Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een gereformeerde bisschop in Amsterdam

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een gereformeerde bisschop in Amsterdam

Ds. Gerardus Kulenkamp wilde de leer zuiveren van hernhutter ketterijen

9 minuten leestijd

Al tijdens zijn leven werd ds. Gerardus Kulenkamp (1700-1775) geroemd als groot geleerde en exegeet. De liberale geschiedschrijver C. Sepp noemde hem in de negentiende eeuw een man van "in menig opzigt ongewone gaven." Jarenlang gaf hij leiding aan het Amsterdamse gereformeerde predikantenkorps. Vooral werd hij bekend als orthodox kampioenvechter tegen de hernhutters en hun geestelijk leider, graaf Zinzendorf.

Op 30 oktober 1700 kwam Gerardus ter wereld in de Noord-Duitse stad Bremen. Hij studeerde in zijn geboortestad en later in Utrecht onder de hoogleraren Van Alphen en Lampe. Als student schreef Kulenkamp een Latijnse scriptie, die later werd vertaald als "Verhandeling tegen het vooroordeel van het menschelijk gezag" (1734). In Amsterdam legde hij in 1725 met succes zijn preparatoir examen af. Hij was enige jaren verbonden aan Nieuw-Loosdrecht en Delft, om van 1733 tot zijn dood in 1775 de gereformeerde gemeente van Amsterdam te dienen. Een verzoek van zijn geboortestad Bremen om daar predikant en theologisch professor te worden, wees hij van de hand.

Mannelijke geleertheid

Kulenkamp was een leider van formaat. Als de gereformeerden een bisschop hadden gehad, was Kulenkamp dat zeker geworden, schreef eens een geschiedschrijver. Hij bewaakte met hand en tand de gereformeerde orthodoxie en schreef diverse geleerde exegetische werken en catechisatiemethoden. Dat Kulenkamps catechetisch werk veel is gebruikt blijkt uit het feit dat nog in 1825 in het breed gelezen intellectuele tijdschrift "De boekzaal" werd geadverteerd met zijn "Bijbelschat of de voornaamste geschiedenissen van het Oude en Nieuwe Testament" (1758). En tien jaar later, in 1835, verscheen een kinderbijbel van "vader Kulenkamp", een prentenboekje voor de christelijke jeugd met 160 afbeeldingen.

Een tijdgenoot noemde zijn exegetische publicaties "het werk van eenen Apollos". Kulenkamp schreef een grote verhandeling over Psalm 51 onder de titel "De ware boetvaardigheit" (1743), waarvan reeds een jaar later een herdruk uitkwam. Veel lof oogstte hij met "De naam Jehovah, Israels Rotssteen", een verklaring van Deuteronomium 32 die eind jaren vijftig verscheen.

De theologische faculteit van Groningen roemde het werk als "een meesterstuk eener ware uitlegkunde, daar iedere bladzijde 't beeld van de keurige en mannelijke geleertheid, van 't schrander oordeel en van de uitgebreide kennisse der goddelijke zaken, zijnes waardigen makers kennelijk vertoont."

Populair

Minder fraai was de rol die Kulenkamp speelde in de geruchtmakende zaak rond zijn collega-predikant ds. J. Tyken. Evenhuis heeft er onderhoudend over verteld in zijn "Ook dat was Amsterdam" (deel vier). Wat was er aan de hand: Tyken was van overspel beschuldigd. Het gerucht ging door de stad dat hij een buitenechtelijk kind had. Kulenkamp schreef dat Tyken zelf aanleiding had gegeven tot het gerucht. Een buurvrouw van de bewuste dame had hem immers gewaarschuwd niet zo vaak binnen te lopen. Ook had een zeker heer de predikant "in zijn japon en met zijn rotting" het huis van de vrouw zien verlaten.

Dat liet Tyken niet op zich zitten. Hij antwoordde dat hij de vrouw driemaal per week pastoraal bezocht vanwege relatieproblemen. Kulenkamp moest zelf eens uitkijken. Er waren heel wat vrouwen in Amsterdam die hem naliepen. Enzovoorts. "Men vraagt zich af", geeft Evenhuis als commentaar, "hoe deze dienaren des Woords elkaar zo hebben kunnen toetakelen."

De populariteit van de Amsterdamse herder lijkt er weinig onder te hebben geleden. De gereformeerde gemeente van Amsterdam droeg haar pastor op handen. Dat bleek wel in 1758, toen het 25-jarig jubileum van Kulenkamp onder grote belangstelling werd herdacht. Diverse leden hadden de predikant in de "De Boekzaal" met een ontboezeming willen eren. Maar de redactie liet weten dat er geen ruimte genoeg was. Daarom verscheen een afzonderlijke "Toe-zang aan den wel eerwaarden, godzaligen en hoog-geleerden Heere Do. Gerardus Kulenkamp". De dominee werd geprezen om zijn haat, een goede wel te verstaan, want een "haat uit liefde voor de Waarheid." Kulenkamp kwam tevoorschijn als degene "die t' Heil-geloof verdeedigde, en/ De duist're Dwaalingen deed kennen door de klaarheid/ Van 't Euangelie-licht, dat op den Kand'laar blinkt".

Hernhutters

Zeker weten doelden zijn aanhangers daarmee ook op Kulenkamps intensieve pennenstrijd tegen graaf Nikolaus Ludwig von Zinzendorf en diens volgelingen. Sinds de jaren dertig van de achttiende eeuw hielden de zogeheten hernhutters -genoemd naar hun bakermat Herrnhut in Oost-Duitsland- zich op in de Republiek. Ze stichtten gemeenten in Amsterdam, Haarlem, IJsselstein en Zeist. Kenmerkend voor hun vroomheid is een eenvoudige overgave aan Jezus als de Heiland, een afkeer van dogmatische leertwisten, een grote drang om ook de heidenvolken in het heil te laten delen en een oecumenische gezindheid. Dat klinkt allemaal gezond, maar de gereformeerde theologen bespeurden daarnaast toch zaken die ze moeilijk konden verteren. In de jaren veertig verschenen tientallen strijdschriften waarin de hernhutters als gevaarlijke "enthusiasten" werden gebrandmerkt.

Kulenkamp ontpopte zich als de felste bestrijder. Geen man die zo veel en zo intensief de hernhutters heeft aangevallen. Honderden vellen papier verdeeld over diverse dikke boeken schreef hij vol met dwalingen die hij wist op te sporen. Hernhutters doen zich wel voor als eenvoudige en vrome lieden, die zichzelf door het bedrijven van ambachten in het leven weten te houden, maar in werkelijkheid zijn het vervaarlijke ketters, aldus de predikant.

Met de "Herderlyke en Vaderlyke brief" (1738) leverde de Amsterdamse kerkenraad het feitelijke startschot voor de nationale bestrijding. Het stuk was door Kulenkamp geformuleerd. In niet mis te verstane bewoordingen kregen de hernhutters een serie ketterijen onder de neus gewreven. Ze zeggen een voortzetting te zijn van de oude Boheemse kerk van Jan Hus, maar dat is een leugen, want ze verwerpen de leer van de bijzondere genade die de oude Boheemse kerk wel beleed. Ze stellen hun kerkelijke gemeenschap open voor vogels van diverse pluimage, zoals Joden en socinianen. Ze leren dat een christen in dit leven volmaakt kan worden. En, zeker niet in de laatste plaats, ze stellen hun inwendige licht boven het geschreven en gepredikte Woord van God.

Geestdrijverij

Vooral aan dat laatste argument tilde Kulenkamp zwaar. Kort na het verschijnen van het herderlijk schrijven publiceerde hij een tweedelig werk met als veelzeggende titel "De Naakt ontdekte Enthusiastery, geest-dryvery, en bedorvene Mystikery der zogenaamde hernhuthers" (1739, 1740). Na het doorbladeren van het hernhuts gezangboek was het hem "middagklaar" geworden waar "dese lieden" thuishoren. Het zijn geestdrijvers, evenals de mystieke filosoof Petrus Poiret (1646-1719) en de quakers in Engeland. Met tientallen citaten toonde de gereformeerde polemist aan dat de hernhutters het innerlijk licht absoluut stellen. Zo zingen ze bijvoorbeeld het lied: "Hier gaat het niet aan, dat men het hart aan woorden bindt." Zie je, aldus Kulenkamp, het hart van de hernhutters wil niet gebonden zijn. Het slaat los, en laat zich niet gezeggen door de letterlijke waarheden van Schriftuur en verkondiging, die op deze manier hun gezag verliezen.

Met een treffende volzin verdedigde Kulenkamp zijn ijver voor de waarheid. Het ging hem om niets minder dan "den waarheit lievenden lezer te ontzwagtelen de grouwel geheimen des hernhuthschen Gezangboeks, die men zo glimpig tracht te verbergen onder, en te verbloemen met, Bybelsche spreekwyzen, ter waarschouwinge van eenvoudige en min oplettende, of in de geheime taal der Mystiken niet onderwezene: Op dat zig niemand door schoon spreken mogt laten aftrekken van het waarachtig geschrevene woord Gods, als de enige regel van ons Geloof en wandel, tot een valschelyk voorgewend inwendig ingeschapen woord." Kulenkamp citeerde Luther nog, die had gezegd dat de mystieke godgeleerdheid tot onszelf laat inkeren, maar dat de ware godgeleerdheid alleen naar Christus als heilsfontein doet uitgaan.

Bloed en wonden

Grimmig werd de bestrijding vooral in de tweede helft van de jaren veertig. Die periode is wel aangeduid als de "Sichtungszeit" - een tijd van zifting (Zinzendorf), waarin de hernhutters een crisis doormaakten. In de broedergemeente werden de wonden van Christus in zeer plastische bewoor dingen bezongen. Christus' zijdewonde, veroorzaakt door de speerstoot, kreeg alle aandacht. Allerlei vreemde verkleinwoordjes deden hun intrede. Zo riep het zoontje van de hernhutsgezinde dominee Deknatel vlak voor zijn sterven uit dat hij het "zijden-hooltje" zou "groeten, groeten, en kussen, en er diep, millioenmaal diep in verzinken." Na zijn sterven dichtte Deknatel het liedje

Mijnes lieven Jakobs zieltje

Is nu bij het Lammelein

Hij is daar in 't zijden-hooltje

Millioenmaal diep daarin.

De bloed-en-wondentheologie van de hernhutters verhevigde de weerstand, zeker toen ook nog eens bleek dat tientallen -vooral Amsterdamse- gereformeerde lidmaten contacten onderhielden met de hernhutters. Diverse commissies van de kerkenraad, waarin Kulenkamp zitting had, deden onderzoek naar mensen die aan de hernhutse stellingen waren vastgekleefd. Dat waren bepaald niet alleen ongeletterden. Ook catechiseermeesters, een proponent, en zelfs de gereformeerde predikant David Brünings moesten op het matje komen om verantwoording af te leggen. Kulenkamp ging Duitse pamfletten vertalen, bijvoorbeeld van de rigoureuze stadssecretaris van Büdingen, Alexander Volck. In navolging van deze man schreef Kulenkamp "dat er t' zedert de tijden der Apostelen geen grouwelijker en vuiler secte in de kerke is bekent geworden." Hoewel hij eigenlijk geen zin meer had nog meer "in dien modderpoel der hernhutsche schriften te moeten wroeten", publiceerde hij nog een aantal "echte gedenkstukken."

Zinzendorf weigerde stuk voor stuk op de talloze beschuldigingen in te gaan. Het behoorde juist tot zijn fundamentele inzicht dat een waar christen zich niet inlaat met het bestrijden van medechristenen. In Kulenkamp wilde hij dan ook nadrukkelijk een broeder herkennen. Hij noemde de gereformeerde bisschop "ein treuer und standhafter Bekenner der volgültigen Gerechtigkeit Jesu Christi, ein Zerstörer der eigenen Gerechtigkeit, ein Feind der Mystique, mein Mann." En hij voegde eraan toe dat hij deze persoon graag als oudste of helper aan de Broedergemeente had willen verbinden. Kulenkamp reageerde door te zeggen van dergelijke "graafelijke caressen" niet gediend te zijn.

De Boekzaal prees de Amsterdamse predikant voor zijn dikke boeken tegen de hernhutters met een uitbundig lofdicht. "Heb dank, o Kulenkamp! Uw lof zal eeuwig duuren. Daar gij den laster stuit, Gods Kerkbruid opgedicht. Hier houd de Heilleer stand, terwijl de Helleer zwicht". Zinzendorf kreeg een minder mooie benaming, die we hier kunnen weglaten.

Vraagtekens

Of de ijver van Kulenkamp in alle opzichten terecht is geweest, valt nog te bezien. Er zijn op z'n minst vraagtekens te plaatsen bij de niet altijd rechtvaardige strijdmethoden. Ook op de interpretatie die hij van de hernhutter spiritualiteit gaf, is wel wat af te dingen. Weliswaar is de beweging allerminst vrij te pleiten van mystificerende tendensen, maar dat de hernhutters het innerlijk licht zomaar boven de Schrift stelden, is niet juist. Eerder was sprake van een stellen van het innerlijk licht naast de Schrift, als twee noodzakelijke pilaren van het christelijk geloof. De waarheid moet half in ons hart, half in de Bijbel geschreven staan, had Zinzendorf geschreven. Hij oriënteerde zich op het werk van Luther. Toch is Kulenkamp terecht geroemd als een van de markantste figuren onder de achttiende-eeuwse theologen. Hij heeft zijn sporen verdiend als een leeuw die pal stond voor de gereformeerde orthodoxie en als gezaghebbend en geleerd pastor van een vermaarde Europese stad. Of, in de woorden van zijn grote vijand, die mogelijk dichter bij hem stond dan hij zelf bevroedde: als een belijder van de gerechtigheid van Christus, en een verwoester van de eigen gerechtigheid.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 2000

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Een gereformeerde bisschop in Amsterdam

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 2000

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken