Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kloppend hart van Isaraëls religie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kloppend hart van Isaraëls religie

6 minuten leestijd

Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in”. Hoe vaak worden deze woorden uit Psalm 122 niet gezongen tijdens onze kerkdiensten. Wij vertolken er de vreugde en de dankbaarheid mee voor het feit dal we met de gemeente mogen samenkomen. We beseffen dat we nergens beter kunnen zijn dan in Gods huis en al zingend weten wc ons verbonden met miljoenen christenen in deze wereld, voor wie de ’s zondagse kerkgang ook een onmisbare krachtbron is.

Psalm 122 is ons zo vertrouwd geworden, dat we bijna zouden vergeten waar dit lied zijn oorsprong heeft. Het is een van de zogeheten liederen Hammaäloth. Zo worden de Psalmen 120-1 34 getypeerd. Letterlijk betekent dat Hebreeuwse woord ”opgangen”.

De liederen van de opgangen werden gezongen door de pelgrims, die vanuit de dorpen en steden van Israël optrokken naar Jeruzalem om daar bij de tempel hun feesten te vieren. Dat ”opgaan” moet allereerst letterlijk verstaan worden. De tocht naar de heilige stad was zwaar en vermoeiend, want Jeruzalem is hooggelegen.

Wie vanuit het huidige Haifa of Tel Aviv vertrekt, moet niet minder dan 800 meter klimmen om de muren en de poorten van Jeruzalem voor zich te zien liggen. Geloof maar dat de feestgangers vaak afgemat en uitgeput waren. Dagenlang moesten ze reizen onder een schroeiend hete zon, over stoffige en onbegaanbare paden.

Maar behalve de letterlijke betekenis klinkt er nog iets anders mee in dat woord Hammaäloth. Want al klimmend over de bergen rond Jeruzalem had men ook het besef dat men opging tot God.

Tijdens de feesten in de heilige stad was er de vreugde van het nabij God te mogen zijn. Vandaar het brandende verlangen om ’s Heeren voorhof in te treên.

Wij hebben van het woord ”opgangsliederen” nog een vaste uitdrukking overgehouden. Als wij ’s zondags naar de kerk gaan, spreken we ook dikwijls over ”opgaan”.

Cultisch centrum

Jeruzalem was het centrum van de godsdienst van Israël. Het hart van iedere vrome Israëliet ging uit naar het heiligdom, dat symbool was voor de aanwezigheid van God. In Salems stad en tempelhof wilde de Heere wonen te midden van zijn volk, zoals de berijmde Psalm 48 het zo mooi uitdrukt. Hier werd de lofzang gaande gehouden, de schuld beleden. Hier werden de offers gebracht, werd de dienst der verzoening voltrokken.

Nadat de cultus zich gedurende lange tijd had afgespeeld bij de tabernakel, mocht koning Salomo voor de Heere een huis bouwen op de heilige berg, de berg Sion. Tijdens de val van Jeruzalem in 586 werd ook de tempel door de Babyloniërs verwoest. Het Godshuis ging in vlammen op.

Na terugkeer uit de ballingschap probeerden de joden hun heiligdom weer in oude luister te herstellen. Dat is echter maar zeer ten dele gelukt. Een ingrijpende vergroting en verfraaiing van de tempel vond plaats onder koning Herodes de Grote, die daarmee beoogde het joodse volk voor zich in te winnen. Kosten noch moeiten werden gespaard. In het jaar 70 na Chr. ging echter ook dit magistrale bouwwerk ten onder door het geweld van de Romeinse legers.

Dubbele achtergrond

Voor welke feesten moest de reis naar Jeruzalem gemaakt worden? Pasen, Pinksteren en Loofhutten. Of, op zijn joods gezegd: Pesach, Sjavoeoth en Soekkoth. Men spreekt wel van de drie opgangsfeesten of pelgrimsfeesten. In Exodus 23 wordt het nadrukkelijk gezegd: Drie malen in het jaar zult gij Mij feest houden (vs. 14). Drie malen per jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heere HEERE verschijnen (vs. 17).

Ieder werd geacht huis en haard te verlaten en de reis naar de Godsstad te maken. Het opmerkelijke van deze feesten is dat ze een dubbele betekenis hebben. Er is zowel een agrarische als een cultische achtergrond aanwijsbaar.

Enerzijds zijn de opgangsfeesten verbonden met de landbouw in Palestina. Daarnaast herinneren deze feesten ook aan een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van Israël.

Jeruzalem vandaag

Jeruzalem, tempelstad. Kloppend hart van Israels religie. Eeuwenlang door de heidenen vertreden. Eindelijk weer in joodse handen. In onze eeuw herrezen en herbouwd. Maar een heiligdom zoals eertijds is er niet meer. Op de plaats van de tempel staat een gebedshuis voor Allah, de Koepel van de Rots. Van het trotse tempelcomplex staat alleen nog de westelijke muur overeind, de Klaagmuur.

Nog altijd viert het jodendom de drie opgangsfeesten, maar noodgedwongen heeft men er een andere invulling aan moeten geven. De offerdienst heeft opgehouden en is nooit hervat. Van een optrekken naar de Godsstad voor het vieren van de feesten is geen sprake meer. De synagoge heeft de tempel vervangen.

In plaats van de offers klinken de gebeden. De priesters en Levieten hebben plaatsgemaakt voor rabbijnen, die het joodse volk onderwijzen in Tenach en Talmoed. Het joodse volk schijnt zich erbij te hebben neergelegd. Het uitvallen van de dienst der verzoening is geen hinderpaal om de joodse religie voortgang te doen vinden.

Bloedstorting

Ligt hier geen aanknopingspunt voor gesprek tussen joden en christenen? Wat mij betreft rijzen hier enkele brandende vragen, die ik -in alle bescheidenheid, daar is alle reden voor- aan mijn joodse vrienden wil voorleggen. Kan men de noodzaak van bloedstorting terwille van de vergeving der zonden wegdenken uit het bijbelse getuigenis? Wat weerhoudt een jood te geloven dat de aardse tempeldienst overbodig is geworden, omdat het grote offer gebracht werd op Golgotha, door Hem Die de Messias van Israël is? Jammer, dat dit gesprek zo moeilijk op gang komt. Triest, dat wij christenen zelf daaraan debet zijn. Wat is het nodig dat we de struikelblokken proberen op te ruimen, zodat er ruimte komt voor het stellen van vragen, het geven van antwoorden over en weer. Voor luisteren en getuigen, getuigen en luisteren.

Ik kom nog eens terug op dat pelgrimslied waarmee we begonnen. Waaraan denkt u zoal als u Psalm 122 zingt in de kerk? In de loop des tijds is voor mij de inhoud al rijker en dieper geworden. Ik kan die Psalm nooit meer horen zonder te denken aan al die duizenden pelgrims die naar Jeruzalem trokken. Nooit kan ik die bekende woorden meer lezen zonder pijn in het hart vanwege het gruis van Sion, vanwege het joodse volk dat voor het merendeel nog altijd niet kan geloven dat de Messias, naar Wiens komst de feestgangers van het oude verbond hebben uitgezien, reeds verschenen is. Nooit meer kan ik dit lied zingen zonder het gebed dat de Heere spoedig zijn sjaloom over Jeruzalem zal willen gebieden. Wat een machtig gebeuren zal dat zijn. Dan zal de ‘heilige’ stad opnieuw het middelpunt van een geweldig feest zijn. Immers, dan zal vervuld worden wat bij monde van Zacharia geprofeteerd is: „En het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem gekomen zullen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om te aanbidden de Koning, de Heere der heerscharen en om te vieren het feest der Loofhutten”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Tuesday 24 October 1995

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Kloppend hart van Isaraëls religie

Bekijk de hele uitgave van Tuesday 24 October 1995

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken