Bekijk het origineel

Een oude man tussen oude psalmen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een oude man tussen oude psalmen

Dingeman van der Stoep: „Als m’n beginsituatie anders was geweest, had ik tot een goed schrijver kunnen uitgroeien”

13 minuten leestijd

NI a vijftien jaren zag ik hem v/eer terug. Ik had de indruk van een vrij lange, magere en scherp formulerende man nog op mijn netvlies. Nu is hij fragiel, kleiner en ookgebogener. De ouderdom is hem aan te zien. Dingeman van der Stoep is in afwachting van zijn negentigste verjaardag. Komende dinsdag hoopt hij dit kroonjaar te beleven. Zijn emoties weet hij te bedwingen. Maar het verdriet is er. Toch wil hij niet klagen. „In alle bescheidenheid gezegd: Te midden van de vele schrijvers in het christelijke kamp heb ik een beetje moed niet een van de slechtsten te zijn geweest”.

H.ij ervaart dat zijn zes kinderen heel goed voor hem zorgen. Hij ontvangt dok liefde van zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Hij kan nog op zichzelf wonen, al worden de boodschappen voor hem gedaan en behoeft hij niet elke dag uitgebreid te koken. De warme maaltijden, door zijn dochters verzorgd, zijn in een mum van tijd vanuit diepvrieskoude op de voor hem gewenste temperatuur gebracht. Ook zijn rijbewijs werd dit voorjaar opnieuw verlengd! Van der Stoep maakt overigens geen grote afstanden meer met zijn auto, maar in Baarn mag hij graag wat rondrijden.

De hernieuwde kennismaking zit etop. We steken van wal en praten met elkaar.

Organisator

U werd in beschouwingen over uw werk nogal eens met het rijmpje geconfroteerd dat Fedde Schurer over u maakte...

„Ach ja, dat rijmpje uit 1958. Fedde Schurer meende het goed met me, toen hij dichtte: „Deez’ man, die zoveel goeds presteren kan, / Dat is geen woord-man,’ maar een Dingeman”. Toch vond ik het toen eigenlijk niet zo leuk, want ik heb me wel degelijk altijd een “woordman” gevonden. Ik ben immers m’n hele leven bezig geweest met woorden, boeken, tijdschriften. Uitgeverij Bosch en Keuning heb ik van af de oorlogsjaren gediend, eerst ais redacteur, later als directeur. Als Fedde bedoeld heeft dat ik geen theoreticus ben geweest, dan heeft hij natuurlijk helemaal gelijk. Ik ben nogal een organisator geweest. Ja, die moeten er in het schrijversen boekenwereldje nu eenmaal ook zijn”.

Hebt u zich ook echt schrijver gevoeld in de actievejaren van uw leven?

„Er zijn wat dit betreft twee perioden in mijn leven te onderscheiden. Ik heb op niet zo jonge leeftijd gedebuteerd. Als ik m’n eerste twee kinderboeken niet meereken, ben ik pas echt met de serieuze schrijverij begonnen met de roman “Zijn dat uw kinderen?” uit 1937. Ik was toen 31 jaar. Daarna kwam ik aardig los, onder andere met “Laterveer wil het rechte weten” uit 1939 en “Daatje en ik” uit 1941. Toen stopte het weer even tot de beginjaren vijftig. Toen verschenen achtereenvolgens “Charlientje en ik” en de drie “August en Alida”-boekjes”.

Fictiefwerk

„Daarna was het vrijwel helemaal afgelopen. Ik had er eenvoudig geen tijd meer voor. De uitgeverij slokte me nelemaal op. In 1971 verscheen er wel een boekje “Lachen tegen ‘t duimpje”, waarvan ik achteraf spijt heb dat het niet op een normale wijze is uitgegeven. Het verscheen als een soort relatiegeschenk aan m’n vrienden en bekenden uit de uitgevers- en schrij verswereld. Het is waarschijnlijk geen onaardig portret van mezelf geworden, maar het echt creatieve werk lag nog steeds stil. Dat kwam pas weer toen ik aan “Voeten in de aarde” begon, dat in 1980 uitkwam. Ik kreeg er toen weer plezier in, en ik had er ook de tijd voor.

Vrij snel daarna heb ik me nog eenmaal gewaagd aan fictiefwerk met “De dader ligt op Meerzijn”, dat in 1985 verscheen. Als ik het dus heel officieel formuleer, dan mag ik zeggen dat er twee periodes in mijn werk zijn te onderscheiden: werk uit m’n ‘jeugd’ en werk uit m’n ouderdom. Daartussen ligt wel heel veel, maar nauwelijks werk dat je tot de literatuur kunt rekenen”.

In 1953publiceerde u toch ook een gedichtenbundel?

„Ja, dat was “Dit kind”, een bundel met kerstgedichten. Maar ik vind mezelf geen dichter. De gedichten in deze bundel zijn bijna allemaal plichtmatig verschenen, al had ik er wel plezier in toen ik ermee bezig was. Er staan ook wel een paar goede gedichten in. Ik schreef elk jaar voor Bosch en Keuning een kerstgroet aan de relaties. Dat ging nogal eens in de vorm van een gedicht. Zo is dat bundeltje er uiteindelijk gekomen. Het eerste hierin is “Dit is net vertelsel van een Kind”, dat toentertijd nogal opgang maakte. Het was al eerder verschenen als een apart uitgaafje met tekeningen van Henk Krijger. Dat gedicht is heel wat keren gedeclameerd op kerstbijeenkomsten enzovoorts. Ik heb het uiteraard een plaatsje gegeven in m’n bundel. Na de publicatie van “Dit Kind” was het met de poëzie afgelopen”.

Gereformeerde grond

Vindt u zich een góéd schrijver?

„Ach, dat moeten anderen maar beoordelen. Ik heb, dacht ik, nog steeds geen plaatsje in een literaire encyclopedie... Maar m’n goede vriend Klaas Heeroma had wel waardering voor m’n werk. Hij zei nogal eens dat een bepaald kort verhaal gemakkelijk had kunnen uitgroeien tot een complete roman. Maar ja, daar ontbrak de tijd voor... Heeroma was als criticus toch niet de eerste de beste. Ik was met zijn opmerkingen dan ook best tevreden.

Zelf denk ik wel eens: Als m’n beginsituatie anders was geweest, had ik kunnen uitgroeien tot een goed schrijver. Maar ja, hoe gaat dat? Ik ben vrijjong getrouwd. Er kwamen al spoedig kinderen. Ik werkte voor de oorlog als redacteur bij de krant, de bladen van Het Kwartet, met name bij de Nieuwe Leidse Courant. Zelf vind ik “Laterveer wil het rechte weten” geen slechte roman. Ik kan dat boek met een tamelijk goed geweten opnieuw lezen, al is het natuurlijk enigszins gedateerd. De sfeer in het boek is in ieder geval authentiek. Zo zat het gereformeerde wereldje in elkaar.

Die sfeer heb ik met “Zijn dat uw kinderen?” waarschijnlijk nog scherper getroffen. De reacties op dat boek uit de eigen kringen logen er niet om. Vooral recensies in kerkbodes wezen hfet scherp af Men vond dat de degelijke gereformeerde grond onder de voeten werd weggegraven. Niet iedereen begreep dat ik wel kritisch schreef, maar vanuit een innerlijke verbondenheid. Daardoor heb ik een goede typering van het kleinburgerlijke gereformeerde milieu kunnen geven. Ikstamde er zelf uit. Ik kom uit een heel fijn gereformeerd gezin. Ik moet nu zelfs nog vaak aan mijn moeder denken. Alleen die geborneerde zelfgenoegzaamheid wilde ik doorbreken. Het was ookzo’n intellectualistisch wereldje. Maar ik dwaal af...”

Klein meesterwerk

„M’n beste boek is, denk ik, toch wel “Voeten in de aarde”. Kees Rijnsdorp noemde het een klein meesterwerk, en daar was ik heel gelukkig mee. En nu ik “De dader ligt op Meetzijn” nog eens herlezen heb, moet ik tot m’n voldoening constateren dat daar een goede plot in zit en dat het boek toch ook wel een boodschap heeft”.

Als we ons tot de laatste twee romans beperken, hoe zou u dan kort de boodschavan beide kunnen omschrijven?

„Nou, “Voeten in de aarde” krijgt door z’n titel direct al een extra lading mee. De dingen van God moeten reëel, concreet gemaakt worden. We moeten van de dienst van God niet iets vaags maken. Enerzijds is dit boek toch wel zoiets als een afrekening met een verstard en traditioneel-vormelijk gereformeerdendom, maar anderzijds proefje er ook iets in van een verlangen naar authenticiteit, naar zuiverheid. Ook wordt uit dit boek duidelijk dat niet op alle vragen een pasklaar en theologisch zuiver antwoord is te geven. Ik laat een meisje ongelukkig wegstrompelen; kans op beterschap is er nauwelijks. Én de Slootweg-jongen weet met dit lijden geen raad”.

Eenvoudige vroomheid

„In “De dader ligt op Meerzijn” geef ik een stukje maatschapij- en kerkkritiek. Wat de kerk betreft, heb ik daar juist de andere kant beriadrukt. In mijn eerste periode heb ik hopelijk laten zien, dat het wezenlijke van het geloof niet zit in intellectualistisch vertoon, maar in de eenvoudige vroomheid van bijvoorbeeld een Hilletje uit “Laterveer wil het rechte weten”. In “De dader” is dit accent ook aanwezig. Ik kan het niet uitstaan als de kerk uitgroeit tot een soort volksuniversiteit, waarin door middel van een soort wintercursussen van alles te doen is, terwijl het wezenlijke wordt gemist. En dat is de mystiek; noem het de bevinding”.

Voelt u zich thuis in uw kerk?

„Ik ben in mijn eigen Gereformeerde Kerken nooit een geliefd man geweest. Toen ik op de nominatie stond om tot diaken te worden gekozen, ging dat niet door. Ik had namelijk inmiddels “Zijn dat uw kinderen?” gepubliceerd; dat werd als een schop tegen het zere been ervaren.

Maar begrijp me goed, ik zou niet tot een van de ‘zware kerken kunnen behoren. Ik zie genoeg dingen in de Gereformeerde Kerken die niet goed waren en nog niet zijn. Ik ben ook beducht voor vrijzinnigheid, die ik sterker zie worden. Maar over het algemeen kan ik toch redelijk goed luisteren naar m’n predikanten hier in Baarn.

Ik ben nu te oud geworden om nog naar de kerk te gaan, maar ik heb altijd graag gekerkt. Ik houd echt van de kerk. Maar met Samen op Weg kan ik niets beginnen; men had daar naar mijn mening nooit aan moeten beginnen. Zoiets moet men niet van bovenaf willen opleggen; laat het maar rustig vanaf de basis ontstaan. Nu is het zonde van de tijd die men er als kerk insteekt”.

Moderne literatuur

„Naast die vrijzinnigheid zie ik ook een hang naar mystiek, naar geborgenheid. Die neiging zie ik óók bij prof Kuitert en bij een theologe als Dorothee Sölle. Ik heb hun boeken na mijn pensionering verslonden. Ik was echt door hen gegrepen. Maar op een gegeven moment ben ik ermee opgehouden. Ik moet zo langzamerhand andere dingen bedenken”.

Leest u nog veel?

„Ik houd twee kranten bij: Trouw en NRG Handelsblad. Aan een dikke pil kom ik nauwelijks meer toe. Ik heb op aanraden van een oude kennis “De ontdekking van de hemel” van Harry Mulisch gelezen, maar dat boek viel me niet mee. Ik vond het eerlijk gezegd nogal geconstrueerd. Ik lees nog wel eens omdat goede kennissen dit of dat aanraden. De moderne literatuur gaat echter helemaal aan me voorbij. Bovendien heb ik niet zoveel tijd! Voordat een oud man als ik beneden is, is er al heel wat gebeurd.

Ik lees nog wel trouw gedichtenbundels, Nijhoff bijvoorbeeld of Weremeus Buning. Er komen soms fragmenten bij me boven, en dan pak ik de bundel uit de kast om te kijken hoe het er ook weer precies staat. De laatste tijd heeft Jacqueline van der Waals me te pakken met die prachtige uitgave van haar Verzamelde Gedichten. Onlangs las ikzo’n pracht gedichtje, dat de spanning tussen “weten” en “bevinden”, tussen theologie en spiritualiteit zo prachtig weergeeft. Het luidt zo:

HEMEL

Ik vroeg: yVaorwoont Gij, God? „In mijnen ttemel”Il vroeg: Waarvinde ik dien? Toen spral Zijn mond;

„Mijn troon is boven zon en stergewemel In eeuwigheid gevestigd en de schemel Voor mijne voeten is dit aardsche rond”.

Ik sprak Voorzeker, Heer, maar ach, mij blinde, Zijn deze woorden vreemd en leeg van zin. Waar kan mijn liefde Uwe liefde vinden? En God sprak „In uw hart mijn welbeminde. Zoek mij aldaar, ook daar, daar woon ik in”.

Puur bevindelijk

„In de eerste strofe wil de dichteres het een en ander weten. Maar vanuit de tweede strofe merken we dat ze aan dat weten niet genoeg heeft. Het gaat om een ervaren van Gods liefde in het hart. Dat is nou puur bevindelijk”.

Wat denkt u van de huidige christelijke literatuur?

„Laat ik voorop stellen dat er talent moet zijn. Elke kring heeft een bepaald percentage literair begaafde mensen; dat geldt dus ook voor christenen. En ziedaar, toen was opeens Woordwerk er! En nu zelfs ook nog Bloknoot. Het is overigens een gekke situatie dat er twee elkaar concurrerende tijdschriften zijn. Die moeten natuurlijk zo snel mogelijk samengaan. Woordwerk vind ik typografisch gezien een voortreffelijk blad, maar het literaire niveau moet beter kunnen. Het lijkt wel alsof er geen goeie prozaschrijvers meer zijn. Naast goede afleveringen zijn er ook zwakke.

Bloknoot ken ik veel minder. Ik heb wel kennis genomen van het Heeromanummer. Daar staan mooie dingen in, maar Dirk Zwart had me wel eens mogen raadplegen. Heeroma was niet voor niets een van mijn beste vrienden! Maar ja. Dirk zal gedacht hebben dat Dingeman van der Stoep er aUang niet meer was. Onlangs is hij echter bij me geweest om me over Ontmoeting te vragen. Daar moet een themanummer over verschijnen. Naast deze bladen ken ik eigenlijk nauwelijks zelfstandig werkende auteurs die verdienstelijk zijn voor de christelijke literatuur”.

Onvoltooide roman

Stel dat u toch binnenkort in een literaire encyclopedie terechtkomt, hoe zou uw plaats dan willen aangeven in het literaire leven van de twintigste eeuw? „Nou, naast die paar boeken die ik ge

schreven heb, toch vooral als stimulator van het protestants’-christelijke Hteraire tijdschrift Ontmoeting. Zonder mijn goede vrienden Rijnsdorp en Risseeuw tekort te doen, mag ik wel stellen dat ik aan dat blad de belangrijkste bijdrage heb geleverd. Dat kwam door mijn positie als redacteur, maar tegelijk als uitgever. Het blad werd namelijk door Bosch en Keuning uitgegeven. Ik zat er dus het dichtst bij. Ook organisatorisch kon ik daardoor het meeste doen.

Ik zal me uiteraard geen groot schrijver noemen, maar de enkele romans die ik schreef, hebben nog steeds niet voor me afgedaan. In alle bescheidenheid gezegd: Te midden van de vele schrijvers in het christelijke kamp heb ik een beetje moed niet een van de slechtsten te zijn geweest”.

We kunnen geen werk meer van u verwachten?

„Er ligt nog wel een onvoltooide roman, maar ik weet niet hoe ik die af moet krijgen. De plot zit in m’n hoofd, maar het creatieve proces vergt zoveel van me dat ik ervan in de war zou raken. Ik denk dat ik zout in m’n koffie zou doen. Ik zou helemaal ontregeld worden; dat kan niet meer op mijn leeftijd. Het zal dus wel blijven liggen. Maar Hans Werkman be- waakt mijn archief; misschien weet hij een oplossing”.

Oudepsalmen

Hoe ervaart u het om zo oud te mogen worden?

„Behalve dankbaar ben ik ook bezorgd. Geestelijk ben ik nog fit. Ik kan hier nog wonen. Maar m’n persoonlijke toekomst? Een rotsvaste zekerheid ontbreekt. Toch geloof ik dat ik veilig ben. Ik kijk wel met zorg tegen m’n korte-termijntoekomst aan. Hoe zalhet lichamelijk verder met me gaan? Hoe zal het met mijn kinderen en kleinkinderen gaan? Dat zijn dingen waarmee je je bezighoudt.

Een deel van de ochtend gebruik ik voor mezelf zo’n beetje als ‘stille tijd’. Ik leg dan altijd de psalmen- en gezangenbundel in de buurt. Als er spontaan iets bij me boven komt, dan zijn het de oude psalmen. Die zijn er in m’n jeugd gewoonweg ingeheid. Maar door de nieuwe berijming voel ik me soms erg aangesproken. Ik denk bijvoorbeeld aan Psalm 4, in de berijming van K. Heeroma. In die psalm ligt ook iets van wat ik zelf ervaar in m’n beste ogenblikken”.

„Laat als ik roep mij op U hopen, o God van mijn gerechtigheid. Geef mij uw antwoord, doe mij open, die mij, als ik ben ingesloten, ruim baan maakt en mij weer bevrijdt Hoe lang zult gij mij blijven smaden, gij groten, door de schijn bekoord? Weet toch: de HERE slaat mij gade. Weet dat ik leef van zijn genade. Hij is het die mijn roepen hoort. (...)

Ik kan gaan slapen zonder zorgen, want slopend kom ik bij U thuis. Alleen bij U ben ik geborgen. Gij doet mij rusten tot de morgen en wonen in een veilig huis”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1996

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

Een oude man tussen oude psalmen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1996

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

PDF Bekijken