Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Soekarno Boeng Karno

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Soekarno Boeng Karno

12 minuten leestijd

Het was een kwestje van nu of nooit. “Wij, het volk van Indonesië, verklaren Indonesië hierbij onafhankelijk. Aangelegenheden met betrekking tot de overdracht van de macht en andere kwesties zullen op ordelijke wijze en zo snel mogelijk worden geregeld”. Namens het Indonesische volk (w.g.) Sukarno, Hatta”. Woorden, gekrabbeld op een afgescheurd blad, voorgelezen op de ochtend van 17 augustus 1945. De strekking ervan was afkomstig van Boeng (broeder) Karno, de Javaanse jongen met de katoenfluwelen pitji zwierig schuin op het hoofd, die de geschiedenis van Nederlands-Indië een beslissende draai gaf.

Koesno Sosro Soekarno werd op 6 juni 1901 in Soerabaja geboren uit een Javaanse vader en een Balinese moeder. Zijn eerste twee namen bleven spoedig achterwege en zoals gebruikelijk in de Javaanse traditie heette het kind simpelweg Soekarno, noteert J. D. Legge in zijn ”Sukarno. A political biography” (1972). Karno staat voor broer, het voorvoegsel Su is goed, best.

Trots meldt Soekarno in zijn autobiografie, die hij in 1965 door de Amerikaanse journaliste Cindy Adams liet optekenen, dat Sukarno de goede, beste held betekent. “Op school moest ik mijn naam met oe spellen — de Nederlandse schrijfwijze. Toen Indonesië onafhankelijk werd, heb ik opdracht gegeven alle oe’s weer terug te veranderen in u. Daarom is de juiste spelling van mijn naam thans Sukarno. Maar het is moeilijk om na zo’n vijftig jaar je handtekening te veranderen, daarom schrijf ik, als ik stukken moet ondertekenen, nog altijd Soe”.

Herinnering

Officieel is Soekarno vergeten. Maar de voorspelling op 25 mei 1926 van de rector magnificus prof. ir. G. Klopper van de Bandoengse Technische Hogeschool werd bewaarheid. “Ir. Soekarno. Een diploma is een vergankelijk stuk papier. Het is niet onsterfelijk. Bedenk dat alleen het karakter van een mens eeuwig is. De herinnering daaraan duurt voort lang nadat hij is gestorven”.

Sporadisch wordt Soekarno in gunstige zin genoemd sinds hij op 21 juni 1970 op 69-jarige leeftijd aan een nieraandoening overleed. Aanbeden als de visionaire leider door wie Indonesië zich ontworstelde aan de koloniale greep van Nederland, liet hij bij zijn dood een economisch onttakeld land achter.

Dat vormt nog altijd de grondslag voor het huidige regime-Soeharto om zich te legitimeren. Tegelijk stijft het velen in hun opvatting dat de omstreden avonturier Soekarno na alle voorgaande gebeurtenissen terecht wordt verguisd. Al ligt die mening de laatste weken weer onder vuur, sinds de Brabantse bisschop mgr. Muskens onlangs de politionele acties in de jaren veertig een tragische vergissing noemde en voor eerherstel van Soekarno pleitte, omdat wij sowieso “niet om de betekenis van Soekarno heen kunnen”.

Haatzaai

Soekarno-Sukarno. Hij behoorde tot de generatie Indonesiërs die door het westerse onderwijs hun eigen positie van onderwerping aan een niet-Indonesisch bewind gewaar werden. Elke middelbare scholier van Indonesische origine was nationalist en Soekarno was daarin niet ongewoon.

Vooraanstaande nationalisten als Hatta en Sjahrir waren allen rond de dertig toen ze in de boeien werden geslagen. In 1929 werd Soekarno, inmiddels leider van de in 1927 opgerichte Partai Nasional Indonesia, opgepakt omdat hij onder meer de Haatzaai-artikelen 161, 171 en 153 had geschonden.

Beroemd werd zijn in de cel geschreven pamflet “Indonesië beschuldigt”, een vlammende verhandeling over het kolonialisme. Het was de kern van zijn twee dagen durende verdediging op 18 augustus 1930 ten overstaan van de rechtbankpresident mr. R. Siegenbeek van Heukelom. Een gelegenheid die Soekarno aangreep om de zaak van het nationalisme scherp en dramatisch naar voren te brengen. En dat terwijl niemand minder dan Colijn in 1929 had beweerd dat het Nederlandse gezag in Indië altijd zou voortduren, “zoals de Mont Blanc altijd in de Alpen blijft”.

Redenaar

Tekende Sjahrir zijn (gereviseerde) overpeinzingen deels in het ontoegankelijke interneringsoord Boven-Digoel op, Soekarno verlichtte zijn desolate ballingschap op het eiland Flores met toneelvoorstellingen. In Nederlandse ogen schuilde het grote gevaar van Soekarno, meer dan bij de intellectuelen Hatta en Sjahrir, in zijn enorme redenaarstalent.

Mensen als Hatta en Sjahrir waren gematigde denkers die hun zinnen zorgvuldig wikten en wogen. De oratorisch begaafde Soekarno wist echter als geen ander het volk te bespelen en op te zetten tegen blanke, besproete, rossige Hollanders.

“Ik kende maar één doel in het leven: de massa’s dronken te maken met de koppige wijn van de bezieling. Voor mij was het een elixer. Als ik over mijn land spreek, raak ik opgewonden. Ik word dichterlijk. Lyrisch. Ik raak helemaal buiten mezelf en breng die toestand over op mijn luisteraars”.

Snel groeide Soekarno uit tot een charismatisch leider die met zijn feilloze Fingerspitzengefühl de verbinding legde tussen de Javaanse wereldbeschouwing en het westerse denken. Het was de basis van zijn relatie met het volk. Al in de jaren twintig toonde Soekarno het vermogen om ideologische conflicten te bemantelen. Hij poogde voor alles het Indonesische volk als één man achter de leuze van merdeka, vrijheid, te krijgen. Aan het begin van zijn politieke loopbaan ontwikkelde hij ideeën die dertig jaar later terugkwamen.

Marhaenist

In tegenstelling tot Sjahrir wenste Soekarno niet met Nederland samen te werken. Een “non-coöperator” was hij. In een vroeg stadium ontwierp hij het marhaenisme, genoemd naar de eerste de beste schoffelende boer die hij op een zonnige spijbeldag op een rijstveld aantrof “Een marhaenist is iemand die bijna geen geld heeft: een kleine man met weinig bezittingen; weinig gereedschap, net genoeg voor zichzelf”. Zo werd de pauper Marhaen pardoes tot het symbool van het Indonesische praktische socialisme verheven.

In 1926 predikte Soekarno het “geleide nationalisme”, nadat hij zijn publiek eerst van zijn identiteit bewust had gemaakt. Omdat in de archipel zo’n 86 verschillende talen werden gesproken, juichte hij de invoering van het Bahasa Indonesia toe, de taal van de adel. “Het moet zo worden dat de marhaen en de aristocraat tot elkaar kunnen spreken”.

Het tweede facet van “mijn driedimensionale rijpwording” was het theïsme. “Volgens mij hield vrijheid voor de mensheid tevens vrijheid van godsdienst in”. Qua ideologie beschouwde Soekarno zich als een socialist, want “nationalisme zonder sociale rechtvaardigheid heeft geen bestaansgrond”. In de jaren vijftig presenteerde hij dat uiteindelijk in de allesomvattende Nasakom-gedachte.

De drie pijlers van het land waren voortaan de Nas (de niet-communistische nationalisten), de Agama (vertegenwoordigt de anticommunistische godsdienstigen) en de Kom van de Communistische partij.

Pantja Sila

Ondanks zijn frivole levenswandel —zijn vertogen over het nut der vrouw zijn legendarisch— was Soekarno (zesmaal officieel gehuwd) een toegewijd islamiet.

“Een belangrijke verdienste van hem is het formuleren van de Pantja Sila, de vijf zuilen”, aldus de Leidse hoogleraar in de geschiedenis van Indonesië prof. dr. mr. C. Fasseur. “Met name het beginsel van verdraagzaamheid, het geloof in een god dat tegelijk ruimte laat voor andere religieuze levensovertuigingen, heeft het fundamentalisme vroegtijdig voorkomen. Als de islamitische groepering in 1945 aan het langste eind had getrokken, was dat een aanzet geweest tot het fundamentalisme zoals je dat nu in Algerije en Iran ziet. Indonesië maakt daar dankzij de staatsfilosofie van de Pantja Sila een verheugende uitzondering op”.

Soekarno’s tweede verdienste is dat hij erin slaagde zijn volk de onafhankelijkheid te geven. De strijd die hij vanaf 1927 voerde, culmineerde in de soevereiniteitsoverdracht van 1949. Fasseur: “Er valt natuurlijk veel op de gang van zaken aan te merken. Soekarno heeft in de oorlogsjaren met de Japanners gecollaboreerd. Hoewel de Indonesiërs er niet aan twijfelen dat hij dat deed uit de overtuiging dat het met Japan mogelijk was de zelfstandigheid te verwerven. Hij collaboreerde niet omdat hij zo pro-Japans was, maar omdat hij pro-Indonesisch was”.

Dat kwam hem duur te staan. “Soekarno had in 1950 bijvoorbeeld graag een staats-bezoek aan Nederland gebracht. Maar dat was voor Nederland volstrekt onmogelijk. De Tweede Wereldoorlog was net voorbij, Soekarno had zich pro-Japans opgesteld en al was dat vanuit zijn positie te billijken, voor veel Nederlanders gold hij toch als een soort Indonesische Mussert”.

Redelijk tolerant

Een derde verdienste is dat Soekarno zich van 1950 tot 1957 als constitutioneel president heeft gedragen, “Voor menig zelfstandig Aziatisch of Afrikaans land was het een bijzonderheid als een president zich keurig aan de regels hield. Net zoals de meeste politici de overtuiging hebben dat ze het beter weten dan de meeste andere, wilde Soekarno best anders. Hij had natuurlijk in 1950 al de positie van almachtig president willen vervullen. Niettemin duurde het tot 1957, toen Indonesië een burgeroorlog nabij was, voordat Soekarno naar voren trad met zijn “geleide democratie”. De grondwet van 1950 werd in 1959 buiten werking gesteld, de constitutie van 1945 met zijn sterk presidentiële gezag heringevoerd”, legt Fasseur uit.

Dat neemt niet weg dat Soekarno er tot zijn val in 1965 in slaagde te regeren zonder dat duizenden onder terreur zuchtten, in kerkers verdwenen of een erger lot kregen. “Met alle bezwaren die tegen het bewind-Soekarno zijn in te brengen, kan het een redelijk tolerant regime worden genoemd, waarbij weinig slachtoffers zijn gevallen. Je had niet op grote schaal gevangenen of politieke liquidaties”, concludeert de Leidse indoloog, die er meteen aan toevoegt dat het bewind van Soekarno beslist geen “prettige, ontspannen” democratie was.

Ten slotte was het een verdienste van Soekarno dat hij Nieuw-Guinea aan de Nederlanders wist te ontfutselen. Fasseur: “Nu kun je daar als Nederlander anders over denken, maar als je het vanuit Indonesisch standpunt bekijkt, leverde Soekarno in dit opzicht een aardige prestatie door de hele vroegere Indische archipel aan elkaar te smeden”.

Faillissement

Ronduit een zwak punt van Soekarno was zijn geringe belangstelling voor economische vraagstukken. Professor Fasseur: “Hij was voor alles de politicus die Indonesië als het ware als politieke natie wilde ontwikkelen. Anders dan Hatta en Sjahrir interesseerde de economische ontwikkeling hem nauwelijks. De ideale politieke burger was de eenvoudige Marhaen, de landman die zijn akker ploegde, loyaal tegenover de regering en zeer loyaal tegenover Soekarno stond, zonder zich al te veel met de politiek in te laten. Na 1955 sloeg de Verelendung toe. Er ontstonden situaties waardoor Indonesië in 1965/66, met Soeharto aan het roer, economisch achterlijk was en aan de rand van het faillissement verkeerde”.

“Zolang Verelendung ertoe leidde dat het volk rijp werd voor revolutionaire gedachten die met de zijne strookten, vond Soekarno dat prima. Hij achtte een politiek bewust volk belangrijker dan een economisch voldaan en ingedut volk, dat daardoor zijn politieke belangstelling verloor. De Japanners hadden vanaf 1942 de Indonesiërs proberen te mobiliseren voor de Japanse oorlogsinspanning. Soekarno voelde zich hier karakterologisch beter bij thuis dan bij de Nederlandse idee van rust en orde, waarbij de bevolking geen eigen dynamiek werd gegund”.

Frappant genoeg is de toenmalige Nederlandse benadering weer de benadering van de huidige Indonesische machthebbers, signaleert Fasseur, “Zij hanteren het adagium van ontwikkel het land, maar veeg vooral politieke issues onder tafel. Vandaar dat de nieuwe orde van Soeharto de oude orde is van Nederland. Vandaar dat Jakarta zo goed uit de voeten kan met die oude Nederlandse wetgeving op het terrein van het Wetboek van Strafrecht uit 1918. Daar staan drukpersrestricties en bepalingen over haat zaaien tussen bevolkingsgroepen in die nog steeds zonder meer worden toegepast”.

Riskante politiek

Zodra de hachelijke kwestie rond Nieuw-Guinea voorbij was, hoefde Soekarno de Amerikanen niet meer te vriend te houden en richtte hij zijn blik op de wereld om hem heen. Zijn linkse sympathieën deden hem daarna afglijden op het pad van China, Noord-Korea en Vietnam. Wat Mao met zijn communistische revolutie beoogde en tot stand bracht, vond Soekarno indrukwekkend.

In internationaal opzicht stond Jakarta alleen door Soekarno’s besluit uit de Verenigde Naties te treden en zijn riskante confrontatiepolitiek met notabene het mede-Aziatische land Maleisië. Op nationaal niveau sloeg ondertussen de polarisatie toe die Soekarno zo lang met zijn persoonlijkheid had gemaskeerd. De tegenstelling tussen de islam, de strijdkrachten en de communisten mondde uit in een vulkaanuitbarsting die die van de Krakatau in 1883 qua intensiteit evenaarde. Honderdduizenden verloren het leven. Wat bezielde de man die op 22 februari 1967 zijn eigen akte van abdicatie voorlas?

Fasseur: “Soekarno wilde geen partij kiezen. Hij wou het leger, de communisten en in zekere zin ook de islamieten te vriend houden. Op het moment dat hij bij voorbeeld de kant van het leger had gekozen, zou hij de gevangene van de strijdkrachten zijn geworden. Stel dat hij had overwogen de kant van de communisten te kiezen, dan had hij zich aan hen uitgeleverd. Zijn kracht lag er juist in al die partijen die in feite niet wisten waar ze aan toe waren onderling verdeeld te houden. Ze probeerden de macht te verwerven, daarvoor was Soekarno onmisbaar, maar Soekarno weigerde zich aan een van de drie partijen van dat nieuwe Indonesië te binden, want daaraan ontleende hij zijn macht”.

“Op korte termijn was dat een begrijpelijke machtspolitiek, maar op-het moment dat hij wegviel, dreigde het gevaar van een afrekening zonder weerga. Het is dan toch de grote tekortkoming van Soekarno geweest dat-ie in feite de na-ons-de-zond-vloedpolitiek volgde en daarmee zijn eigen belangen liet prevaleren boven de belangen van een stabiele republiek”.

Vader des vaderlands

“Zeker is dat Soekarno een onverantwoordelijke politiek bedreef door vanaf 1963 tot zijn val eind 1965 zoveel nadruk te leggen op de rol van de communisten. In dat jaar zette Soekarno zijn kaarten op de PKI. De islam was naar de achtergrond gedrukt en Soekarno werd des te meer afhankelijk van de communisten. Dat was uiterst bedreigend voor de positie van de niet-communisten. Soekarno sprong nonchalant om met de angst die er bij de militairen voor het communistische spook leefde. Hij heeft totaal niet geprobeerd die angst te dempen, integendeel. Dat leidde tot de vergelding van eind 1965”, besluit Fasseur.

Als, kortom, de journalist Willem Oltmans in HP/De Tijd (30 juni 1995) naar aanleiding van vijftig jaar Indonesische onafhankelijkheid oproept voor rehabilitatie van de spreekbuis van het Indonesische volk, haalt Fasseur zijn schouders op. “Over de historische erkenning van Soekarno als de Indonesische vader des vaderlands bestaat immers unanimiteit. Zijn grote rol in de onafhankelijkheid van het land wordt algemeen erkend. Dat betekent niet dat je hem daarmee op een voetstuk moet plaatsen of je blind moet staren op de dingen die hij niet goed deed”.

Mede n.a.v. “De weg naar het paradijs en andere Indische geschiedenissen”, door C. Fasseur, uitg. Bert Bakker Amsterdam, 1995, 314 blz.; ƒ 45,-.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1995

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Soekarno Boeng Karno

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1995

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken