Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Faust, mens tussen God en duivel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Faust, mens tussen God en duivel

Voor Goethe is het menselijke, rusteloze zoeken de sleutel tot verlossing

10 minuten leestijd

Wat is er van Goethes tweedelige tragedie "Faust" in de herinnering gebleven? In Nederland zal dat niet veel zijn, al moet de populariteit tijdens de 19e eeuw groot zijn geweest. De liberaal Thorbecke schudde de Faust-citaten uit zijn mouw. Het PvdA-parlementslid echter dat enkele jaren geleden in de Tweede Kamer de solidariteit als "des poedels kern" van de sociaal-democratie betitelde, wist duidelijk niet uit welke bron hij putte. Die bron was "Faust". De 250 jaar geleden geboren Johann Wolfgang von Goethe heeft vrijwel zijn hele leven aan deze tragedie gewerkt. In navolging van Flaubert met zijn "Emma Bovary" zou Goethe kunnen zeggen: "Faust, dat ben ik."

Het allereerste begin van Goethes Faust is de zogeheten Opdracht. In deze tekst spreekt de dan bijna 50-jarige auteur Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) over de schimmen uit het verleden die naderbij komen. Ik citeer de vertaling uit 1911 van C. S. Adama van Scheltema: "Voel ik mijn hart nog door uw beeld bewoond?" Dit is de Goethe die zich zijn eerste scheppingsperiode, de tijd van de Sturm und Drang, in de universiteitsstad Straatsburg herinnert en de emoties van weleer voelt terugkeren: "Wat ik bezit, schijnt ver terug te treden,/ En wat verdween, wordt mij tot werklijkheden."

Tot datgene wat verdween, behoort de historie van de geleerde Doktor Faustus, die in ruil voor kennis van de magie zijn ziel aan de duivel verkocht. Faust -voor wie de alchemist en bioloog Paracelsus model staat- zegt zich toe aan diegene die zijn vragen beantwoordt.

"Voel ik mijn hart nog door uw beeld bewoond?" Dat is ook de vraag die de titelfiguur uit de tragedie zich stelt. Alle wetenschappen heeft deze geleerde bestudeerd om achter het raadsel van de schepping te komen: "Dat ik ontdekke, wat de aard/ In hare samenhang bewaart." De wetenschap is hem het antwoord schuldig gebleven. De magie wijst hem eveneens af. In zijn wanhoop meent Faust dat er slechts één mogelijkheid over is gebleven om die alomvattende kennis deelachtig te worden: de dood door het drinken van gif. Maar, op het moment dat Faust het besluit tot zelfdoding heeft genomen en de gifschaal aan zijn lippen brengt, hoort hij de klokken en het gezang van de paasmorgen. Het koor van engelen zingt: "Christus is opgestaan!/ Zalig de sterflijke,/ Met de verderflijke,/ Sluipende, erflijke/ Zonden belaân." Het paasgezang uit deze uiterst ontroerende passage herinnert Faust aan het geloof dat hij ooit bezat. Hij keert naar het leven terug. De duivel, Mephistopheles, krijgt nu de kans om -overeenkomstig de vrijheid die God aan de duivel toestaat- een pact met Faust te sluiten. Als poedeltje komt Mephisto de werkkamer van Faust binnen, als zichzelf verlaat hij de ruimte weer. Het is het begin van een gezamenlijke tocht van mens en duivel door de wereld en door de geschiedenis tot en met een visioen van de mensheid der toekomst.

Duivel als metgezel

De tragedie "Faust" wordt beheerst door de tegenstelling tussen het verhevene en het lage, het edele en het smerige. Dat wordt al meteen duidelijk in de scène met de titel "Proloog in de Hemel", waarin de drie aartsengelen Raphaël, Michaël en Gabriël optreden en op een prachtige manier God en Zijn schepping lofprijzen: "De onbegrijplijk grote werken/ Zijn heerlijk als op d'eerste dag." Deze lofprijzing wordt onmiddellijk aangevallen door Mephistopheles: "De kleine God op aard blijft steeds van 't zelfde slag,/ En is zo wonderlijk als op de eerste dag." De duivel wijst er fijntjes op dat de mens uit de toon valt, er een janboel van maakt en dat hij zijn verstand gebruikt om nog dierlijker dan het dier te zijn. Wie heeft gelijk in zijn inschatting van de mens, God of de duivel? Om die kernvraag draait het eerste deel van de tragedie. De duivel krijgt de vrije hand in zijn pogingen om Gods dienaar Faust van zijn oorsprong af te trekken, mits hij Faust in leven laat: "Zolang hij op de aarde leeft,/ Zolang zij het u niet verboden./ Hij dwaalt, de mens, zolang hij streeft."

Faust sluit een pact met Mephistopheles. Wat is de voorwaarde die Faust in het verdrag met de duivel stelt? In de woorden van Faust: "Zo ik tot het ogenblik zal zeggen:/ O toef gij nog! Gij zijt zo schoon!/ Dan moogt gij mij in boeien leggen,/ Dan neem ik graag 't verdiende loon." Het lijkt voor de duivel een gemakkelijk klusje te worden. Hij meent dat de in de heksenkeuken met behulp van de in de toverpotten roerende meerkatten verjongde Faust door allerlei oppervlakkig en ordinair vermaak in zijn verlangen naar de totale eenwording met het ogenblik bevredigd kan worden. Ook Fausts liefde voor Gretchen wordt door Mephisto in het vulgaire getrokken.

Toch heeft de scherpzinnige duivel niet helemaal ongelijk wanneer hij de schuldig geworden en ongelukkige Faust op diens verwijten antwoordt: "Waarom maakt gij gemene zaak met ons, wanneer gij dat niet vol kunt houden? Gij wilt vliegen en zijt niet zeker voor een duizeling? Drongen wij ons aan u op, of gij u aan ons?" Dat is de spijker op de kop. Zonder Mephisto en zijn kunsten zou Faust niet met Gretchen hebben kunnen slapen. De mens Faust heeft de duivel als zijn metgezel uitverkoren en moet zich niet vromer voordoen dan hij is.

Gretchen

Het eerste deel van "Faust" wordt wel als tragedie van de wetenschapper Faust en tevens als Gretchentragedie aangeduid. Vooral het gebeuren rondom Gretchen is zeer sterk verankerd in vertrouwde voorstellingen van zonde, geloof en vergeving. In het gesprek van Faust met Gretchen -dat door luistervink Mephisto als catechisatie wordt betiteld- moet Faust de waarheid spreken over zijn geloof in God en Jezus Christus. De beroemd geworden "Gretchenfrage" luidt: "Zeg nu toch eens, hoe 't met je godsdienst staat?" Faust onttrekt zich aan een begripsmatige vastlegging van zijn gedachten over God. Zoals hij in een der eerste scènes het begin van het Evangelie naar Johannes: "In den Beginne was het Woord" wikt en weegt en het "Woord" door allerlei varianten vervangt, zo blijft hij ook hier in het vage. Gretchen moet uiteindelijk sterven - zij wordt onthoofd als straf voor de moord op haar (en Fausts) kind. Maar aan het slot van het eerste gedeelte klinkt in de kerker waar zij gevangen zit een stem uit de hemel, die zegt dat Gretchen door haar berouw vergeving heeft gevonden.

Faust leeft van de voorstellingen van het christelijk geloof, maar het werk onttrekt zich tegelijkertijd aan het door de christelijke belijdenis gegeven kader. Het tweede gedeelte laat dat duidelijker zien dan het eerste. Het bestaat, in tegenstelling tot het eerste deel, uit vijf bedrijven. In het eerste bedrijf ontwaakt Faust en lijkt de belofte van Mephisto om na de kleine nu de grote wereld te bezichtigen in vervulling te gaan. Die grote wereld is allereerst het middeleeuwse hof van de Duitse keizer. Door de hulp van Mephisto wordt het rijk gered. De duivel vindt het papiergeld uit.

Faust verlangt echter naar Helena, de schoonste vrouw van de Klassieke Oudheid. Dankzij de door Fausts assistent Wagner ontwikkelde kunstmatige mens, de Homunculus, lukt het in het tweede en derde bedrijf om zich naar Thessalië in Griekenland te verplaatsen. Helena plaatst zich onder de bescherming van de als Germaanse vorst optredende Faust. Het dan volgende huwelijk van Faust met Helena symboliseert de vereniging van het Germaanse met het Helleense schoonheidsideaal. De vrucht van het huwelijk is Euphorion, het zinnebeeld van de poëzie. Zijn grote eerzucht laat hem slechts kort leven. Euphorion valt, wanneer hij poogt naar de hemel te vliegen. Helena volgt haar verongelukte zoon naar de onderwereld.

Schuld en verlossing

Hiermee is een keerpunt in het leven van Faust bereikt. Hij is gelouterd door zijn droom van de vereniging met de hoogste schoonheid. Hij beseft nu dat zijn streven naar de hoogste vervulling van het bestaan niet vervuld kon worden in de doordroomde vereniging met een schimmig verleden, maar dat zijn verlangen slechts bevrediging kan vinden in nuttige arbeid in het heden die de mensheid ten goede komt. In het vierde bedrijf zien we dat Faust een groots en machtig werk tot stand wil brengen. Hij wil de zee indammen en het veroverde land in vruchtbare akkers herscheppen ten dienste van de mens. Ook nu weer gelukt hem de uitvoering van zijn plannen alleen maar met behulp van de dubieuze assistentie van Mephisto. Zonder de duivel geen politieke macht voor Faust.

