Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Macabere executies na de bevrijding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Macabere executies na de bevrijding

Vertxouwen in Canadezen werd Duitse deserteurs na oorlog fataal

14 minuten leestijd

Acht dagen na de bevrijding kwamen de deserteurs Rainer Beek en Bruno Dorfer in Amsterdam voor een Duits vuurpeloton om het leven. Als een macabere ceremoniemeester hield een Canadese officier toezicht bij de executie. Kort daarvoor waren de jonge mannen door een soort krijgsraad te velde ter dood veroordeeld. Twintig jaar lang werden de nabestaanden over hun lot in het ongewisse gelaten. De dode lichamen van de slachtoffers konden niet aan hen worden overgedragen. De plek waar zij begraven zijn, is nog steeds onbekend.

„Mijn oom Rainer hoorde in Gleiwitz in de vroege ochtend van de eerste september 1939 de eerste schoten van de Tweede Wereldoorlog; de laatse hoorde hij in Amsterdam”. Meer dan een halve eeuw^ later leeft de tragedie op het Zeeburgereiland in Amsterdam-Oost nog steeds voort in de gedachten van een aantal nabestaanden en vrienden. Michael Richartz, de in april 1944 in de Achillesstraat geboren zoon van Rainer Becks zuster Fredegund, heeft behalve zijn werk als arts en filmmaker een uitgebreide documentatie aangelegd en een televisiedocumentaire plus filmscenario geschreven over wat hij „het schijnproces tegen mijn oom Rainer en Bruno Dorfer” noemt.

Juridisch

Bij twee gesprekken die ik in zijn Amsterdamse woning met hem heb, heeft hij geen goed woord over voor het geallieerde besluit Duitse deserteurs tot ver in 1946 door Duitsers (met uitsluiting van de bevoegdheid de doodstraf uit te spreken) te laten vonnissen. „De bestraffing werd uitgevoerd door vroegere nazi-officieren en militaire rechters, vrijwel allen met een lange staat van dienst in de partij, die deel uitmaakten van een ongewijziga juridisch, militair apparaat. De manier waarop men dat allemaal liet gebeuren, was in strijd met de talrijke oproepen aan Duitse militairen om te deserteren. Bruno Dorfer en mijn oom Rainer hebben die deloyale houding van de geallieerden met hun leven moeten bekopen”.

De tijdens de executie 28 jaar oude Rainer was de zoon van een politiek zeer actieve joodse moeder -zij was onder meer lid van de constituerende vergadering van de Weimarrepubliek- en de uit een protestants milieu aflcomstige Polizeiprasident van Opper Silezië Max Beek. In hun woonplaats Gleiwitz (nu het Poolse Gliwice), 50 kilometer ten noordwesten van Auschwitz, en ver daarbuiten stonden zij in hoog aanzien vanwege hun grote betrokkenheid bij maatschappelijke hulporganisaties.

Straatviolist

Na Hitlers machtsovername in 1933 werd commissaris Beek ontslagen en verloor het gezin met drie studerende kinderen, een “judisch-marxistische Pestbeule” (Beek was actief lid van de SPD), alle burgerrechten. Pas toen de met het ijzeren kruis gedecoreerde frontofficier uit de Eerste Wereldoorlog de Pruissische minister van binnenlandse zaken Hermann Goering dreigde in uniform en met keizerlijke onderscheidingstekens als straatviolist te gaan werken, kreeg Beek een maandelijkse toelage.

Zijn op school “nicht mehr erwünschte” zoon Rainer monsterde op een walvisvaarder en vestigde zich enige tijd in Canada, maar keerde in 1938 naar Duitsland terug om in het levensonderhoud van zijn moeder (die twee jaar daarvoor weduwe geworden was) te voorzien. Het vissersschip waarop hij vanaf die tijd werkte, maakte vanaf 1940 gedwongen deel uit van de Duitse marine. Michael Richartz: „Om zijn moeder in Gleiwitz enige bescherming te geven, ging hij een paar keer met verlof naar zijn geboorteplaats en vertoonde zich demonstratiefin uniform met haar op straat. Rainers moeder, mijn oma, weigerde de jodenster te dragen. Het is wonderbaarlijk aat zij de oorlog als joodse vrouw heeft overleefd en dat op zo Korte afstand van Auschwitz. Op een of andere manier moet zij protectie hebben genoten van vroegere relaties van haar overleden man. Als kind heb ik dus het geluk gehad die standvastige grootmoeder te leren kennen”.

Semi-legaal

In de loop van 1944 verloor Rainer Beek het contact met zijn familie in Duitsland. Als bootsman belandde hij in dat jaar in IJmuiden bij de “Hafenschutzgruppe”. Zijn verlofdagen bracht hij door bij zijn in Amsterdam woonachtige zuster Fredegund, die in 1933 haar rechtenstudie moest afbreken en het jaar daarop naar Nederland was gevlucht. Met haar twee kinderen Mark en Michael -haar man was naar Duitsland gedeporteerd- leidde zij een semi-legaal bestaan op Achillesstraat 10.

„Dat Rainer bij ons in het gehate naziuniform verscheen, was mijn moeder een doorn in het oog. ledere keer dat hij kwam, drong zij er bij hem op aan onder te duiken”. Na een mislukte poging door zelfmutilatie aan de dienst te ontlcomen, keerde Rainer Beek op 5 september 1944 niet meer naar zijn eenheid in IJmuiden terug.

Met behulp van de bovenbuurman, de in de verzetsgroep van Vrij Nederland actieve protestantse dichter Jan Hendrik de Groot, kon Rainer onderduiken. Ten slotte kreeg hij een schuilplaats bij een kunsthandel op Botticellistraat 18, niet ver van het SD-hoofdkwartier in de Euterpestraat (nu Gerrit van der Veenstraat), waar hij samen met de joodse kunsthandelaar Hans Marcus op een zolderkamertje de bevrijding afwachtte.

De ster

Als ik bij mijn naspeuringen met de uiterst vitale joodse mevrouw Lili Jampoller (81) in contact kom, blijkt dat zij evenals de moeder van Rainer, destijds wonend in hartje Amsterdam, er geen ogenblik aan gedacht heeft de ster te dragen of zich waar dan ook te laten registreren. Werkzaam bij de kunsthandel van Hans Marcus en Magdalena Sothmann leerde zij Rainer in 1944 kennen.

„Een stille, vriendelijke en wat onhandige jongen. Hij was erg rusteloos en wilde steeds de tuin in. Op een dag stond de Gestapo voor de deur. Waarschijnlijk hebben buren bij de Duitse politie gemeld dat er iemand zich in het huis schuilhield. Omdat ik vloeiend Duits spreek, kon ik die types enige tijd aan de praat houden en waren Hans en Rainer in een voor hen gemaakte schuilplaats onder de derde verdieping verdwenen. Op de dag van de Duitse capitulatie wilde Rainer niet langer binnenblijven. Hij leek me van nature een wat impulsieve jongen, die op bepaalde ogenblikken een onwrikbaar besluit kon nemen. Waarschijnlijk wilde hij zo snel mogelijk terug naar zijn moeder en zuster in Duitsland en dat is hem noodlottig geworden. Hans en Magdalena hebben getracht hem tegen houden, maar dat lukte helaas niet”.

Getto

Hij melddde zich bij de Canadezen, die hem als Duits militair naar de Nieuwmarkt brachten, waar een met prikkeldraad van het voormalig getto omgeven verzamelplaats voor Duitsers was ingericht. Op het plein ontmoette hij korporaal Bruno Dorfer, een knappe donkere jongeman van twintig, afkomstig uit het Oostenrijkse Stiermarken. Die was kort daarvoor van de mijnenveger gedrost en had bij een tante in Amsterdam (mevrouw Timmcrmanns) onderdak gekregen en was door haar van burgerkleding voorzien.

Beide mannen voelden zich achter het prikkeldfaad van het opvang- en interneringscentrum, waar ook gevangen genomen leden van de beruchte Duitse Sicherheitsdienst (SD) verbleven, niet op hun plaats. Met behulp van een bewaker mochten zij vertrekken en haalden in de Achillesstraat nog wat kleding op. Kennelijk hebben zij geaarzeld, belden enige tijd later weer aan in de Achillesstraat, waar op dat moment niemand thuis was. De bevriende bovenbuurman De Groot (volgens Lili Jampoller „een gezagsgetrouwe, harde man”) die voor het onderduikadres in de Botticellistraat had gezorgd, kwam naar beneden en maakte nen erop attent dat Duitse militairen zich moesten melden bij de autoriteiten. Hij vergezelde hen naar het kantoor van de Canadese secret service in de ApoUolaan.

„Tot het einde van haar leven in 1972 heeft mijn moeder haar afwezigheid op die fatale dag betreurd. Later kreeg mijn familie te horen dat de twee marinesoldaten in een kamp geïnterneerd waren, maar opheldering over hun verdere lot werd achtergehouden”.

De tragedie in de marge van de Tweede Wereldoorlog op het Zeeburgereiland lijkt door niemand in feestend Amsterdam te zijn opgemerkt en verdween voor tientallen jaren in de Canadese en Duitse archieven.

Verjaard

In 1966 bracht de “Zentralnachweisstelle” (in Kornelimünster bij Aken, die in opdracht van het Bondsarchief oude processtukken van de Wehrmacht beheerde), de dossiers van de twee matrozen in de openbaarheid. Hun namen bevonden zich op “Strafverfahrensliste des gerichts Admiral in den Niederlanden, Zweigstelle Amsterdam” tezamen met 906 andere tussen 1 juh 1944 en 14 mei 1945 ter dood veroordeelde marinemensen.

Voor de bij de excecutie betrokken Duitse militairen, van wie sommigen in middels waren opgeklommen tot zeer hoge posities in de Bundeswehr of bij de Rijnpolitie, bestond weinig kans op gerechtelijke vervolging vanwege de verjaringstermijn van twintig jaar voor oorlogsmisdaden. Doelbewust was door het zeer gebrekkig gedenazificeerde justitieel apparaat voor de late opening van zaken gekozen. Weliswaar had de SPD -in 1966 voor het eerst in de naoorlogse periode regeringspartner in de “grosze Kodi tion” met de CDU- als voorwaarde voor haar regeringsdeelname bedongen dat een uitzondering voor moord zou worden gemaakt, maar daarbij niet gespecificeerd wanneer sprake was geweest van moord of van doodslag.

Aanklacht

„Mijn tanta Berthilde diende, nadat zij op de hoogte was gesteld van de omstandigheden waaronder haar broer om het leven was gekomen, een aanklacht in wegens moord. Dorfers moeder moest het bericht over de dood van haar zoon Bruno uit de krant vernemen en maakte zijn zaak niet apart aanhangig. Behalve een vergeelde foto en een paar summiere biografische gegevens in Der Spiegel is over het korte leven van deze zoon van een dakbedekker jammer genoeg weinig bekend”.

Zeven jaar met Gründlichkeit uitgevoerd gerechtelijk vooronderzoek, dat zich tot in Canada uitstrekte, leidde er ten slotte toe dat de betrokken militairen van rechtsvervolging werden vrijgesteld, omdat op 13 mei 1945 op het Zeeburgereiland slechts sprake zou zijn geweest van doodslag, een lang verjaard delict. „Voor ons een traumatische ervaring. We kregen allemaal zoiets van ‘dit is het besluit van een paragrafenapparatuur’. Volslagen wanhopig. Ze hebben werkelijk niets geleerd”.

Dat de nasporingen een vrij nauwkeurige reconstructie mogelijk maakten van de laatste twee levensdagen van Rainer en Bruno, was slechts een geringe troost.

Uit de documenten van de “Zentralnachweisstelle” en getuigenverklaringen bleek dat Rainer en Bruno op 12 mei van het kantoor van de Canadese secret service met een militaire vrachtwagen naar de Fordfabrieken aan de Hemweg in het westelijk havengebied zijn gebracht. Daar verbleven op dat moment 3800 geïnterneerde Duitse marinesoldaten in afwachting van hun repatriëring. Van het gevaar dat de beide deserteurs daarmee liepen, is van de zijde der Canadezen geen moment rekening gehouden. Het lijkt er sterk op dat zij militair ethos en regelgeving boven barmhartigheid stelden.

De overdracht verliep niet zonder strubbelingen. Kapitein Alexander Stein, commandant van net kamp, weigerde Beek en Dorfer zomaar tot het gebouw toe te laten. Hij dreigde met toestanden als hij geen toestemming zou krijgen de twee voor een krijgsraad te brengen. De Canadezen op hun beurt wilden onder geen beding de weglopers mee terughemen. stelden zich in verbinding met hun superieuren en kregen de opdracht de Duitse eis in te willigen, daarmee de subalterne officier Stein de beschikking over leven of dood gevend.

Rechtszitting

Een inderhaast in elkaar gezette rechtbank onder voorzitterschap van de 36-jarige reserveofficier en jurist Wilhelm Köhn ensceneerde de volgende dag in de fabriekshal (in 1994 afgebroken) in het bijzijn van een groot aantal geïnterneerde Duitse militairen een soort rechtszitting. Het zomerse weer op die zondag maakte dat in de ruimte met duizenden zwetende, ongewassen militairen een verstikkende atmosfeer moet hebben geheerst.

De bijeenkomst, die hooguit een halfuur duurde, had alle kenmerken van een schijnproces: beide verdachten genoten geen enkele rechtsbescherming van advocaten, kregen geen tijd hun verdediging voor te bereiden en zaten er zwijgzaam bij. De mogelijkheid om tegen het vonnis -de doodstraf- in hoger beroep te gaan, werd zelfs niet geopperd. En dat terwijl zelfs volgens het Duitse militair strafrecht de uitspraak bekrachtigd had moeten worden door de hoogste marineofficier in Nederland, vice-admiraal Rudolf Stan gt

Stange verbleef op dat moment echter voor besprekingen met zijn Britse vakgenoten in Engeland. Nu werd de uitspraak slechts van een handtekening voorzien door kampcommandant Stein, die „bestimmt keine Beftignisse hat Todesurteile zu bestatigen”, aldus Stange in een later afgelegde verklaring. Voorzitter Köhn van de krijgsraad zei later in die tijd niet te hebben verwacht dat het vonnis werkelijk zou worden voltrokken.

De executie

Met grote voortvarendheid kwamen de Canadezen, nadat hun het vonnis was medegedeeld, echter opnieuw in een jeep en met een vrachtwagen vol geweren bij de Fordfabriek voorrijden. Rainer en Bruno moesten vergezeld van een uit fer vente nazi’s bestaand executiepeloton instappen. De Canadese verbindingsofficier Pearce, die op het bedrijfscomplex dienstdeed als toezichthouder, was verbijsterd over deze gang van zaken. Hij verhinderde het vertrek en maakte contact met zijn meerderen. Die gelastten hem de Duitsers hun eigen zaakjes te laten opknappen.

Pearce weigerde echter opnieuw de veroordeelden te laten afvoeren. Na een vergeefse poging van zijn superieuren om in contact te komen met de top van de Duitse marineleiding in Bloemendaal (vice-admiraal Stange), wendden zij zich tot het Canadese opperbevel onder leiding van generaal Charles Foulkes. Toen van die zijde erop werd aangedrongen de Duitsers niets in de weg te leggen bij de handhaving van hun interne discipline, waarmee in feite dus toestemming tot executie werd gegeven, moest Pearce zijn verzet staken en de twee wagens laten vertreklfen.

Verrassing

Tegenover een Duitse onderzoekscommissie verklaarde hij later dat het verloop van de gebeurtenissen een volslagen verrassing voor hem was geweest, maar dat een Duits mensenleven in die dagen kennelijk weinig betekende. En terwijl op de Dam op zondagmiddag 13 mei een door de Amsterdamse jeugdactie georganiseerde manifestatie plaatsvond, waarbij „twintigduizend meisjes en jongens waren samengestroomd, om de bevrijding te vieren’ (Het Parool, 14 mei 1945) ging het transport dwars door de stad richting schietbaan van het militair kamp op het Zeeburgereiland.

Bij de sluizen van Zeeburg in het Nieuwe Diep moest men op deze dag met prachtig lenteweer te voet verder. Het was zeshonderd meter lopen naar de op het zuidelijk deel van het eiland gelegen schietbaan. Verrast zagen de nier in de zon liggende geïnterneerde militairen hoe kort na aankomst om 17.40 uur, zonder voorafgaande geestelijke bijstand, een Duitse officier het bevel tot executie van korporaal Bruno Dorfer gaf. Vijf minuten later vuurde het commando voor de tweede keer en stortte bootsman Rainer Beek levenloos neer.

Kuil

Na de terechtstelling verdwenen de ontzielde lichamen in een haastig gegraven kuil. Hun lichaam is nooit meer teruggevonden. Een aanwezige Canadese officier onder wiens toezicht het vonnis was voltrokken, betuigde de bevelvoerende Duitse collega zijn hoogachting. Vele jaren later bevestigde het Canadese ministerie van defensie dat op 13 mei 1945 inderdaad „enige Duitse marinedeserteurs” aan een Duits oorlogstribunaal zijn voorgeleid. De verklaring over de tragische gebeurtenis wa5 uiterst formeel: documenten geven aan dat de in het westen van Nederland gelegerde Duitse troepen belast waren met het handhaven van de discipline in eigen gelederen, inclusief de terechtstelling van deserteurs.

Voorzitter Herbert Köhn van het adhoctribunaal (die na de oorlog carrière maakte bij de justitie in de Bondrepubliek en het bracht tot Oberlandesgerichtsrat in Keulen) meende met een terugblik op die tijd, dat het op disciplinaire gronden beslist nodig was geweest de beide deserteurs uit de marinegemeenschap te verwijderen. Volgens de jurist werd de jurisdictie van de naoorlogse Duitse krijgsraden te velde volledig gedekt door de Britse militaire oorlogswet 153 betreffende handhaving van de discipline in de Duitse gelederen. Dat die wet executies door de Duitsers verbood, zei hij pas later te hebben gehoord. Juridische verwijten maakte Köhn zich dan ook niet. „Maar menselijk gesproken bedrukken deze zaken mij al vele jaren”, verklaarde hij destijds tegenover Der Spiegel.

Motie

De kwestie van de Duitse deserteurs in de Tweede Wereldoorlog kwam vorig jaar weer in het nieuws, toen de SPD en de Groenen in de Bondsdag een motie indienden om de naam van deze ongeveer 15.000 mensen, van wie de meesten werden geëxecuteerd of in een concentratiekamp stierven, van blaam te zuiveren. De erkenning dat deserteurs op hun manier een bijdrage hebben geleverd aan de ondergang van het nazi-regime behaalde echter geen meerderheid in het Duitse parlement. Dat impliceerde dat Beek en Dorfer een halve eeuw na hun dood niet officieel van blaam zijn gezuiverd.

„Gelukkig zijn er wel enige deelstaten en steden waar de autoriteiten hun medewerking hebben verleend aan het oprichten van herdenkingsplaatsen van vermoorde dienstweigeraars en deserteurs”, aldus Michael Richartz. „Het is overigens onjuist eenzijdig met de vinger naar Duitsland te wijzen. Ook in Nederland is niets maar dan ook niets gedaan om Rainer Beek en Bruno Dorfer te rehabiliteren. De dramatische gebeurtenissen op het Zeeburgereiland zijn zelfs niet als een voetnoot aan de officiële Nederlandse geschiedschrijving (prof Loe de Jong kent de geschiedenis) toegevoegd. Van de zijde van de Nederlandse regering, de gemeenteraad van Amsterdam of van welke instantie dan ook, is nooit enig blijk van medeleven getoond”.

Een in 1966 ondernomen poging om twee straatnamen naar Rainer Beek en Bruno Dorfer te vernoemen werd, door de gemeente Amsterdam afgewezen vanwege de gevoeligheden van de West-Duitse autoriteiten over deze aangelegenheid.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Macabere executies na de bevrijding

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken