Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nieuwe tijden, nieuwe woorden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nieuwe tijden, nieuwe woorden

Termen als nozem en provo werden in de jaren zestig vaak gebruikt

9 minuten leestijd

Een levende taal wordt gekenmerkt door het bekende gezegde "opgaan, blinken en verzinken". Immers, er verschijnen niet alleen nieuwe woorden, er verdwijnen ook allerlei woorden en begrippen. Het verschijnen van nieuwe woorden wordt in belangrijke mate beïnvloed door uitvindingen en ontdekkingen zoals op het gebied van de elektronica. Nieuwe producten dringen de oudere naar het verleden en daarmee de namen van die oude producten.

Een taal wordt niet alleen verrijkt door woorden die het gevolg zijn van uitvindingen en ontdekkingen. Ook de gelegenheid maakt het woord. Bepaalde omstandigheden kunnen iemand op het juiste ogenblik een uitdrukking in de mond leggen die door de spraakmakende gemeenschap wordt overgenomen.

Een voorbeeld hiervan is de uitdrukking "aangeschoten wild". Deze typering gebruikte SGP-Tweede-Kamerlid Van Rossum. Hij typeerde hiermee op 19 december 1984 de positie waarin de minister van economische zaken, de VVD'er Gijs van Aardenne, terechtkwam door de RSV-enquête. Vastgesteld was dat hij de Kamer onjuist en onvolledig had geïnformeerd. Toch mocht deze minister blijven zitten, maar wel in een "aangeschoten" positie, totdat hij na de daaropvolgende verkiezingen alsnog uit het gezicht verdween.

Af en toe wordt dit begrip nog gehanteerd. In het aangehaalde geval is dus op dag en uur na te gaan wanneer aan een bepaald begrip een nieuwe betekenis wordt gehecht en door wie dit voor het eerst is gedaan. De term heeft het al jaren uitgehouden. De vraag blijft hoe lang deze term in de hier bedoelde betekenis nog zal worden gebruikt.

Een ander begrip, waarvan ook de geboortepapieren bekend zijn, is de naam die werd gegeven aan de wet op het voorgezet onderwijs. Deze wet regelt alles op onderwijsgebied. Daarom gaf de toenmalige voorzitter van de NCRV, mr. A. B. Roosjen -tevens Tweede-Kamerlid-, aan deze wet de naam "Mammoetwet". Sedertdien spreekt ieder die met onderwijs te maken heeft over de Mammoetwet.

Hoe lang 'leeft' een woord?

Het is een bekend feit dat in de wereld van de jongeren de feiten snel op elkaar volgen. Deze feiten kunnen een aantal nieuwe woorden opleveren, die overigens ook vrij snel weer in onbruik raken. Voorbeelden hiervan zijn "nozem" en "provo". Beide begrippen zijn nu al tamelijk onbekend. Toch werden deze woorden in de jaren zestig heel vaak gebruikt.

De uitvinder van het woord "nozem" was de onlangs overleden journalist Jan Vrijman. Hij introduceerde dit begrip in een serie artikelen in Vrij Nederland. Omstreeks die tijd braken in Nederland rellen uit naar aanleiding van bepaalde jazzuitvoeringen en de vertoning van de film "Rock around the Clock". Het begrip werd snel door andere bladen overgenomen en daarna door de volksmond.

Tien jaar later, in 1965, werd het woord "provo" geboren. Ook van deze term is het ontstaan precies bekend. De bedenker was de huidige emeritus hoogleraar in de criminologie Wouter Buikhuisen. In zijn proefschrift "Achtergronden van nozemgedrag" beschreef hij de problemen die jongeren in de eerste helft van de jaren zestig veroorzaakten. De herrieschoppers van toen kwamen nogal provocerend over. Vandaar de naam "provo" die Buikhuisen aan deze groep gaf. Bij de huidige generatie jongeren zijn de begrippen nozem en provo onbekend. Het sociale patroon is tegenwoordig van een andere aard en vereist dus andere begrippen.

Een nog steeds gebruikte uitdrukking is de term "positieve grondhouding". De houder van het auteursrecht daarvan is oud-premier Ruud Lubbers. Hij heeft deze woorden voor het eerst gebruikt in 1982, toen hij werd aangezocht om Dries van Agt als minister-president op te volgen. Deze woorden sloegen aan, met het gevolg dat ze ook nu nog af en toe in de door Lubbers bedoelde zin worden gebruikt.

Bromfiets

Een woord dat een onuitwisbare plaats in onze taal heeft ingenomen, is "bromfiets". Dit woord is wel op een heel bijzondere wijze ontstaan. De vroeger bekende wetenschapsjournalist Gerton van Wageningen zat op een goede dag met zijn dochtertje aan de waterkant. Op een gegeven ogenblik kwam er een fiets aan met een merkwaardig bijgeluid. Het bleek een rijwiel met hulpmotor te zijn. "Kijk pa, een bromfiets", zei Van Wageningens dochtertje. Het woord was geboren. Dankzij het feit dat vader een bekend journalist was en het woord "bromfiets" hem aansprak, kreeg dit woord grote kansen. Zou Gerton van Wageningen het woord niet interessant hebben gevonden en, wat in feite belangrijker is, zou hij geen journalist zijn geweest, dan zou dit woord snel zijn verwaaid in de wind.

Door dit voorval wordt aangegeven dat ook kinderen en niet alleen kamerleden en premiers taalscheppend bezig kunnen zijn. Tevens is het een feit dat de verspreiding van een nieuw woord ook aan bepaalde toevallige omstandigheden kan liggen. Maar dan moet er wel iemand, veelal een journalist, zijn die het nieuwe begrip de moeite waard vindt om het aan het grote publiek door te geven.

Pessimisme

Niet meer zo vaak gebruikt is de term "doemdenken", uitgevonden door een hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. De omstandigheden gaven indertijd kennelijk aanleiding tot een zeker pessimisme. Nu het met de conjunctuur goed gaat en de dreiging uit het oosten is verdwenen, zal het gebruik van het woord snel afnemen. Wellicht zal men over honderd jaar dit woord in een oud woordenboek aantreffen. Men zal zich dan afvragen wat de aanleiding was om zo'n woord uit te vinden.

Zal men over honderd jaar nog dezelfde betekenis hechten aan "kraken" en "krakers", woorden die al jaren met huisvesting in verband worden gebracht? Het gaat hier niet om een nieuw woord maar, net als met "aangeschoten wild" om het geven van een nieuwe betekenis aan een bestaand woord. Net als postzegels vertellen zulke woorden een stukje geschiedenis. Ze zijn de weerslag van een maatschappelijk beeld dat in een bepaalde tijd leeft. Misschien is het verzamelen van woorden die verdwijnen net zo interessant als het verzamelen van postzegels. In elk geval doen de woordenboekmakers dit allang.

Zeg maar

De genoemde nieuwe woorden zijn ontstaan door bepaalde politieke en sociale gebeurtenissen. Andere ontstaan door het presenteren van een nieuw product. Er zijn ook woorden die los van een duidelijke voorval of aanleiding ontstaan.

Deze woorden hebben veelal de functie van tussenwerpsel of stopwoord. Dat zijn woorden die men kan weglaten zonder aan de betekenis van de boodschap tekort te doen. Ook stopwoorden of tussenwerpsels zijn gebonden aan de tijd waarin ze zijn ontstaan. Een voorbeeld hiervan is het aan het begin van dit decennium en ook nu nog veelgebruikte "zeg maar...". Om de andere zin kon men "zeg maar" horen. Ieder gebruikte dit woordenpaar, van hoog tot laag, ook in België. Wie dit woordenpaar als eerste in de mond heeft genomen en wanneer, is niet bekend.

In een aantal gevallen is "zeg maar" de rechtsopvolger van de tot vervelens toe gebruikte woorden "dus" en het nu nog dikwijls gebruikte "ik bedoel". Men heeft dan de behoefte zichzelf te verduidelijken daar men al of niet terecht de indruk heeft dat men niet duidelijk genoeg is.

Het "zeg maar" wordt ook gebruikt als een soort samenvatting van het zojuist gezegde. Ed Nijpels, vroeger minister van milieu, gebruikte in zijn alleszins begrijpelijke toespraken dikwijls het woord "kortom". Dan volgde in korte bewoordingen een herhaling van het zojuist gestelde.

Taalarmoede

Het woordenpaar "zeg maar" wordt ook gebruikt om een alternatief aan te geven, in de zin van: zoals gezegd; anders gezegd; met andere woorden; dit komt neer op. Aan het slot van een zin kunnen ze betekenen "om het zomaar te zeggen". Andere synoniemen zijn: noem het maar; als ik het zo mag zeggen, of: zal ik maar zeggen. Beide woorden kan men ook gebruiken ter vervanging van "pak hem beet", "pakweg" of "om een dwarsstraat te noemen". De functie van "zeg maar" is velerlei. Hoewel er genoeg andere woorden zijn om te zeggen wat men wil, wordt toch in veel gevallen dit woordenpaar gebruikt.

Als tussenwerpsel is "zeg maar" aan te treffen als men op een bepaald punt in het spreken niet direct weet wat men wil zeggen en bij wijze van spreken even tijd wil winnen. Het overmatige gebruik ervan kan van een zekere taalarmoede blijk geven. Men is niet in staat snel alternatieve begrippen te vinden. Dit woordenpaar wordt functioneel in een zin waarin moeder tegen Jantje, die voor Pietje een gunst vraagt, zegt: "Zeg maar tegen Pietje dat het goed is". Van een stopwoord of een zichzelf nodeloos verduidelijken is dan geen sprake; moeders "zeg maar" heeft in deze zin een duidelijke betekenis. Voor het overige vervullen de woorden nauwelijks een zinvolle functie.

De voorlopig laatste 'uitvinding' is van premier Kok. Tijdens het debat over de nachtvluchten op het vliegveld Beek, najaar 1996, introduceerde hij de term "randen van de nacht". De vraag is nu of het woord "randen" later in een vergelijkbare betekenis zal worden gebruikt zonder dat de nacht hierbij wordt betrokken.

Vernederlandst

Hoe lang blijven nieuwe woorden in gebruik? Dit verschijnsel wordt door taalkundigen nauwkeurig in woordenboeken bijgehouden. Als een woord het maar lang genoeg uithoudt, wordt het vastgelegd. Verdwijnt een bepaald woord uit de omgangstaal, dan zal het bij een volgende uitgave van het woordenboek worden weggelaten. Dit gebeurde ook bij de samenstelling van de laatste uitgave van de Grote Van Dale.

Het raadplegen van verschillende drukken van woordenboeken kan dus tot interessante ontdekkingen leiden. Woordenboeken zijn tot op zekere hoogte ook geschiedenisboeken. Het plotseling verschijnen van een nieuw woord of woordenpaar is in elk geval het bewijs dat onze taal springlevend is. Het bewezen scheppend vermogen van onze taal maakt het overdadig lenen van woorden en uitdrukkingen uit met name uit de Engelse taal overbodig. In dat verband verdient het aanbeveling na te gaan hoe men in IJsland en Zuid-Afrika (het Afrikaans) de komst van nieuwe begrippen, zoals computer, benadert. In Nederland kennen wij geen vertaalinstituut. Niettemin werd jaren geleden het woord "floodlight" tot "strijklicht" vernederlandst. Tegenwoordig ziet men iets dergelijks in de "computerologie". Alleen is het woord computer nog niet door een goed Nederlands woord vertaald. Wel werd "hard disk" vervangen door "harde schijf" en "print" als zelfstandig naamwoord door "uitdraai".

Wellicht kunnen wij op onze beurt af en toe leentjebuur spelen bij de Zuid-Afrikanen. Dan hoeven we niet meer te spreken van "weekend" maar kunnen we het doen met "naweek", tenzij men massaal kiest voor "weekwisseling". Dat zien we nog niet direct gebeuren omdat er achter dit woord een duidelijke filosofie zit, een gedachte die door de lezers van dit blad wordt gedragen.

374

5

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1998

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Nieuwe tijden, nieuwe woorden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1998

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's