Het tweede deel van "Faust" lijkt soms bijna te bezwijken onder de bizarre en fantastische invallen van zijn auteur. Toch is er die rode draad van de christelijke levensinterpretatie. Ondanks de verbreding en verdieping van Fausts tocht door wereld en geschiedenis blijft de vraag van schuld en verlossing, van de positie van de mens tussen God en duivel ook gedurende het tweede deel bestaan. Het vijfde bedrijf trekt dat kader zelfs weer nader door de oud geworden Faust met de verpersoonlijking van christelijke naastenliefde in de gestaltes van Philemon en zijn vrouw Baucis te confronteren. De nu 100-jarige grijsaard Faust kan geen bevrediging vinden in zijn arbeid, macht en rijkdom. Hij richt zijn onvrede op het hutje van de twee oudjes die als bewaarders van een vervallen kapelletje volkomen gelukkig zijn. Het luiden van het klokje van de kapel irriteert Faust mateloos. We worden aan de klokken uit het eerste deel, de paasklokken, herinnerd. Faust wil de oudjes verplaatsen om van het gezeur af te zijn. Natuurlijk moet Mephisto hier weer de helpende hand bieden. Hij is de kracht tot wie de hele, door onrecht totstandgekomen, rijkdom van Faust te herleiden valt. De duivel deelt de afkeer van klokgebeier. Hij voert Fausts opdracht nogal hardhandig uit. Philemon en Baucis sterven, evenals een gast in hun huis. Faust betreurt deze gewelddadige uitvoering van zijn opdracht. Hij wast opnieuw zijn handen in onschuld.

Rusteloos zoeken

Het visioen van de daarna blind geworden Faust is van politieke aard. Hij ziet in de geest op het land dat door indijking aan de zee is ontfutseld, dit land met Nederlandse contouren, "een vrij volk" op vrije grond. En met dit vooruitzicht sterft Faust, terwijl zijn laatste woorden luiden: "In 't voorgevoel van zulk een heil op 't end/ Geniet ik thans mijns levens hoogst moment." (Nederlandse vertaling van Nico van Suchtelen uit 1920.) Uiteraard meent Mephisto dat hij met het in vervulling gaan van het "Verweile doch! du bist so schön!" de weddenschap heeft gewonnen. Maar de engelen dragen het onsterfelijk deel van Faust ten hemel: "Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen." ("Wie tot het eind volhardend streeft,/ hem kunnen wij bevrijden.") Niet het geloof, maar het rusteloos zoeken is de sleutel tot de verlossing. Menig lezer zal hier net zo beteuterd staan te kijken als de duivel zelf. Maar dit laten vieren van de band met de grondbegrippen van het christelijk geloof was vooral door het tweede gedeelte duidelijk voorbereid. Vanuit de Proloog in de Hemel gezien is het allemaal hoogst onbevredigend. Maar we hebben sinds die schitterende lofzang op God en Zijn schepping in dit stuk en in de geschiedenis een weg afgelegd die het geloof grondig heeft veranderd en in de ogen van menigeen ook heeft ondermijnd.

Faust is een historisch stuk, in die zin dat de geschiedenis van de Europese mens vanaf de Oudheid via de Middeleeuwen naar het rationalisme van de negentiende (en de twintigste) eeuw hierin is verbeeld. Maar ook in de betekenis dat het stuk zelf geschiedenis heeft gemaakt en door de koppeling van verlossing aan rusteloze activiteit en voortdurend streven naar meer kennis de poort heeft geopend voor misbruik door zowel het nationaal-socialisme als het communisme. Goethe heeft dit wel een beetje voorzien, getuige zijn gesprekken met zijn trouwe dienaar Eckermann. Maar waarom zou Goethe hierin het laatste woord moeten hebben? De woorden en beelden zijn immers daarom zo indrukwekkend, omdat ze corresponderen met de diepste gevoelens van angst, zonde, berouw en hoop op verlossing in ons leven. Faust is de incarnatie van de verschillende lagen in onszelf. Wie zal kunnen verhinderen dat de diepste laag bij het begrijpen van dit schitterende schouwspel toch die van de Faust van het eerste deel is, die door de klokken van Pasen naar de ware verlossing wordt teruggehaald?

Over het onderwerp "Goethe en het christendom" houdt Hans Ester vanavond een lezing aan de universiteit van Utrecht, Academiegebouw, Domplein 29, zaal 009, om 19.30 uur. De Duitstalige voordracht over hetzelfde onderwerp vindt plaats op 7 april in het Goethe-Instituut, Herengracht 470, Amsterdam. Aanvang: 20.00 uur.

Aan Goethes 250e geboortedag besteden we aandacht met een serie van drie artikelen. Op 12 april deel 2: Goethe als politicus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 29 maart 1999

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Faust, mens tussen God en duivel

Bekijk de hele uitgave van maandag 29 maart 1999

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken