Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Goudse dominee doopte elke dag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Goudse dominee doopte elke dag

Hervormde doopboeken van 1812 tot 1900 worden toegankelijk

5 minuten leestijd

GOUDA - De dominee doopte elke dag wel drie of vier kinderen. Zo leert een van de doopboeken van de (xondse hervormde gemeente. Het is een gave foliant, die de periode van 1812 tot en met 1820 beslaat In 1818 verandert het ritme plotsklaps. De dagelijkse doopdjenst wordt een wekelijkse. Wat zit daarachter? Verlate uitbaiming van een stukje roomse zuwdesem? Vermoedelijk niet, gezien de toen al lang sterk antipaapse opstelling van de kerkenraad. Een opdracht van een meerdere vergaderii^? Nader archiefonderzoek moet dat nog helder maken.

Mevrouw Henny A. van Dolder-de Wit is archivaris van de hervormde gemeente van Gouda. Ze doet dat werk als vrijwilligster. In ons land zijn nog tachtig kerkelijke gemeenten met een eigen archief. Het Goudse hervormde archief is echter het enige dat een jaarverslag produceert. Mevrouw Van Dolder is er best een beetje trots op.

O. H. Spee is dankzij het feit dat hij in de vut zit, in staat de archivaris te helpen bij het toegankelijk maken van de doopboeken. De doopboeken van voor 1811 (vanaf 1574) waren reeds afgeschreven. Deze berusten in boekvorm bij het Streekarchief Hollands Midden aan de Groeneweg in Gouda. De doopboeken van 1812 tot 1900 -tien in getal- ‘verdwijnen’ door de hand van de heer Spee in de computer. De handschriften zijn vrij goed leesbaar, ook voor een niet paleografisch geschoolde vutter.

Er wordt een zoekprogramma op het resultaat losgelaten ten behoeve van de inventarisatie en indeling in rubrieken. Om diegenen te helpen die op onderzoek gaan naar onder andere familiegegevens, geeft de kerkvoogdij de resultaten in eigen beheer in boekvorm uit. Dat gebeurt in stevige ban den. Ze kosten 25 gulden per stuk. Het tot nu toe enige afgeschreven grafboek, dat de periode van 15391600 omvat, verscheen eveneens in eigen beheer.

Lessen

Wat leren de doopboeken van de Goudse hervormde gemeente? Mevrouw Van Dolder en de heer Spee vonden tal van opmerkelijke zaken. Toen Napoleon de burgerlijke stand ging reorganiseren eiste hij dat iedereen een achternaam kreeg. Velen dachten nog dat het een grapje was en verzonnen de vreemdste namen. In die tijd komen namen voor die later soms weer verdwijnen.

De Franse machthebber bedacht ook een aantal administratieve voorschriften die gevolgen hadden voor de kerkelijke gemeenten. Doopgegevens moesten ter inzage gegeven worden. De doop-, rouw- en lidmatenboeken moesten zelfs worden ingeleverd bij de burgerlijke oVerheid. Daarom hebben de doopboeken een zeer ordelijk karakter.

De conclusie van beiden is dat de Franse tijd in zedelijk opzicht nogal een verwilderde episode was in onze geschiedenis. In Gouda is dan het aantal buitenechtelijke kinderen dat het levenshcht ziet, in verhouding erg groot. Mevrouw Van Dolder weet zich in de mening gesterkt dat landgenoten toen wat losser kwamen van de kerk en dat de moraal afzakte. Trouwboeken van die tijd laten zien dat huwelijken niet of nauwelijks in de kerk bevestigd werden. Er is een jaar dat er slechts twee kerkelijke huwelijks plechtigheden plaatshadden.

De verwilderde moraal had mede te maken met de vele huurling-soldaten uit heel Europa. Behalve uiteraard de Franse militie dienden er Duitse en Zwitserse vechtjassen. Ook Gouda ondervond daarvan de gevolgen. Dat was namelijk een gamizoensstad.

Gemengde huwelijken

De aantekeningen laten verder zien dat er nogal wat gemengde huwelijken plaatshadden. Dan staat van een van de echtelieden dat die „Roomsch”, „Luthers” of „Remonstrants” was. Soms vermeldt de foliant ter informatie dat een van de ouders „Roomschgezind” is. De kerkelijke gemeente was erg alert op de kerkelijke gezindheid van doopuders.

Er trad ook een verandering op in de aantekeningen over de getuigen. Waren er aanvankelijk twee doopgetuigen, al snel wordt alleen de moeder als getuige opgetekend. In normale gevallen, als beide ouders aanwezig waren, staat bij de familienaam de toevoeging „echtelieden”.

Bij de buitenechtelijke kinderen is nogal eens de toevoeging geplaatst dat de vader „volgens opgave” die of die is. In dat geval erkende de vader dat het om zijn kind ging. Staat er bij dat het „volgens eigen bekenning” om die of gene gaat, ligt dat kennelijk iets anders. Tot 1820 is er sprake van betrekkelijk veel buitenechtelijke kinderen. Hoe het ook zijn mag, gedoopt werden al die kinderen in ieder geval wel. Vaak doopte de dominee het kind binnen veertien dagen na de geboorte, zo ontdekte de heer Spee.

Voor geschiedvorsers staan er nog tal van interessante aantekeningen in de doopboeken. Op 13 december 1815 houdt een moeder haar kind te doop. Haar man, Hendrikus Bemardus Woertman, is „fourier bij het 11e bataljon Nationale Militie, thans alhier in garnizoen”. Waar zat de vader? Was hij tijdelijk in een ander garnizoen? Niemand weet het. Maar moeder hield het kind alleen ten doop.

ledere da,

Het eerste boek van de serie leert dat er in principe iedere dag gedoopt werd. Tot 1818 tenminste. Dan wordt het sacrament opeens wekelijks bediend. Gemiddeld worden er maandelijks 22 kinderen gedoopt, zo leren maandelijkse overzichten. Het jaar 1818 sluit af met een totaal van 244 dopelingen.

De heer Spee kwam bij de datum van 19 juli 1818 een bijzondere kanttekening tegen: Een „geboren jood”, een volwassene dus, ontving de doop. Er staat een verwijzing bij naar een kerkenraadsbesluit. Mevrouw Van Dolder haalde het boven water. Op 10 juli van dat jaar viel het besluit dat Clementinus Wijnbergen gedoopt wou worden. Hij bleek een joods militair te zijn, die op 12 november 1819 naar Utrecht ging.

Uit het prachtige, deftige handschrift en het mooie én correcte taalgebruik concludeert de archivaris dat het hoogstwaarschijnlijk om een officier ging die uit betere kringen afkomstig was. Zij kon niet achterhalen om welke reden Wijnbergen naar Utrecht ging. Vermoedelijk werd hij overgeplaatst.

De nomlen leren dat Clementinus „na genoten godsdienstig onderwijs het christendom wilde omhelzen”. De kerkenraad nam er met grote vreugde kennis van. Een bijgevoegde brief van Clementinus geeft inhoud aan zijn wens. Mevrouw Van Dolder: „Het is een heel ernstige brief van drie kantjes. Hij geeft er in aan dat zijn kennis aangaande het christendom „ontstoken” is en dat hij heeft „leren zuchten tot Jezus”., Het is een indrukwekkende brief’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 12 July 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

De Goudse dominee doopte elke dag

Bekijk de hele uitgave van Friday 12 July 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken