterburen klinkt, maar dan weer met dat prikkelende verschil dat de Japanners elke verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog achterwege laten.
De manier waarop men in Japan omgaat met de twee atoombom-aanvallen, is geheel doortrokken van de gedachte "dit nooit meer". Dat uit zich ook in de monumenten. In Hirosjima is een heel vredespark, met een vredesfontein, vele vredesstandbeelden, een vredesbel, een vredestoren en een 'eeuwig' brandende vredesvlam. In Nagasaki is het wat dat betreft al niet anders: een vredesfontein markeert de weg langs een rij kleinere en grotere vredesmonumenten. Ook hier ontbreekt de vredesvlam niet.
De monumenten zijn zwaar van optimistische symboliek. Zo is het vuur van de vredesvlam in Nagasaki afkomstig van de berg Olympus in Griekenland. Het verhaal gaat dat in het oude Griekenland alle strijdende partijen stopten met vechten zo lang de olympische vlam voor de spelen brandde. Op het monument, dat in 1987 is opgericht, staat dat dit vuur zal blijven branden totdat ajle atoomwapens uit de wereld zijn verbannen. „In deze vlam wordt de plechtige belofte geboren dat Nagasaki de laatste stad zal blijven die een atoomaanval heeft ondergaan", zo eindigt de tekst.
Gevoelig
Opmerkelijk is het beeld dat de Amerikaanse stad St. Paul, Minnesota, heeft geschonken. Juist het feit dat het door de Amerikanen is gegeven, maakt het emotioneel gevoelig. Het beeld, dat nog geen twee jaar oud is, bestaat uit zeven menselijke figuren die elkaar vasthouden. Zij stellen de zeven continenten voor. De ingesloten ruimte is de aarde. Niet een van de zeven figuren kan gemist worden, want anders stort het geheel in elkaar. De symboliek is duidelijk: vrede en solidariteit op wereldschaal is nodig.
Op een monument in het vredespark in Hirosjima heeft een beroemd Japans dichter, Sankichi Toge geheten, treffend vertolkt hoe veel Japanners het stukje verleden van 6 en 9 augustus 1945 beschouwen. Bijna verongelijkt staan de letters in het graniet gehakt.
Geef terug mijn vader, geef terug mijn moeder
Geef grootvader terug, grootmoeder terug
Geef mijn zonen en dochters terug
Geef mij mijzelf terug
Geef het menselijk ras terug
Zo lang als dit leven duurt, dit leven
Geef vrede terug
Die nooit op zal houden
Op pag. 4 van deze bijlage een fotoreportage over Hirosjima en Nagasaki.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1994
Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1994
Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's