Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tabaksplanters en een kolonie in Suriname

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tabaksplanters en een kolonie in Suriname

Rhenense kerkenraad aanvankelijk niet blij met kerkbouw in buurdorp langs de Rijn

7 minuten leestijd

Veenendaal is afgesplitst, en nu Elst ook nog. Daar is de kerkenraad van Rhenen niet enthousiast over. De afsplitsingen betekenen een financiële aderlating. Toch kreeg Elst een eigen gemeente. Het kerkdak lijkt er op een tabaksschuur.

Nadat Veenendaal in 1700 van de gereformeerde gemeente van Rhenen was afgesplitst, volgde "Elst, bij Amerongen" in 1819, toen het kerkverband inmiddels Nederlandse Hervormde Kerk heette. Dwars door het dorpje Elst loopt de grens tussen de burgerlijke gemeenten Amerongen en Rhenen. Kerkelijk viel men onder de Rhenense Cunerakerk.

Veenendaal droeg na het zelfstandig worden niet langer bij in de kosten van predikant, kerk en armenzorg in Rhenen. Voor Elst zou hetzelfde gelden, en dat was niet welkom nu Rhenen net op het punt stond een nieuwe predikant te gaan beroepen. De gevolgen van het verzoek tot verzelfstandiging uit Elst zouden overigens minder groot zijn dan die van de afsplitsing van Veenendaal, want Elst had in 1815 nog geen 400 inwoners. Van hen waren er 71 belijdend lidmaat; van veertig was het beroep bekend: tabaksplanter.

Barre tocht

De buurtschap Elst lag op bijna anderhalf uur lopen van Rhenen. Vooral in de wintermaanden was het soms een barre tocht. Onderweg was er nauwelijks gelegenheid om te schuilen voor de regen. En als het water in de Rijn hoog stond, was de Onderweg slecht begaanbaar. Deze weg lag in de uiterwaarden, buiten het bedijkte land. De nieuwe straatweg lag hoger.

De eerste verzoeken om in Elst een kerk te mogen bouwen, dateerden van 1814 en liepen mede door de tegenwerking van Rhenen op niets uit. De minister en secretaris der Eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk nam op grond van de argumenten van Rhenen een negatief besluit.

In 1817 werd er opnieuw een rekest ingediend en daarop kwam op 19 augustus 1819 een positief besluit. Tegelijkertijd gaf koning Willem I een subsidie van 1000 gulden, voor die tijd een groot bedrag. De rijksbijdrage als basisvergoeding voor het traktement van de predikant was vastgesteld op 800 gulden per jaar. De rest moest door de gemeenteleden zelf opgebracht worden.

Kerkbouw

Elst en de tabaksproductie waren tot medio 1960 nauw met elkaar verbonden. Tabak was een van de belangrijkste middelen van bestaan. De plantages strekten zich uit over een gebied waarvan Elst en Amerongen het centrum vormden. De tabaksplantages waren omringd door bonenhagen, om te voorkomen dat de wind de tabaksbladeren zou beschadigen.

Na de Tweede Wereldoorlog zou de tabakshandel nog kortstondig opleven, om daarna langzaam maar zeker verdrongen te worden door tabak uit de Verenigde Staten en Indië. De tabak uit Elst diende hoofdzakelijk als pruimtabak. Omdat het pruimen afnam, daalde de vraag naar deze tabak.

De planters droegen in 1818/1819 een deel van de opbrengst van de tabaksoogst af voor de bouw van kerk en pastorie. Voor 900 gulden werd er langs de Nieuwe Straatweg een perceel grond gekocht. De volledige kosten zijn niet meer te berekenen, omdat de verkopende partij ook een perceel grond elders in Elst kreeg aangeboden.

In 1818 begon de bouw van de zaalkerk en op 7 november 1819 werd het gebouw in gebruik genomen. Ds. G. J. Coolhaas uit Amerongen preekte daarbij over Ezra 3:11. Om deze bijzondere dienst luister bij te zetten, kwamen er zangers uit Ingen, Rhenen, Veenendaal en Wageningen.

De kerk was niet alleen voor heilbegerige zielen aantrekkelijk. Kooplieden bleken zich wel erg opdringerig te gedragen in de omgeving van de kerk. Voor en na de diensten deden ze goede zaken. Er kwam een verbod op deze praktijken en ook de kroegen moesten tijdens de diensten gesloten zijn.

Orgel

De bevolking van Elst had zelf de kanselbijbel en het avondmaalsservies bij elkaar gespaard, zegt S. van de Oosterkamp. Ruim dertig jaar was hij als ouderling en scriba bij de kerk betrokken en hij verricht er nog allerlei vrijwilligerswerk. De wetenswaardigheden over de kerk somt hij moeiteloos op.

Een deel van het kerkinterieur was afkomstig van een Franse kerk in Leiden. Hiervan is nu vrijwel niets meer aanwezig. Het oude doophek is verwerkt in de lezenaar. De armblakers en de herenbanken zijn al geruime tijd geleden verdwenen. Het kerkinterieur is in 1963 opgeknapt en er zijn beschilderingen aangebracht op de balken en in het tongewelf.

Zoals de schoolmeester in vacante tijden de besluiten van de kerkenraad op moest schrijven, zo was hij ook voorzanger. De organist en de orgeltrapper werden in december 1860 benoemd. Tot de komst van het nieuwe orgel in mei 1861 maakten ze gebruik van een huisorgel. Het nieuwe instrument werd gebouwd door orgelbouwer Lindsen uit Utrecht. Bij de ingebruikname preekte ds. H. F. W. van Straaten over Genesis 4:21. Er zijn geen aanwijzingen dat er vóór 1860 al een orgel in de kerk heeft gestaan.

In 1969 werd het orgel van Lindsen vervangen door een groter orgel van Fonteyn & Gaal te Amsterdam. De voormalige pastorie, die met de kerk één geheel vormde, is in 1959 afgebroken. De studeerkamer van de predikant was tevens consistoriekamer. De huidige pastorie staat uit de rooilijn van de bebouwing langs de Rijksstraatweg.

Begraven in de kerk was maar korte tijd mogelijk. De nieuwe wet op de lijkbezorging maakte er in 1829 een eind aan. Een echt kerkhof bij de kerk is er nooit geweest. Er werd al vrij snel na de invoering van de wet gebruikgemaakt van de algemene begraafplaats aan de Straatweg.

De kerk heeft sinds 1964 een kerkzegel met een tekst uit Psalm 65: "De rivier Gods is vol water". Ds. A. Stekelenburg, die deze tekst aandroeg, keek vanuit zijn studeerkamer uit op de Rijn, vandaar. De tekst is inmiddels meer dan eens gebruikt in een intrededienst.

Suriname

Ds. G. W. Bisschop uit Veen werd op 2 juli 1820 de eerste predikant van Elst. Op 19 september 1824 nam hij wegens vertrek naar Doornspijk afscheid met een preek over 2 Korinthe 13:11b.

De nieuwe predikant was ds. Arend van den Brandhof uit Schalkwijk. Op 15 mei 1825 deed hij intrede met Matth. 28:20 en in 1845 nam hij afscheid met Joh. 17:26. Op het predikantenbord in de kerk staat heel eenvoudig: Suriname. Ds. Van den Brandhof was al vanaf 1840 bezig om als predikant naar Suriname te komen, maar alle predikantsplaatsen in de kolonie waren bezet. Gegrepen door de verslechterende omstandigheden onder de eigen gemeenteleden, trof hij voorbereidingen om in Suriname een kolonie voor Nederlandse boeren te stichten. Tegenslagen zorgden voor uitstel en bijna voor afstel.

De predikant wilde met zijn boerenkolonie laten zien dat het goed mogelijk was om zonder slaven plantages in volstrekte harmonie te laten bewerken. Hij wilde een modelplantage inrichten, met predikanten en boeren in het bestuur. Vanwege de positieve grondhouding zag het gouvernement in Paramaribo er wel wat in. Men hield al rekening met definitieve afschaffing van de slavernij, maar dat zou nog tot 1863 duren.

In mei 1845 vertrok ds. Van den Brandhof met een grote groep gemeenteleden en streekgenoten naar Suriname. In het lidmatenboek in Elst is geen aantekening te vinden over deze volksverhuizing van zo'n driehonderd personen. Alleen het vertrek van de predikant is genoteerd. Als mogelijke reden van de niet-vermelding is genoemd dat de meeste kerkenraadsleden van eenvoudige komaf waren. De predikant hield als scriba tevens de notulen bij.

De kolonisatie liep uit op een grote teleurstelling. De plantage werd in 1853 gesloten. Een jaar later keerde Van den Brandhof terug naar Wijk (bij Duurstede). In 1863 is hij in Terborg in de Achterhoek overleden.

Dakconstructie

Na de Tweede Wereldoorlog is nog eens duidelijk uitgesproken dat er in Elst sprake moest zijn van gereformeerde prediking. Bij het beroepen van een predikant werd daarmee nadrukkelijk rekening gehouden.

De kerk is qua interieur niet erg bijzonder. Een zaalkerk zoals er meer zijn gebouwd. Het meest bijzondere en tevens de reden waarom de kerk toch is aangewezen als rijksmonument, is door het tongewelf verborgen. Dit gewelf is in 1900 aangebracht omdat het met name in de wintermaanden te koud was onder het hoge dak.

De verborgen bijzonderheid is de dakconstructie, die opmerkelijk veel overeenkomsten vertoont met die van een tabaksschuur. De eikenhouten balken werden op landgoederen in de omgeving uitgezocht, evenals de takken die als dwarsverbindingen dienen. Die werden op het oog uitgezocht. Spijkers werden er niet gebruikt. De delen van de hank zitten met houten pennen aan elkaar vast. Op de hank werden in een tabaksschuur de bladeren te drogen gehangen. Het woord lijkt overigens een vervorming van het woord "hang" en wordt buiten Elst doorgaans niet gebruikt voor een bouwconstructie.

Blikseminslag

De kerk moet binnenkort gerestaureerd worden. De kozijnen worden weer in de oude staat van 1900 teruggebracht. In het hout van het tongewelf zit al geruime tijd de boktor. Eerdere behandelingen om het beestje te verwijderen hebben niet geholpen.

De elektrische installatie van de kerk werd recent onklaar gemaakt door blikseminslag. Nu staat de wijzerklok stil en de luidklok zwijgt voorafgaand aan de diensten.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 2000

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Tabaksplanters en een kolonie in Suriname

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 2000

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's