De boer als Noach
Vreemd is dat, iets wat diep weggezonken is in je geest kan soms ineens bovenkomen. Zo ging het mij met een bekend gedicht van Aart van der Leeuw (1876-1931). Misschien dateerde de herinnering nog uit mijn middelbareschooltijd, misschien uit de periode dat ik Nederlands studeerde. Maar zelfs in het laatste geval is het meer dan veertig jaar geleden dat ik het las en dat het me ontroerde. Onlangs kwamen ineens flarden van regels in mijn gedachten, maar hoe ik ook zocht, ik kon het gedicht nergens vinden. Totdat een goede vriend, altijd bereid te helpen, mij de complete tekst leverde.
De uitbraak van mond- en klauwzeer was de aanleiding tot de herinnering. Tot voor kort schijnen burgers en buitenlui niet beter geweten te hebben of voor de agrariërs waren hun beesten niet méér dan producenten van melk en vlees. Nu zijn ze tot de ontdekking gekomen dat boeren met hun dieren een emotionele band hebben. Ze verzorgen en koesteren niet alleen hun dieren, ze praten ook met hen.
Toen ik dat las, kwam het gedicht van Aart van der Leeuw terug. "De dieren" heet het, maar centraal staat een boer die in de avond "voor het laatst zijn hoeve rond" gaat... die ceremonie ken ik nog van thuis. Op de boerderij waar ik opgroeide was dat het laatste werkje van iedere dag. Voordat mijn vader zijn bed opzocht, ging hij nog één keer naar de schuur. "Opvoeren" noemde hij dat, maar in andere regio's sprak men over "afvoeren". Het betekende in ieder geval het laatste voedsel geven voor de nacht. Ik zie hem nog al het vee langsgaan. Of alle dieren ook iets kregen weet ik niet meer, wél de paarden, die voorzien werden van een pluk hooi en een schepje haver.
De boer uit het gedicht doet dat ook, hij gaat langs de paarden, "verwelkomd door een dreunend hoefgeklop." Hij praat tegen de paarden en streelt hen. En blijkbaar zijn ze daarop ingesteld, want één van hen steekt hem zijn "manenkop" toe. Wanneer de boer dan weer terug is in huis en
De handen boven 't vlammend haardvuur heft
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en 't niet beseft."
Blijkbaar is de boer alleen, althans over vrouw, kinderen of huisgenoten krijgen we niets te horen. De dichter is volledig op hem geconcentreerd. Hij laat hem in z'n eentje de dag besluiten:
Hij peinst, en leest in 't boek met koop'ren sloten
Het hoofdstuk uit dat Noachs tocht beschrijft.
Je ziet het vóór je, hoe existentieel de boer bij de oude geschiedenis betrokken raakt. Ten slotte vloeien verleden en heden voor hem volkomen ineen. Hij beleeft het oude verhaal alsof hij Noach zelf is, die met zijn ark vol vee op het water van de zondvloed dobbert. En dan volgen de ontroerende slotregels:
Gansch in het wonderbaar verhaal verloren
Terwijl hij mijmrend in den haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over 't water vaart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 18 april 2001
Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 18 april 2001
Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's