Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De werkster van Gerrit Achterberg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De werkster van Gerrit Achterberg

5 minuten leestijd

"Werkster" is een van de bekendste gedichten van Gerrit Achterberg. Regels zoals: "Zij kent de onderkant van kast en ledikant" en "Symbolen worden tot cymbalen in de/ ure des doods" blijven in je hoofd hangen, ook al is het lange tijd geleden dat je het gedicht gelezen hebt. Achterberg schreef "Werkster" in de zomer van 1947, kort nadat zijn bundel "En Jezus schreef in 't zand" was verschenen. Het vers sluit goed bij die bundel aan omdat het een duidelijke christelijke thematiek heeft: in de hemel, in het nieuwe Jeruzalem is alles anders dan op aarde, er is dan geen verschil meer in rang en stand.

Het gedicht heeft de vorm van een sonnet en daar maakt de dichter dankbaar gebruik van. Immers, in een sonnet vormen het octaaf (r. 1-8) en het sextet (r. 9-14) een contrast: er zijn verschillen op inhoudelijk vlak en verschillen in de vorm (de strofebouw en de rijmklanken).

In het octaaf geeft de dichter een rake en plastische tekening van de vrouw die werkster is. Eén facet van haar wordt uitvergroot: ze is een stoffende, kruipende vrouw die als het ware aan de vloer verkleefd is. Ze heeft zich er zelfs aan "verpand", eraan overgegeven. Ze heeft zich er geheel aan toegewijd, zoals je je hart aan iets kunt verpanden. De k-klanken werken als hamerslagen en geven de eerste strofe een grote consistentie of hechtheid: kent, onderkant, kast, ledikant, planken, kieren, kruipend.

Vooral haar nederige positie wordt benadrukt. Letterlijk en figuurlijk bevindt ze zich 'onder': zowel aan de onderkant van de kast als aan de onderkant van de maatschappij. Ze loopt niet, maar ze kruipt. Dit laatste eveneens letterlijk en figuurlijk; "kruipend" betekent ook: slaafs, overdreven deemoedig.

Het standsverschil heeft de dichter van zeer nabij meegemaakt. In Neerlangbroek, waar hij in 1905 geboren werd, was zijn vader koetsier in dienst van de graaf van Lynden van Sandenburg. Er staan nogal wat kastelen in Neerlangbroek. In de hervormde kerk was de adel letterlijk hoog gezeten in aparte luifelbanken met wapens. Het personeel zat lager en de onderdanigheid was groot, zo schrijft Wim Hazeu in zijn biografie over Achterberg. Dit autobiografische element speelt zeker mee in "Werkster", al treedt de adel er niet in op. Het octaaf eindigt niet voor niets met "er is onderscheid in rang en stand." Knap is hier vooral het gebruik van het woord "stand." Het heeft hier twee betekenissen tegelijkertijd; zowel rang of positie in de maatschappij als houding, de wijze waarop iemand zijn lichaam houdt, en dat is hier dus "kruipend." Opnieuw vallen letterlijke en figuurlijke betekenis samen!

Na regel 8 komt de wending. Het octaaf speelt op de aarde, het sextet tekent de hemelse situatie. Niet alleen aarde en hemel, maar ook heden en toekomst (hiernamaals), tijd en eeuwigheid staan tegenover elkaar. In het octaaf is de werkster de hoofdrolspeler: de twee strofen beginnen beide met "zij"; het sextet daarentegen begint met "God." De rollen worden totaal omgekeerd. In de hemel, of op de vernieuwde aarde, heerst een andere orde. Er is daar geen onderscheid meer in rang en stand. Ook de werkster loopt nu net als alle anderen in "de gouden straten" naar Gods troon. Ze "gaat", ze kruipt niet meer. En haar aardse attributen, stoffer en blik die symbolisch zijn voor haar werk, veranderen in "cymbalen" tot Gods lof zodra "de ure des doods" is ingetreden.

De schitterende formulering "Symbolen worden tot cymbalen" is zo bekend geworden dat een recente bloemlezing met poëzie "uit de christelijke traditie van de twintigste eeuw" (samengesteld door Klaas de Jong, Hans Werkman en Jaap Zijlstra) de titel kreeg: "Symbolen & cimbalen". Het is een duidelijke hommage aan Achterberg.

En "daar" zijn ook degenen die vroeger boven haar stonden. De parallellen tussen regel 7 en regel 14 zijn duidelijk: "predikanten"/ "de dominee"; "kruidenieren"/ "de bakker"; "dichters"/ "de frik." Vooral de laatste parallel is interessant: Achterberg was zowel dichter als schoolmeester! Maar belangrijker is de verschuiving van meervoud naar enkelvoud, van de groep naar de enkeling, uitgedrukt door het lidwoord "de": ieder mens die voor God komt te staan, staat daar als individu, als apart persoon. We kunnen ons dan niet meer verschuilen in een groep. Het geloof is immers een persoonlijke zaak!

Theologisch klopt het niet helemaal. Achterberg laat het uur van de dood en het lopen op de gouden straten samenvallen. De tijdsspanne tussen dood en opstanding slaat hij over. Nergens lees je ook in de Bijbel dat we na de opstanding onze aardse attributen weer in de hand hebben! Maar Achterberg was geen theoloog. Hij was een dichter en op dichterlijk-creatieve wijze stelt hij op indringende wijze zijn thematiek aan de orde.

Nog een slotopmerking over de drie personen in de laatste strofe: dominee, bakker en frik. Het lijkt erop alsof ze de werkster honen. Maar dat is verkeerd gelezen. Niet de werkster wordt gehoond, maar haar aardse 'lot'. Er staat immers: "haar lot ten hoon." Als de werkster sterft en wordt opgenomen in heerlijkheid staat haar aardse lot te kijk. In het licht van de eeuwigheid wordt haar nederige aardse positie aan de kaak gesteld. Zij die boven haar stonden zijn nu haar gelijken geworden. In het perspectief van de goddelijke, hemelse orde is de aardse orde -en rangorde- eigenlijk alleen maar bespottelijk!

KADER

"WERKSTER"

Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.
Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand.
God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met de stoffer op het blik.
Symbolen worden tot cymbalen in de
ure des doods - en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.

Gerrit Achterberg

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 5 maart 2001

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

De werkster van Gerrit Achterberg

Bekijk de hele uitgave van maandag 5 maart 2001

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken