Bekijk het origineel

„Zending moet weer gaan leven”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Zending moet weer gaan leven”

Tien hervormde jongeren bezoeken Armeense evangelische gemeenten Syrië

6 minuten leestijd

HUIZEN - Weer terug naar Nederland. Dat was voor hen het moeilijkste. „ Je hebt het idee dat je een stukje van jezelf achterlaat. Je voelt je thuis, omdat mensen je je thuis laten voelen. Er is een vriendschapsband ontstaan, een broeder- en zusterband”. De jongelui zijn net terug uit Syrië en ze denken er nog met weemoed aan terug. „We begrijpen nu de gemeenschap van de Heilige Geest beter”.

Tien jongeren uit vier hervormde gemeenten brachten een bezoek aan de Armeense evangelische gemeenten in Syrië. Daarmee hebben ze het startsein gegeven voor een uitwisselingsprogramma tussen de gemeenten De Bilt, Groot-Amrners, Huizen, Middelburg en vijf Armeense gemeenten in Syrië. Het is een gezamenlijk initiatief van GZB, HGJB en IZB. Vier studenten uit Huizen vertellen over hun ervaringen.

Jaco van Vliet (21), Marjan van de Ridder (20), Janneke van Steeg (19) en Wilbert van Saane (21) zijn begin juli ruim twee weken in Syrië geweest. „Het was zaterdag toen we op het vliegveld in Damascus aankwamen. We waren best zenuwachtig. Twee gemeenteleden van de evangelische gemeente stonden ons al op te wachten. Het werd een warme ontvangst, heel ontspannen”, zegt Wilbert.

Ontvangen

Armeense jongeren ontvingen hen bij aankomst in Aleppo. De zondag daarop deelden het Nederlandse tiental en de begeleider van de GZB zich in drie groepjes. Ze bezochten de diensten in de drie Armeense evangelische gemeenten die Aleppo rijk is.

De communicatie verliep in het eerste weekend niet zo goed. De predikanten van de gemeenten gingen voor in hun moedertaal, het Armeens. „Er was nog geen vertaling. We lieten het maar over ons heenkomen”, zegt Jaco. „De mensen waren wel ontzettend vriende-lijk en je merkte een sterke onderhnge band”.

De kerkdiensten verschillen niet echt met die in Nederland. Jaco: „De gemeente wordt wel meer betrokken bij de dienst dan in Nederland. De ouder ling bidt en leest voor uit de Bijbel. Toen wij er waren, was een predikant een aantal jaren verbonden aan de gemeente. Hij werd toegesproken door een gemeentelid. Andere gemeentele- den deden het gebed”.

Dat gemeenteleden sommige taken van de predikant overnemen, vindt Janneke wel goed. „Een predikant heeft al genoeg te doen, ook in Nederland. Er zijn genoeg gemeenteleden die gaven hebben en deze ook kunnen gebruiken”.

Jeugddienst

Er waren weinig jongeren in de kerkdiensten. Wilbert: „De groep jongeren van onze leeftijd tot zo’n dertig jaar had een eigen jeugddienst. Om negen uur ‘s morgens begon de zondags school. Een uur later de dienst voor volwassenen. Om ongeveer elf uur begon de jeugddienst”.

De Nederlandse jongeren constateerden een kloof tussen de Armeense volwassenen en de jongeren. „Ze hebben ieder hun eigen verwachtingen van een kerkdienst”. Wat de Nederlanders opviel, was dat alle jongeren een taak hebben in het kerkenwerk. „Het is in de Armeense gemeenten ook veel persoonlijker. Het is maar een kleine groep en het is hun manier van overleven. Voor hen is de kerk het sociale leven. De sociale controle in de gemeenten is ook veel groter. Zo adopteerden de Armeense jongeren een arm oud vrouwtje. Ze regelden een huisje voor haar en kochten eten”, zegt Marjan.

De Armeniërs vroegen aan de Nederlandse jongeren of er in hun kerk ook arme mensen zijn. „We moesten er lang over nadenken en we konden geen antwoord geven”, zegt Marjan. Dit illustreert volgens de Nederlanders de lage sociale controle in het vaderland.

Aantrekkelijk

De eerste week bezochten de jongelui een conferentie in Kessab in Noord-Syrië. Het thema was: Het werk van de Heilige Geest en de taak van de kerk. Het programma zat volgens Marjan echt goed in elkaar. „De denk dat ze hier een goede theologische opleiding hebben”. Wilbert: „We hebben samen met de Armeense jongeren gekeken hoe de eerste christengemeenten functioneerden en. gezocht naar de gemeenschappelijke bron”. Verder dachten de twintig jongeren na over de toekomst van de kerk en de vraag hoe de kerk meer missionair bewust kan zijn. „We hadden dezelfde problemen, ontdekten we. Hoe houden we in de toekomst de mensen bij de kerk?"

„Als God aan het werk is, dan is het goed en niet omdat wij het doen. Eenheid van het lichaam, dat is het laatste wat je overhoudt. Daar moet je mee beginnen. Het is de gemeenschappelijke kern. De Armeniërs zijn bijvoorbeeld de hand en wij de voet. We weten nu wat de werking van de hand is. Het is een rijkdom dat je een ander stukje van Gods werk leert kennen. Je leert ook anders tegen jezelf aankijken, te relativeren”.

De doelstelling om door de cultuur heen elkaar te leren kennen is bereikt, vinden de jongeren. „Door met elkaar de Bijbel te lezen”.

Marjan: „In Nederland is alles zo gerieflijk. We blijven zo vaak oppervlakkig bezig. Je ziet bij hen veel meer toewijding. Je proeft dat zij het nieuwe leven kennen”. De Armeniërs vonden het vreemd dat er in Nederland zending wordt bedreven. „Ze snapten niet dat er bij ons mensen zijn die niet geloven”. In Syrië is dit anders. Iedereen is aangesloten bij een religieuze stroming.

Tijdens de conferentie was er ook gelegenheid om over de verschillende culturen te praten. De Nederlands jongeren bemerkten dat er een cultuurkloof bestaat. Marjan weet zeker dat „als we de gezamenlijke basis niet hadden gehad, het fout was gegaan”. Ze noemt een voorbeeld. „Als er wrijving is binnen een groep in Nederland, dan wordt dat uitgesproken. In Syrië is dat niet zo. Men is daar heel indirect. Ze zeggen niet wat ze voelen, maar als buitenstaander proefje de problemen wel”.

Angst

De politieke situatie in Syrië geeft de Armeense gemeenten geen problemen. Jaco: „De christenen worden met rust gelaten. Dat komt vooral door hun volksachtergrond. De president komt zelf uit een islamitische minderheidsgroep en zij zijn ook een minderheid. De gemeenten worden’wel in de gaten gehouden en ze mogen niet evangeliseren. Dit laatste is ook niet zo’n probleem, vertelden de jongeren ons. Ze hebben genoeg binnen hun eigen gemeenschap te doen. Ze zien wel met angst de toekomst tegemoet, hoe het verder moet gaan als er een andere president komt”.

Nu de jongelui terug zijn in Nederland, betekent dit voor hen niet het einde van het project. Ze vormen een ‘bruggenhoofd’ voor gemeentecontacten tussen Syrië en Nederland. „Het werk begint pas”, zegt Wilbert. „We gaan in elk geval vertellen ovef het werk”.

Jaco: „Dat is de bedoehng van het project. Het begrip zending moet weer gaan leven binnen onze gemeenten. De gemeenteleden moeten gaan denken: Hé, er gebeurt iets. En volgend jaar zal het in ieder geval concreet worden, als tien Armeense jongeren een bezoek brengen aan Nederland. We hopen dat we hen dan net zo gastvrij kunnen ontvangen als zij ons”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 juli 1997

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

„Zending moet weer gaan leven”

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 juli 1997

Reformatorisch Dagblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken