Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Niet om de leer…

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Niet om de leer…

8 minuten leestijd

Het is eigenlijk een boek om verdrietig van te worden. Van de kerkelijke groeperingen die in ”In de schaduw van het kerkelijk leven” beschreven worden, moet veelal gelden: opgaan, blinken en verzinken. In dit boek komt aan de orde de geschiedenis van de kleinste kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte in de twintigste eeuw. Helaas zijn de verhalen in deze uitgave ook geen navolging van Hem Die gezegd heeft tot Zijn Vader in het hogepriesterlijk gebed: „Opdat zij allen één zijn…”.

Uit het boek blijkt overduidelijk dat predikanten, oefenaars en voorgangers door liggingsverschillen hun eigen weg gingen en bleven gaan. Als bepaalde (toekomstige) predikanten het met elkaar niet eens waren of over bepaalde zaken anders dachten, stapten ze op, wat veelal tot gevolg had dat er weer een nieuw kerkverband ontstond.

H. Hille en J. M. Vermeulen, de beide auteurs van het boek die eerder van zich deden spreken op het terrein van de zogenaamde ”kleine kerkgeschiedenis”, zullen heel wat werk verzet en heel wat nagetrokken hebben voordat dit boek recent bij De Groot Goudriaan in Kampen kon verschijnen. Zij hoefden veelal niet in zo’n ver verleden te duiken. Daarom was het voor hen mogelijk aan veel fotomateriaal te komen van predikanten die in het boek genoemd worden.

Witte vlek

De beide auteurs stelden vast dat een witte vlek binnen de ”kleine kerkgeschiedenis” werd gevormd wat de vrije gemeenten en de ‘losvaste’ kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte betreft. De laatstgenoemde vormden de allerkleinsten en verkeerden daardoor „in de schaduw van het kerkelijk leven”. Deze studie wil een gedeelte van de leemte opvullen. Het betreft een eerste verkenning. Als criterium voor het begrip kerkverband hanteerden de schrijvers het bestaan van een meerdere vergadering. Een negental kerkverbanden komt in even zo veel hoofdstukken aan de orde. In het slothoofdstuk gaat het over contacten en verbindingslijnen in vrije gemeenten (1970-1995).

Aan ”De Vereeniging van Gereformeerde/Indepe(n)denten (1895-1919)” was onlosmakelijk de naam van ds. Jacob van Leeuwen Pzn. verbonden. Uit het verdere zal blijken dat ook aan andere kerkverbanden de naam van één predikant sterk verbonden was. „Viel de voorganger weg, dan was het spoedig met de vrede en daardoor ook met het kerkverband gebeurd”.

Van Leeuwen kon het in de hervormde kerk te Aalsmeer niet meer vinden en scheidde zich in 1876 met zijn vrouw af. In de registers van de Burgerlijke Stand het hij zich inschrijven als christelijk gereformeerd (afgescheiden). Hij ging met geestverwanten ’s zondags bijeenkomsten beleggen. Hij belastte zich in die tijd in verschillende plaatsen met het godsdienstonderwijs aan de jeugd. Zijn vrienden adviseerden hem theologie te gaan studeren. Dit stuitte bij hem op bezwaren want „de Heere laat aangaande Zijne bediening tot Zijn Kerk op aarde, geen knechten in Zijn wijngaard maken door menschen, maar zij moesten uit de zalving en roeping des Geestes uit God geopenbaard worden”.

Tegenstand gebroken

Op 10 december 1890 hield hij zijn eerste preek nadat zijn tegenstand gebroken was. Hij meende dat zijn lastbrief geen directe plaatselijke bediening inhield en wist de plaatsen Aalsmeer, Barneveld, Dordrecht, Gouda, Hilversum, Rotterdam en Utrecht aan zich te binden. Dit onder de voorwaarde dat hij alléén het Woord er zou prediken. Op 26 mei 1895 werd hij tot predikant voor die zeven gemeenten bevestigd door zijn vriend Jan Verzaal, een kruidenier uit Boskoop. Zijn doen en laten stond wel onder kritiek want reeds vanaf april 1894 doopte hij kinderen. Ds. Van Leeuwen is in 1913 overleden. Aanvankelijk ging in de gemeenten die hij diende oefenaar (later ds.) Wietse Woudwijk nog wel eens voor. Later zouden al de gemeenten, waaronder ook nog Neerlangbroek, Eist (Utrecht) en Woudenberg, die ds. Van Leeuwen volgden, zich bij andere kerkverbanden aansluiten.

Acht jaar na het verdwijnen van dit kerkverband ontstonden de Nederlands Gereformeerde Gemeenten. Dit kerkgenootschap wordt ook wel genoemd Nederduitsch Gereformeerde Gemeenten; niet te verwarren met de gemeenten die in 1887 ontstonden uit de nalatenschap van de ledeboeriaanse predikant D. Bakker van ’s-Gravenpolder, die ook Nederduitsch Gereformeerde Gemeenten werden genoemd. De geschiedenis strekt zich uit van de tweede helft van de jaren twintig tot het begin van de jaren vijftig.

De schrijvers gaan, om de zaak wat duidelijk te houden, in drie hoofdstukken op deze gemeenten in. In de eerste plaats (hoofdstuk 2) vestigen zij de aandacht op de hoofdstroom, ook wel genoemd ”de classis Rotterdam” (1927-1953). Predikanten die hier een rol speelden, waren D. C. van Stempvoort, C. Molenaar, H. Siegers, L. Franke, K. P. de Groot, G. J. van Vliet, P. H. Seggelink, W. Roos en F. Luitjes. Van korte duur was de kerkvorming (beschreven in hoofdstuk 3) rond ds. L. Franke, namelijk van 1940-1942. Het gaat hier om een samenwerking tussen de predikanten Franke, F. Kraaijeveld, J. van Welzen en de oefenaar Th. Woudwijk. Dit hoofdstuk kon geschreven worden dankzij het kerkelijk en privé-archief van ds. Kraaijeveld. Voor twee predikanten geldt dat de een, ds. J. van Welzen uit Gouda, met zes kerkverbanden contacten had en de ander, ds. G. J. van Vliet te Vlaardingen, met vijf kerkverbanden.

De gang van zaken bij de bevestiging van een predikant ging soms wel eens anders dan heden te doen gebruikelijk. Op 4 april 1940 had de bevestiging plaats van de inmiddels 52-jarige Floor Kraaijeveld. Ds. Franke leidde de dienst. De handoplegging werd, conform de afspraak, verzord door ds. Van Welzen en ouderling Schippers. De volgende dag hield ds. Kraaijeveld zijn intredepreek. Op 12 april 1940 werd ds. Kraaijeveld te Hoofddorp door de eerste classicale vergadering van zijn kerkverband geëxamineerd en toegelaten tot, „het bedienen van het Heilig Evangelie en het bedienen der Heilige Sacramenten”. Dat kon dus eigenlijk niet meer mis gaan, want hij was al dominee!

Uitgangspunten

Op deze vergadering werden op aandringen van de Goudse gemeente, die van ds. Van Welzen dus, de uitgangspunten van het kerkverband vastgelegd:

1. Niet te collecteren tijdens de dienst.

2. Geen fietsen toe te laten bij of in het gebouw op zondag.

3. Geen vast salaris te ontvangen voor het preken.

4. Het kerklokaal uitsluitend voor kerkdiensten te gebruiken en niet te verhuren.

De predikanten preekten dus op de zak en alleen aan de uitgang werd gecollecteerd. Iets wat bij een aantal vrije gemeenten nog lang gebeurde. „Collecteren tijdens de dienst werd als goddeloos bestempeld”. Het zou voor hen wellicht beter geweest zijn als ze een vast salaris kregen want het preken op de zak was ook niet alles. Ds. Franke schreef aan ds. Kraaijeveld:

„Het is bij mij net als bij u: de Goudsmid bestaat niet meer, de Zilversmid is dood en de Kopersmid heeft ons aardig bedrogen”. De financiële middelen waren dus maar schaars. De verhouding tussen de voorgangers werd er echter niet beter op. In 1942 overleed ds. Franke, ds. Kraaijeveld legde gedesillusioneerd zijn ambt neer en ds J. van Welzen begon een eigen tak, de derde, van de Nederlands Gereformeerde Gemeenten (1940-1947, zie hoofdstuk 4).

Rond 1940 bestonden twee kerkformaties onder de naam Oud Gereformeerde Gemeenten. Het waren de gemeenten van ds. L. Boone en de Federatiegemeenten van ds. C. de Jonge. Deze twee kerkformaties hadden onderling goede contacten en verenigden zich in 1948 tot de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Eind 1943 verliet ds. B. Hennephof de Federatiegemeenten. „Oorzaak hiervan was een leergeschil met betrekking tot de orde des heils”. Hij vormde in 1948 met wat sympathisanten de Oud Gereformeerde Gemeenten, samenlevend in de classis Dordrecht (hoofdstuk 5). Op zondag 6 december 1970 overleed hij. Hij was toen al twee jaar met emeritaat. Zijn opvolger in de Dordtse gemeente werd ds B. Jongejan. Na zijn overlijden in 1988 ging de gemeente in 1989 over naar de plaatselijke hervormde kerk.

Verder in dit boek (hoofdstuk 6) aandacht voor de kerkvorming rond ds. H. Vissert Mzn, de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (1947-1967). Deze predikant trad in 1947 uit de Christelijke Gereformeerde Kerken. Op 13 februari 1966 deelde hij aan zijn gemeente op Urk mee dat hij het door hemzelf gevormde kerkverband zou gaan verlaten en weer aansluiting zou zoeken bij de kerken die hij verlaten had.

Ds. J. G. van Minnen verliet in 1952 de Christelijke Gereformeerde Kerken en stichtte de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland (1952-1968) (hoofdstuk 7). Zij wilden het isolement niet en zochten contact met andere gemeenten. In dit hoofdstuk vallen de namen van ds. T. Wakker, ds. D. C. Overduin, ds. G. den Boer, ds. I. J. IJsselstein en ds. K. van den Belt. Met de schorsing van ds. Van Minnen in 1968 hield de kerk op te bestaan.

De Presbyteriaal Hervormde Kerkgemeenschap (hoofdstuk 8) rond ds. G. Taverne, ontstaan in 1952, bestaat tot op heden nog. Van 1959 tot 1966 bestonden de Hervormd Gereformeerde Gemeenten (hoofdstuk 9) rond de persoon van ds. M. J. Middelkoop. De beide auteurs komen tot de conclusie dat er tussen vrije gemeenten onderling wel contacten zijn als men elkaar nodig heeft voor ambtelijk werk, zoals bevestiging van ambtsdragers en bediening van sacramenten. In dit verband vallen de namen van de nu nog dienstdoende predikanten ds. A. de Reuver sr., ds. J. Goudriaan, ds. J. van Prooijen en ds. C. L. Onderdelinden. Vastgesteld wordt dat in een aantal stammiaanse gemeenten (Hendrik Ido Ambacht, Schiedam en Alblasserdam) waarvan de voorgangers overleden zijn thans hervormde voorgangers en predikanten van vrije gemeenten voorgaan.

Belangstellenden voor de beschrijving van de kleine kerkgeschiedenis zullen Vermeulen en Hille dankbaar zijn voor hun inspanningen. Vooral voor de betrokkenen bij deze gemeenten zijn heel wat lezenswaardige feiten op schrift gesteld.

N.a.v. ”In de schaduw van het kerkelijk leven”, door H. Hille en J. M. Vermeulen; uitg. De Groot Goudriaan, Kampen, 1995; 296 pag.; ƒ 49,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1995

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Niet om de leer…

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1995

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken