Bekijk het origineel

Oeverwallen, stroomruggen en donken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Oeverwallen, stroomruggen en donken

Rivierenlandschap ontwikkelde zich door samenspel tussen mens en natuur

5 minuten leestijd

Onze grote rivieren en het landschap daaromheen zijn in het verleden vele keren een bron van inspiratie geweest. Vondel schreef een lofzang op de Rijn, Marsman zag „brede rivieren traag door oneindig laagland gaan", Coolen schreef over een dorp aan de rivier, Van Schendels "De Waterman" speelt in het rivierengebied. Verder heb je Herman de Man met "Het wassende water" en niet te vergeten Jac. P. Thijsse, die een Verkadealbum wijdde aan "Onze groote rivieren". Deze interesse laat zich alleen maar verklaren door het feit dat het rivierenlandschap, zoals dit in Nederland voorkomt, eigenlijk ook alleen maar hier bestaat. Hoe uniek is dit landschap (nog)?

Het rivierenlandschap, zoals we dat heden-ten-dage aantreffen in de stroomdalen van Rijn, Lek, Waal, IJssel en Maas, is sterk door de mens bepaald, maar wel door de mens die nog geen heerser over het landschap was. Op tal van plaatsen bijvoorbeeld getuigen wielen van vroegere dijkdoorbraken. De dijken zelf zijn eveneens door de rivier bepaald, want ze volgen nog grotendeels het tracé van de oeverwallen die de stromen in de loop van de eeuwen hebben opgeworpen.

Stroomgeul

Het rivierenlandschap met bijvoorbeeld zomerdijken, uiterwaarden en hoge winterdijken, zoals we die nu kennen, is nog betrekkelijk jong. Voor de dertiende eeuw was er van echte rivierdijken nog geen enkele sprake. Het smeltwater uit de Alpen en het regenwater uit het stroomgebied van Maas en Rijn zocht zich een bedding door het laagland. Het water kwam bij hoge waterstanden vrij buiten de oevers en bouwde daarmee de al eerder genoemde oeverwallen op. Zo waren de rivieren vele eeuwen lang zogenaamde vlechtende rivieren, hun water liep over het zeewaarts hellende land zonder een vaste baan omlaag. Geleidelijk "zetten" de rivieren zich toch; zij vormden hun eigen bedding tussen wallen van grind en zand. En het zijn juist deze oeverwallen die nog zo goed in het landschap te herkennen zijn. Bij hoog water traden de rivieren echter toch buiten de door henzelf opgeworpen oevers en zochten weer een nieuwe weg. Het werden meanderende rivieren, die lussen schuurden aan de buitenkant van de stroomgeul en waarbij de binnenbochten geleidelijk verzandden. De rivieren kronkelden door de brede stroomdalen, maar soms zocht het water de kortste weg en werden lussen afgesneden, die daarna langzaam dichtgroeiden met moerasplanten. Ze oleven evenwel duidelijk herkenbaar in het landschap achter. De verlaten bedding met oeverwallen aan weerszijden noemen we een stroomrug en in de ondergrond van het rivierkleilandschap bevinden zich nog talrijke elkaar kruisende stroomruggen.

Vrij Spel

Bestonden de oeverwallen voornamelijk uit zandige klei of zavel, verder van de rivier afkwam het overstromingswater tot rust en hier bezonken de fijnere kleideeltjes (komgronden). Omdat klei minder massa heeft dan zand, zijn de kommen duidelijk lager dan de oeverwallen. Klei klinkt dan ook meer in. Later is dit hele proces nog eens versterkt door de ontwatering. De drassige komgronden waren dan ook vanouds uitsluitend bruikbaar als hooiland of als weiland of griend.

Al die verschillen in grondsoort, hoogte en afwatering droegen bij tot een rijke verscheidenheid aan natuurlijke milieus, die levenskansen boden aan veel planten en dieren en -niet te vergeten- de mens. Want tijdens de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen kende het gebied nauwelijks begroeiing. De wind had dus vrij spel en liet het binnenbocht: sedimentatie bultenbocht: geulerosie fijne zand uit de drooggevallen rivierbeddingen opstuiven tot duinen of donken. Sommige donken waren zo hoog dat op die plekken in latere tijden nooit veenvorming heeft plaatsgevonden. Juist deze donken werden de eerst bewoonde plekken in de waarden.

Moed

Van een regelmatige bewoning in het rivierenland is pas sprake in de periode tussen 1800 en 800 voor Chr. De mensen bewoonden toen de hoogste punten in het landschap: oeverwallen, stroomruggen en donken. Op deze plaatsen zijn in de waarden dan ook nu nog de oudste dorpen en wegen te vinden. Tussen 800 voor Chr. en het begin van de jaartelling schijnt het merendeel van de bewoners weggetrokken te zijn ten gevolge van hoge waterstanden, maar in de Romeinse periode, de eerste twee eeuwen na Chr., trad een massale vestiging op van Nijmegen via Utrecht naar Katwijk. De Romeinse schrijver Tacitus zegt dan ook: „Van al die volkeren onderscheiden zich door hun moed de Bataven, die niet alleen de oevers maar ook het eiland tussen de armen van de Rijn bewonen". Daarna wisselde het aan tal bewoners sterk, afhankelijk van het aantal overstromingen.

Tussen 200 en 250 na Chr. is men op grote schaal uit het rivierengebied weggetrokken. Uit bodemonderzoek Blokdiagram van een meanderende riis gebleken dat in die tijd veel materiaal is afgezet, met andere woorden: er waren veel overstromingen.

De eerste dijken werden aangelegd in het begin van de negende eeuw, maar het waren geen dijken parallel aan de rivier. Ze stonden min of meer haaks op de oeverwal. Ze hadden dan ook niet het doel om het rivierwater te keren, maar ze moesten het afstromende regenwater van de hoger gelegen stukken grond tegenhouden.

Deze kaden of "sijtwinden" werden pas later gevolgd door achterkaden of "beringen", waardoor de eerste primitieve rivierpolders ontstonden. Omstreeks het jaar 1000 begon men met het opvullen en ophogen van de lage delen van de oeverwallen. Pas tussen 1300 en 1350 was er sprake van echte, door gesloten ringdijken beveiligde rivierpolders. Daarmee waren dan de grote rivieren in hun loop gefixeerd. Het huidige landschap ontstond: door dijken beteugelde rivieren, nog zonder kribben maar wel omzoomd door groene uiterwaarden.

Juist door de bedijking namen de gevaren voor de mensen snel toe. Het water dat door de dijk heenbrak, kolkte achter de dijk een diep gat uit. Zo'n kolkgat wordt een wiel of waai genoemd. Het oeverwalmateriaal werd rondom zo'n wiel afgezet en zo ontstonden de waaiervormige zandige afzettingen die we overslaggronden noemen. De boomgaarden die het rivierenlandschap zijn toeristische bekendheid gegeven hebben, zijn op deze vruchtbare gronden aangelegd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1994

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Oeverwallen, stroomruggen en donken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1994

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken