Bekijk het origineel

Uitglijders in het avounturenpark

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uitglijders in het avounturenpark

‘Adrenaline-junks’ en overmoedige toeristen zorgen voor file in de Alpen

11 minuten leestijd

Het grootste avonturenpark ligt niet bij Hellendoorn, maar in de Alpen. Want de tijd dat alleen specialisten zich met bergbeklimmen bezighouden, ligt achter ons. Ook zijn het niet alleen de ‘adrenaline-junks’ die onder het motto “no risk no fun” in de Alpen ondersteboven hangen. Jan en alleman waagt zich tegenwoordig aan een serieuze klauterpartij en lijdt daarbij aan ernstige vorm van zelfoverschatting. De berichten over ongelukken zijn daarvan het bewijs.

„Op de noordwestwand van de Taschhom bij Zermatt zijn vier alpinisten uit Duitsland door een ijslawine gegrepen. Ze stortten van 4100 meter hoogte 250 meter naar beneden”. „In de Franse Alpen stierf een Duitser op de Mont Blanc. Hij viel van 3700 meter hoogte enkele honderden meters naar beneden”.

Zomaar enkele berichten van de afgelopen weken. Het is u waarschijnlijk ook opgevallen: het aantal meldingen van verongelukte bergbeklimmers is de laatste maanden opvallend hoog. Alleen al in de eerste week van augustus kwamen twintig klimmers om op de Mont Blanc (4807). In totaal stierven de afgelopen tijd al meer dan honderd mensen tijdens klimpartijen in het (hoog)gebergte. Wat is er mis in de Europese Alpen?

Van Bruno Durer uit het Zwitserse Lauterbrunnen (Bemer Oberland) zou je mogen verwachten dat hij dat haarfijn kan uitleggen. Vanuit zijn kantoor heeft hij uitzicht op drie “toppers” in de Zwitserse Alpen: de onder vakantiegangers bekende Jungfrau (4158 meter), Mönch (4099) en Eiger (3970). Maar ook qua functie zit Durer als een spin in een web. Zo is hij als arts betrokken bij reddingsoperaties in het Bemer Oberland („tussen de 100 en 130 keer per jaar”), is hij verantwoordelijk voor de opleiding van reddingspersoneel en is hij voorzitter van de medische commissie van de Internationale Associatie voor de Bergsport, de UIAA. Verder houdt hij voor de Zwitserse “Alpenverein” het aantal ongelukken bij dat per jaar in zijn land plaatsvindt. Ten slotte is Durer ook nog eens gediplomeerd berggids.

Westkant Eiger

Als ik hem spreek, heeft hij net een reddingsoperatie achter de rug. „Gisterochtend hebben we twee mensen opgepikt van de westkant van de Eiger. Ze waren overvallen door een storm. De twee waren duidelijk niet goed getraind; ze waren totaal uitgeput. Met een helikopter hebben we ze er weggehaald”. Durer omschrijft de toestand waarin hij ze aantrof als „levensgevaarlijk” vanwege spiegelgladde rotsen. Maar de mannen brachten het er levend vanaf Dat heeft de dokter wel eens anders meegemaakt. De afgelopen twee maanden heeft hij al tien doden moeten bergen.

Desondanks maakt Durer zich niet overmatig zorgen over het grote aantal ongelukken van de afgelopen tijd. „Kijk je naar de overzichten voor de Zwiterse bergen dan zie je de laatste jaren juist een afname. Vergeleken met de laatste vijf jaar is er nu geen sprake van een uitzonderlijk jaar, al moeten we een slag om de arm houden; 1997 is nog niet aan zijn eind”. Durer bladert wat in een boekwerkje en somt op: „1990: 152 doden, 1991: 149, 1992: 124, 1993: 142, 1994: 126, 1995: 88 doden, vorig jaar: 98. Verder terug was 1985 een uitzonderlijk jaar met 195 doden”.

Dat er de laatste tijd veel ongelukken in betrekkelijk korte tijd plaatsvonden, houdt volgens hem verband met het uitzonderlijk barre weer in met name de maand juli. „In de Alpen viel vorige maand erg veel sneeuw, en al verbeterde het weer in augustus, nog steeds loeren er daardoor voor de tijd van het jaar ongekende gevaren. Zo is het hele gebergte nog nat, met door bevriezing spekgladde toppen, en ook de hard geworden sneeuwvelden verhogen het risico bij klimmen en dalen”.

Vakantiegangers

Onder zulke omstandigheden gaat zich een trend wreken waarover Durer zich wel enige zorgen maakt: de steeds groter wordende schare klimmers die met te weinig voorbereiding de bergen in gaat. Hij ziet vooral buitenlandse vakantiegangers vaak riskante tochten maken. „Ze hebben twee weken klimvakantie gepland, en dan móet het gebeuren, hé? Over minder goede klimomstandigheden kunnen ze zich niet druk maken - uitstel is zonde van hun vakantie. En met een gidsje met klimroutes in de hand, gaan ze op pad”. Onvoldoende getraind en ter plekke niet goed geacclimatiseerd, dat is vragen om problemen. Ieder jaar gebeuren de ongelukken het meest onder deze categorie klimmers, weet hij. „Niet sneeuwstormen of onweer, maar uitglijden vanwege vermoeidheid en onkunde ten aanzien van veiligheidsmaatregelen die daarna nodig zijn. vormen de belangrijkste oorzaken van ongelukken”.

Durers bevindingen worden bevestigd uit andere bronnen. Ook toeristenbureaus en ‘klimclubs’ weten het al lang: het grootste avonturenpark ligt niet bij Hellendoorn, maar in de Alpen. De tijd dat alleen pezige bergspecialisten zich richting top waagden ligt allang achter ons. Kantoorbediendes en andere ‘bureauplakkers’ wagen zich tijdens hun vakantie aan klimpartijen en lijden daarbij aan een ernstige vorm van zelfoverschatting.

„Ik denk dat het met een algehele mentaliteitsverandering te maken heeft”, zegt de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Alpen Vereniging (KNAV), L. Wildervanck. „Vijftien jaar geleden waren strandvakanties enorm populair, dat is nu een beetje over. Het zijn tegenwoordig allemaal ‘doevakanties’: fietsen in Maleisië, duiken bij de Malediven, noem maar op. En wat wij doen is natuurlijk bij uitstek geschikt voor zo’n doevakantie”.

Wellicht dat de vele flitsende documentaires, reclarnespots en films op de televisie mede debet zijn aan de populariteit van zulke actieve vakan ties. Erbij horen (en wie wil dat niet), jong zijn en blijven (idem) schijnt nog slechts op die manier gerealiseerd te kunnen worden.

Steeds voller

Hoe het ook zij, een gevolg is wél dat de rotsen voller en voller worden. Wildervanck: „In België en Duitsland is dat al een probleem - niet iedereen kan daar meer klimmen wanneer hij wil. Je moet van tevoren een pasje vragen, en dan maar hopen dat er ruimte komt. In de Alpen speelt dat ook steeds meer”.

Ook Edward Bekker ziet onervarenheid en gebrekkige voorbereiding als dé factoren die van bergklimmen een riskant gebeuren maken. De 35-jarige Nederlander opereert vanuit het Franse Chamonix als berggids. Met de Amsterdammer R. Steenmeijer is hij de enige officieel erkende berggids in Nederland, laat hij weten.

Her vooraf inlassen van een grondige acclimatiseringsperiode, ziet ook hij als een absolute ‘must’. Hij kan het deelnemers aan klimtochten niet vaak genoeg voorhouden. „Die grote hoogte heeft natuurlijk een enorm effect op je lichaam. Je hebt daar gewoon minder zuurstof, dus dat betekent dat je hersens minder snel werken, je wordt wat langzamer in je beslissingen. Vaak krijgen mensen ook nog eens hoofdpijn, ze worden misselijk of verliezen hun evenwichtsgevoel - allemaal heel gevaarlijk natuurlijk. Bovendien worden mensen ook een beetje apatisch. Dat is meestal einde oefening. Afdalen naar het dal is dan nog de enige remedie”.

Zouden al die Nederlandse berggeiten en -bokken horen dat ze niet voldoende geoefend ‘de lucht’ ingaan, dan zouden ze verontwaardigd reageren met: „Maar we hebben het hele jaar “indoor” geoefend!” Maar dat “indoor-klimmen” -klauteren in pokdalige muren van Nederlandse sportzalenis juist het probleem, vindt Wildervanck. „Het is leuk om te doen hoor, maar het heeft niets te maken met natuurklimmen. De kans op een ongeluk is daar eigenlijk nul. Er is in Nederlandse hallen nog nooit iets ernstigs gebeurd. Ze klimmen na een kopje koffie, in T-shirt en zonder rugzak, en denken dan: Nou jongens, dat kan ik in de vrije natuur ook! Maar dat is natuurlijk niet zo, want dan ben je niet meer van boven gezekerd, de haken kunnen wat losser zitten, de kalk kan wat afgesleten zijn. Kortom, er zijn zo veel factoren die het moeilijker maken dat is ook waarvoor we waarschuwen”.

Kabelbanen

Nu wordt onbezonnen types in het dagelijks leven meestal de weg versperd door allerlei veiligheidsmaatregelen. In de Alpen is het tegenovergestelde het geval, daar wordt het overmoedige ‘Robin Hoods’ juist extra gemakkelijk gemaakt om aan touwen te gaan bungelen. Durer: „Vroeger moest je eerst 10 kilometer afleggen voordat het echte klimwerk begon. Dat weerhield veel mensen om al te onbesuisd te gaan klauteren. Maar tegenwoordig brengen honderden kabelbanen de mensen dicht onder de top. Vooral toeristen uit het buitenland -wij noemen ze de weekendklimmers- denken dat ze daarna met gemak de resterende klim in drie uur kunnen maken naar een t;op van bijvoorbeeld 4000 meter”.

Maar afgezien van al die overmoedige vakantiegangers zijn er onder de specialisten natuurlijk ook de echte ‘gekken’ die-de bergsport onverantwoord beoefenen. Kenners spreken tegenwoordig van adrenaline-junks, die onder het motto “no risk no fun” de zotste capriolen uithalen. Ook die groep lijkt met het jaar toe te nemen. Volgens sommige insiders heeft dat te maken met het feit dat de bereidwilligheid om zich in vakantietijd in levensgevaar te begeven alom toeneemt.

Durer ziet ze vooral onder de soloklimmers, degenen die in hun eentje de rotsen beklimmen. „Als ’ solo’ s’ vallen is er niemand die ze kan redden. Dat is echt kamikaze”, zegt hij. „Ik vind bergklimmen een prachtsport, maar je moet je wél aan de regels houden. Doe je dat, dan is het waarschijnlijk niet gevaarlijker dan autorijden op de Nederlandse snelwegen. Ga je gekke dingen doen, dan is het pure zelfmoord”. Durer voegt eraantoe dat de meeste ongelukken niet op naam staan van deze avonturiers, maar op die van de veel grotere groep die juist denkt een gemakkelijke route te hebben uitgekozen.

Omkeren

Maakt het risico niet onlosmakelijk deel uit van het klimmen?

Bekker: „Het iS voor mij niet zo dat ik ga klimmen omdat er risico aan zit. Ik probeer dat juist zo klein mogelijk te houden. Ik ga niet puur voor de kick iets gevaarlijks doen. Maar er zijn natuurlijk wél zo af en toe bepaalde passages waaraan meer risico zit. Dan is dat wel een heel intense belevenis, ja. Toch blijft het ook dan in technisch opzicht een verantwoorde bezigheid. Ik kan ook wel eens omkeren hoor, als ik vind dat het te gevaarlijk wordt. Het is iets wat je van tevoren moet weten: hoeveel risico wil je nemen? De een is daar meer toe bereid dan de ander”.

Het wordt dringen daarboven. Zitten jullie elkaar niet een beetje op te jutten?

„Oh, ja er zijn routes, zoals op de Mont Blanc, waar het behoorlijk druk is. Vorige week was ik nog op de Matterhom (4478 meter). Daar moetje bij een passage soms wel even wachten. Op plaatsen waar het druk is -dat zie je ook in het verkeer- krijg je dan een bepaald soort agressie”.

Ook Wildervanck geeft toe dat zijn vereniging met roekeloze klimmers te maken heeft. „Bij de leeftijdsgroepen tussen de 18 en 25 is het natuurlijk iets wat aanwezig is - en dat is bij uitstek de leeftijdsgroep die veel klimt. We doen als vereniging daarom veel aan mentaliteitsbewaking. Posters ophangen in scholen en op universiteiten, met waarschuwingen als: “Denk erom, gedraag je fatsoenlijk, wees niet stoer”. Het gekke is dat als je kijkt naar de ongelukken die gebeuren, je niet kunt zeggen dat die vaak te maken hebben met roekeloos gedrag”.

Niet ongerust

Wildervanck is sowieso niet ongerust over het aantal Nederlandse ongevallen in de bergen, al stelt hij met nadruk dat elk ongeval er natuurlijk een te veel is. „We hebben in Nederland 55.000 georganiseerde klimmers en daarnaast zijn er nog eens 200.000 die ongeorganiseerd naar de bergen gaan. Wij hebben dit jaar drie dodelijke ongelukken gehad. Eén ervaren klimmer die met mooi weer met een loszittend rotsblok te maken kreeg. De andere was een ervaren alpinist die met ongunstig weer op grote hoogte te maken kreeg met uitputting en de derde was een ervaren wandelaar op leeftijd die op een wandelpad struikelde, naar beneden viel en tegen een boom sloeg. Drie doden op 55.000 georganiseerde klimmers, dat is relatief gezien gewoon binnen de marges”.

Wat is er nou zo leuk aan dat geklim?

Wildervanck: „De buitenwereld die zelf niet klimt heeft een bepaald beeld van de sport. Dat het gevaarlijk is, koud, hoog enzo. Maar ik kan u’ verzekeren dat als dat zo was wij niet zoveel leden zouden hebben. 95 procent van je tijd ben je met mooi weer buiten en ben je fijn aan het klimmen. Slechts een enkele keer heb je gewoon pech, vanwege een weersomslag of zo”. Wildervanck weigert de bergsport daarom als „gevaarlijk” te betitelen. „Op het moment dat je goed bent opgeleid, over goed materiaal beschikt, en je aan de regels houdt -door naar het weer te luisteren, en andere omstandigheden in de gaten te houdendan is het risico zeer aanvaardbaar. Drie Nederlanders op de 55.000. Dan krijg ik toch niet de indruk dat ik met iets gevaarlijks bezig ben”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

Uitglijders in het avounturenpark

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

PDF Bekijken