Negatief beeld van landbouw onjuist
Nederlandse consument zit voor dubbeltje op de eerste rang
DEN HAAG - In de agrarische sector lijkt het allemaal kommer en kwel. Mkz, bse, varkenspest, hoge landbouwsubsidies en wat al niet meer, zetten de toon. Toch gaat het lang niet zo slecht als vele criticasters -onder wie minister Brinkhorst van Landbouw- beweren.
Het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) maakt ieder jaar de balans op van de belangrijkste ontwikkelingen in de agrarische sector in het zogenaamde Landbouw-Economisch Bericht. Hierin wordt over de gang van zaken in 2000 een vrij positief beeld geschetst. In algemene zin profiteerde de sector van de bloeiende wereldeconomie en de zwakke euro, want hierdoor nam de agrarische uitvoer toe tot een recordniveau van bijna 100 miljard gulden, ofwel bijna 20 procent van de totale Nederlandse goederenexport.
Afgezien van de akkerbouw hebben de agrarische sectoren het over het algemeen aardig gedaan, aldus LEI-directeur prof. L. Zachariasse. De glastuinbouw, boomteelt en de bloembollenteelt hebben zelfs erg goede resultaten behaald en ook de intensieve veehouderij is weer op de weg terug. Door de bse-crisis in de runderhouderij hadden de varkens- en kippenhouders te maken met een opleving van de vraag en betere prijzen.
Schaalvergroting
Veel boeren en tuinders merkten de opleving in hun portemonnee, al lopen de resultaten per bedrijf wel sterk uiteen. Een 13 procent van de gezinnen verdiende meer dan 150.000 gulden, terwijl een 10 procent in de verliezen zat. Telers van kasgroenten verdienden het best met gemiddeld 170.000 gulden. Onderaan staan de akkerbouwers, die vooral door de lage aardappelprijzen slechts een gemiddeld inkomen behaalden van 21.000 gulden. Dankzij neveninkomsten -bijvoorbeeld een parttime baan elders- kunnen sommigen dit vrij magere resultaat aanvullen.
Vorig jaar nam het aantal bedrijven versneld af met 4 procent tot 97.500. Maar daar staat tegenover dat de schaalvergroting doorzet. Tussen 1990 en 2000 nam de categorie grote bedrijven (met een jaarlijkse productiewaarde van meer dan 300.000 gulden) toe van 35 procent naar 64 procent. Hiertoe behoorden vooral ondernemingen in de glastuinbouw.
Schaalvergroting is onvermijdelijk gezien de toenemende internationale concurrentie. Grote bedrijven kunnen produceren tegen een lagere kostprijs dankzij een grotere efficiëntie en technologisering. Een van de oorzaken van de problemen in de akkerbouw is dan ook dat de sector in Nederland wordt gekenmerkt door een relatief kleine omvang van de bedrijven.
Met de kritiek dat grotere, intensieve bedrijven slechter zijn voor het milieu dan kleinere is LEI-onderzoeker dr. H. Silvis het niet eens. "De grote hebben juist de mogelijkheid om de dure milieu-investeringen te doen."
Subsidietrog
De afgelopen jaren kreeg de agrarische sector een stortvloed van kritiek over zich uitgestort. Zwart-wit geformuleerd komt het erop neer dat de sector zou bestaan uit notoire milieuvervuilers die maar raak spuiten met gif, mestoverschotten produceren en slepen met dieren door heel Europa en die bovendien dankzij miljarden verslindende landbouwsubsidies de samenleving opzadelen met overschotten van vooral inferieure bulkproducten.
Illustratief voor deze stellingname was het interview met minister Brinkhorst in De Volkskrant van afgelopen woensdag. Voor de zoveelste keer hekelde hij de instelling van met name de veehouders. De bewindsman schilderde hen af als verwende steunverslaafden die "veertig jaar lang aan de subsidietrog hebben gelegen. Boeren willen als ondernemer door het leven gaan, maar als ambtenaar worden betaald."
Afgezien van het feit dat het moment niet erg subtiel is gekozen -vele boeren zitten nog volop in de problemen door de mkz-crisis- is Brinkhorst ook te generaliserend en populistisch. Van een actiegroep kan zoiets worden verwacht, maar een minister moet meer betrokkenheid en een evenwichtiger houding tonen.
Het LEI plaatste gisteren tegenover het negatieve beeld de feiten. Directeur Zachariasse bestreed de kritiek dat alle boeren nu vooral van subsidies zouden leven. "Slechts een deel van de Nederlandse agrariërs ontvangt enige subsidies, de meesten werken in een vrije markt. Bovendien stijgen juist de heffingen die de boeren aan de overheid moeten betalen, terwijl de steun mede door de trend richting liberalisering afneemt."
De roep in vele nota's -zoals onlangs die van de commissie-Wijffels over de toekomst van de veehouderij- dat het roer om moet, gaat volgens Zachariasse deels voorbij aan de realiteit. "In de praktijk zijn de ontwikkelingen al ingezet. Denk maar aan de liberalisering, het meer letten bij de productie op de vraag van de consument en de toenemende aandacht voor het milieu en de voedselkwaliteit."
Wel constateert het LEI dat het soms beter kan. Zo daalt de milieuverontreiniging, al gaat dat niet zo snel als gewenst. Bij het aanpakken van het milieuprobleem moet het daarom een punt van bezinning zijn of dit negatieve gevolg van de hoge Nederlandse agrarische productie opweegt tegen het voordeel van de enorme export, want nu gaat zo'n 70 procent van de productie de grens over. Vanuit het bijbelse principe van het bouwen én bewaren van de schepping is het belangrijk dat de milieubalans wordt hersteld.
Onderwaardering
Dat de land- en tuinbouw zich verder moet aanpassen, onderschrijft het LEI. Daarbij wordt gewezen op de strengere maatschappelijke eisen op het gebied van milieu en de veiligheid en kwaliteit van het voedsel, de toenemende marktmacht van de supermarktketens en de grotere ruimteclaims voor onder andere woningbouw, natuur en recreatie. Toch ziet LEI-directeur Zachariasse gezien de opstelling van de agrarische bedrijven perspectief. De landbouw is zeker niet statisch. "De dynamiek en veerkracht om in te spelen op veranderingen is verrassend groot."
De kritiek in Nederland op boeren en tuinders is in feite deels ook een luxeprobleem. In de afgelopen dertig jaar is de consument dankzij de gerichtheid van de agrarische sector op een hoge productiviteit tegen een lage kostprijs namelijk verwend met een groot aanbod en relatief goedkope voedselprijzen. In 1970 was nog 27 procent van de consumptieve bestedingen bestemd voor eten en drinken, terwijl dat vorig jaar nog slechts 11,5 procent was. In feite zit de Nederlandse consument voor een dubbeltje op de eerste rang. Is juist dat punt niet een belangrijke oorzaak van de onderwaardering van de agrarische sector in ons land?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 2001
Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 2001
Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's