Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Cowper en de strijd van het geloof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Cowper en de strijd van het geloof

Het moeilijke leven van een groot dichter van geestelijke liederen

10 minuten leestijd

William Cowper is de dichter van heel wat prachtige, geestelijke liederen. Liederen die hun weg gevonden hebben naar verschillende bundels, onder andere de bundel “Gadsby’s Hymns” die destijds door ds. J. C. Philpot werd samengesteld uit liederen van Watts, Newton, Hart, Gadsby, Cowper, Berridge en anderen. In de liederen van Cowper vinden we zijn moeilijke levensgang en zijn strijd weerspiegeld. Nóg zijn ze actueel.

William Cowper was afkomstig uit een intellectueel milieu. Zijn vader, John Cowper, was predikant van West Berkhampstead in Engeland. Hij was een geleerd man: doctor in de theologie. En zijn grootvader. Spencer Cowper, was rechter. Zijn moeder was Anne Donne uit Ludham Hall in Norfolk. Op 15 november 1731 zag William Cowper het levenslicht in de pastorie van West Berhamstead. Toen in 1737 Williams broertje John geboren werd, stierf moeder Cowper. Later herinnerde William zich zijn moeder als een hele lieve vrouw: hij heeft haar zijn leven gemist.

Kort daarna stuurde zijn vader hem naar een kostschool in Market Street, Hertfordshire. Daar werd hij door een medeleerling erg geterroriseerd, totdat dit werd ontdekt en men deze jongen van school stuurde. William bleef evenmin op die school. Toen hij 10 jaar geworden was, werd hij “overgeplaatst” naar de Westminster School, echt een eliteschool. Daar leerde hij heel wat jongens kennen die later belangrijke plaatsen zouden innemen in staat en kerk. Hij kreeg daar een goede opleiding, maar gelukkig was hij er niet.

De gevoelige jongen miste zijn lieve moeder en de sfeer op de kostscholen die hij bezocht stond hem niet aan. Levenslang heeft hij een grote weerzin gekend tegen het stelsel van deze Engelse “public schools”. Het godsdienstig onderricht was minimaal, verleidingen tot zonde waren er in overvloed. Zelf heeft hij later bekend „dat hij toen zeer bedreven was in de helse kunst van het liegen”. Daar, in Westminster, kreeg hij belangstelling voor de letterkunde. Al jong schreef hij goede Latijnse verzen. Overigens stond hij bekend als een jongen die goed mee kon komen bij de verplichte sportbeoefening.

Kantoorbediende

Toen William Cowper 18 jaar geworden was, verliet hij de Westminster School om voor drie jaar een betrekking aan te nemen. Hij werd klerk bij een zekere Chapman, advocaat en procureur (“solicitor”), bij wie hij in huis woonde. Heel dikwijls was hij bij zijn oom, Ashley Cowper in Southampton Row. Vaak nam hij zijn vriend Thurlow, de latere kanselier, daarheen mee.

Cowper kon goed opschieten met zijn drie nichten. In 1752 verliet hij Chapmans kantoor en in 1754 vestigde hij zich als zelfstandig “solicitor”. Het alleen op kamers wonen was moeilijk voor hem: hij werd er depressief van. Hij zocht troost „in de religie”, maar later verbrandde hij de gebeden die hij had opgeschreven. In 1756 stierf zijn vader, zodat zijn ouderlijk huis geheel wegviel.

In 1759 kocht hij een appartement in de Inner Temple, waar de gerechtshoven in Londen zijn. Kort daarna werd hij benoemd tot “beredderaar van faillissementen”. In de jaren daarvoor vatte hij liefde op voor zijn nicht Theadora Cowper. Zij beantwoordde die liefde wel, maar haar vader wilde er niets van weten. Ten eerste vanwege de familiebetrekking tussen beide jonge mensen, maar ook vanwege de depressies waaraan William geregeld ten prooi viel.

Toen een huwelijk met Theadora zodoende onmogelijk bleek, spraken zij en William af elkaar niet meer te ontmoeten. Daar hebben ze zich aan gehouden. Theadora bleef William liefhebben, en ze is nooit getrouwd. William stuurde haar soms gedichten, die ze als kostbare schatten bewaarde. Theadora is oud geworden, maar in een sombere gemoedstoestand. Kennelijk heeft William minder onder deze zaak geleden dan Theadora.

Zorgeloze jaren

Hij leefde toen tamelijk zorgeloos, met meer aandacht voor de letterkunde dan voor zijn beroep. Zo hield hij zich bezig met het vertalen van de werken van Homerus en Horatius. Hij was lid van de “Nonsense Club” (de Onzin Club!) wat wel iets zegt over zijn gemis aan levensernst in die jaren. Later schreef hij „dat hij in die jaren God geheel vergeten was, en dat hij ook bijzonder verhard was”.

In ongeveer 1763 kwam daar verandering in. Hij, die tevoren gespot had met alle ware religie, kreeg nu te ervaren dat hij zonder God en zonder hoop leefde. Zijn neef Martin Madan, een losbol als hij, die bekeerd werd onder een preek over „schik u om uw God te ontmoeten” (Amos 4:12), werd gebruikt om William Cowper af te brengen van zijn vroegere goddeloosheid, spot en ongeloof.

Zakelijk was hij weinig succesvol, door zijn gebrek aan aandacht voor zijn beroep. Zo zag hij er erg tegenop examens af te leggen ten overstaan van leden van het Hogerhuis, de Engelse Eerste Kamer. Hij zag daar daarom van af. In 1763 was het nodig een langdurig bezoek te brengen aan de badplaats Margate, vanwege zijn slechte gezondheid. Daar knapte hij inderdaad wat op.

In december 1793 werd Cowper opgenomen in een kliniek in St. Albans. De geneesheer daar, dr. Nathaniel Cotton, behandelde hem met verstand en tact, en dat in een tijd dat de psychiatrie nog niet eens in de kinderschoenen stond! Na vijf maanden ging het wat beter, maar Cowper bleef nog een jaar in St. Albans. Op 17 juni 1765 vertrok hij uit de kliniek naar Huntingdon, waar zijn broer John kamers voor hem had gevonden.

De familie Unwin

In die tijd leerde hij ds. Morley Unwin en diens gezin kennen. Met hen ontstond een hechte vriendschap. Ze hebben veel voor Cowper betekend. Cowper kon niet goed met geld omgaan, en daardoor was hij doorlopend in geldelijke moeilijkheden. De Unwins boden hem aan bij hen in huis te komen als kostganger, wat Cowper graag aanvaarde. Ds. Unwin had een echt christelijk gezin. De dag werd begonnen en geëindigd met gebed, schriftlezing en zingen. Verder las men goede boeken, waarover men met elkaar sprak. De ziel van het gezin was de vrouw des huizes, mevrouw Mary Unwin, een vrome vrouw met een ruime ontwikkeling en een goed geestelijk oordeel.

Op 2 juli 1767 stierf ds. Unwin tengevolge van een val van zijn paard. Besloten werd dat Cowper in het huis van de familie Unwin kon blijven wonen.

Naar Olney

Er bestonden vriendschapsbanden tussen de families Unwin en Newton. Ds. John Newton, de bekeerde slavenkoopman, was toen hulpprediker te Olney in Buckinghamshire. Daar mevrouw Unwin niet in de pastorie van Huntingdon kon blijven wonen, werd er gezocht naar een andere woning. Ds. Newton vond die, een mooie ruime woning in Olney, “Orchard Side”. Ook Cowper verhuisde mee. Het huis in Olney lag in het midden van het dorp, dat aan drie zijden werd omringd door de rivier Ouse. Cowper vond het „een goede rivier, beter dan al de wateren van Damascus bij elkaar!”

Ds. Newton had een gunstige mening over Cowper, al zag hij wel dat goede en vaste leiding nodig was en bleef. Na enige tijd liet hij Cowper min of meer dienst doen als zijn helper in bidstonden, bij ziekenbezoek en begrafenissen. Te Olney genoot Cowper al gauw veel respect, men noemde hem “Sir Cowper”. Op 20 maart 1770 stierf Cowpers enige broer, die veel voor hem betekend had.

Cowper was de laatste maand van het leven van zijn broer steeds bij hem geweest, en zodoende was hij getuige van zijn godvruchtig afsterven. Hij heeft dat ziek- en sterfbed beschreven. Dat geschrift is pas in 1802 door ds. Newton uitgegeven. In die jaren begon de dichterlijk rijk begaafde Cowper op aansporing van ds. Newton met het schrijven van geestelijke liederen.

Deze “Olney Hymns”, die voor het eerst in 1779 werden gedrukt, werden zeer goed ontvangen. In 1836 kwam de 37e druk ervan van de pers! Bovendien vonden vele van deze liederen hun weg naar andere liederenbundels. Een schaduwzijde is wel dat mede door de opkomst van het methodisme het zingen van de berijmde psalmen in Engeland grotendeels verdwenen is. Dit in tegenstelling tot Schotland.

Men beweert dat Cowper nog op het punt heeft gestaan met mevrouw Unwin te trouwen, hoewel Southey, die Cowpers leven uitvoerig beschreven heeft, dit ontkent. Er is in elk geval niets van een huwelijk gekomen, doordat Cowper in januari 1773 opnieuw depressief werd. Pas in mei 1774 verbeterde zijn toestand. Ds. Newton en mevrouw Unwin hebben in die donkere periode veel voor Cowper betekend.

Vijanden van de religie zoals die in deze kring werd beleefd, hebben wel gesuggereerd dat de psychische moeilijkheden van William Cowper het gevolg waren van „het opdringen door ds. Newton van zwaarmoedige godsdienstige denkbeelden”. Dit wordt door niets gesteund.

Vertrek ds. Newton

In 1779 nam ds. Newton het beroep aan naar de kerk van St. Mary Woolnoth in Londen. Dat was voor Cowper een hele verandering. Na zijn herstel in het voorjaar van 1774 begreep hij dat hij geregelde, rustige bezigheden moest hebben. Zo ging hij in de tuin werken, tekenen, en opnieuw geestelijke en andere gedichten schrijven. Ook bouwde hij in de tuin een zomerhuisje, dat nog bestaat. Mevrouw Unwin moedigde hem aan niet alleen liederen te schrijven, maar ook verhandelingen over allerlei onderwerpen. Cowper deed dit, en zo verschenen van zijn hand “De voortgang van de dwaling”, “De waarheid” en Tafelgesprekken”. Ze werden door bemiddeling van ds. Newton uitgegeven. In zijn geschriften keerde hij zich tegen het teloorgaan van de oudengelse eenvoud, en het najagen van luxe en weelde. Dat schijnt een internationaal verschijnsel te zijn geweest, want ook heel wat Nederlandse predikanten uit die tijd moesten waarschuwen tegen opkomende weeldezucht. Kritiek daarop bleef niet uit: men verweet Cowper „als een vrome kluizenaar te schrijven over een wereld die hij niet kende”. De Amerikaanse staatsman Benjamin Franklin daarentegen, die toen in Frankrijk vertoefde, schreef een waarderende brief aan Cowper naar aanleiding van diens geschriften.

In 1787 verkeerde William Cowper een halfjaar lang in een diepe depressie. Hij kwam daar grotendeels uit, maar niet helemaal. Hij beweerde stemmen te horen, en dingen te zien die er niet waren. Maar in dit alles bleef de vroomheid des harten bewaard. Men zocht gaarne zijn gezelschap vanwege zijn geestelijke gesprekken, maar ook vanwege zijn boeiende conversatie over allerlei onderwerpen. Cowper is kennelijk een hoogbegaafd man geweest, die daardoor op eenzame Hoogte stond, maar die tevens zeer gesteld was op werkelijke vriendschap.

In die jaren ging de gezondheid van mevrouw Unwin steeds verder achteruit door verlammingsverschijnselen. Op 17 december 1796 stierf ze in Dereham, aan de kust van Norfolk.

Levenseinde

Ook Cowper zou niet lang meer leven. Zijn gezondheid was in de laatste jaren redelijk, maar geestelijk had hij het vaak moeilijk. In het voorjaar van 1798 schreef hij zijn laatste gedicht, met een aangrijpende inhoud. Het heette “de verworpene” (The Castaway). Cowper werd er namelijk vaak mee aangevallen dat hij een verworpene was. Als we zijn gedichten lezen moeten we tot de conclusie komen dat hij veel werd gekweld door ongegronde zwaarmoedigheid. Zo’n psychische aandoening staat niet altijd geheel los van iemands geestelijke staat, maar we moeten zwaarmoedigheid ook niet verwarren met het werk van Gods Geest in het voortgaand overtuigen van zonde.

William Cowper stierf op 25 april 1800. Zijn einde was vrede. In Engelssprekende landen kent men tot op heden zijn naam als de dichter van onvergelijkelijk schone geestelijke liederen. We treffen er in aan geloof in beoefening, het besef van eigen zwakheid, roemen in het kruis (de hoogste stand in het genadeleven!) en zuchten om genade bij de voortduur. Licht en schaduw, op.en neer lagen bij Cowper vlak bij elkaar, zoals we dat zo vaak aantreflPen in het geestelijke leven van de kerk van alle eeuwen. In de bundel “Gadsby’s Hymns” van de Strict Baptists zijn elf liederen van Cowper opgenomen. Het zijn zonder uitzondering diep-geestelijke gedichten, doorvoeld tot en met.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Cowper en de strijd van het geloof

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken