Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vaarwel Joegoslavië

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vaarwel Joegoslavië

De toekomst van Servië, Montenegro én Kosovo is voorlopig nog in nevelen gehuld

11 minuten leestijd

Alles heeft een bestemde tijd, luidt het woord van de Prediker. Een tijd om te scheuren en een tijd om toe te naaien. Die woorden lijken sterk van toepassing op de republiek Joegoslavië. Eind vorige week droegen de Joegoslavische president Kostunica en het staatshoofd van Montenegro, Djukanovic, het land officieel ten grave. Tegelijk besloten ze met elkaar verder te gaan.

Hoewel het land feitelijk allang had opgehouden te bestaan, kwam er vorige week donderdag definitief een einde aan Joegoslavië. Na drie maanden van onderhandelingen over de vraag hoe het verder moest met Servië en Montenegro tekenden de leiders van de beide Joegoslavische deelrepublieken, onder het toeziend oog van EU-bemiddelaar Javier Solana, een historisch akkoord. Beide landen zullen voorlopig bij elkaar blijven, maar de naam Joegoslavië maakt plaats voor "Servië en Montenegro".

Met de ondertekening van het akkoord komt er een einde aan een staat die een historische vergissing is gebleken. Weliswaar heeft het "Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen" -de letterlijke betekenis van het woord Joegoslavië- het 83 jaar lang volgehouden, in de praktijk is er echter nooit sprake geweest van een Joegoslavisch volk. De oorlogen van de afgelopen tien jaar hebben dat voldoende duidelijk gemaakt. De inwoners van Joegoslavië voelden zich allereerst Serviër, Kroaat, Sloveen, Bosniër, Macedoniër of Albanees (Kosovaar). Nu is dus ook gebleken dat Serviërs en Montenegrijnen zich niet voldoende één voelen om Joegoslavië te kunnen laten voortbestaan, hoewel hier gelukkig geen gewapend conflict aan is voorafgegaan.

Langgekoesterde wens

Op 1 december 1918 ontstond het Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen. De oprichting was mogelijk geworden na de nederlaag van het Habsburgse en Ottomaanse Rijk aan het eind van de Eerste Wereldoorlog. Met de geboorte van de nieuwe staat ging een langgekoesterde wens van veel Slaven in vervulling. Kroaten en Slovenen, die tot dan toe onderdeel waren geweest van het Habsburgse Rijk, sloten zich aan bij Servië en Montenegro, die zich eerder hadden ontworsteld aan het ottomaanse juk.

De bevolking van Bosnië en Herzegovina besloot ook tot het nieuwe koninkrijk toe te treden. Vanaf het eind van de Middeleeuwen was dit gebied onderdeel geweest van het Ottomaanse Rijk, maar na het verdrag van San Stefano in 1878 -dat een einde maakte aan de Russisch-Turkse oorlog- was het in handen gekomen van Oostenrijk-Hongarije. Macedonië was sinds het einde van de Tweede Balkanoorlog tussen Bulgarije enerzijds en Servië, Montenegro en Griekenland anderzijds, in 1913 al onderdeel geworden van Servië. De Slaven hoopten met hun staat een nieuw, Slavisch machtsblok te vormen tussen de "imperialistische" rijken van de Duitse Habsburgers, de Turkse Ottomanen en de Russische Slaven.

De gewenste Joegoslavische eenheid kwam nooit tot stand. De verschillende Slavische bevolkingsgroepen, die gedurende meer dan twaalf eeuwen gescheiden waren geweest, hadden verschillende culturele en religieuze invloeden ondergaan. Zo waren de 6 miljoen Serviërs orthodox, de 1,5 miljoen Slovenen en de 4 miljoen Kroaten rooms-katholiek. Daarnaast bestonden er grote verschillen in economisch ontwikkelingsniveau. Slovenië en Kroatië liepen aanzienlijk voor op de andere deelrepublieken. De Joegoslavische volken wantrouwden elkaar. Bovendien stuitte de behoefte van de Serviërs om de andere Slaven te domineren op de pogingen van de Kroaten een eigen weg te gaan.

Tito

De verdeeldheid in Joegoslavië werd vergroot doordat de Albanezen in Kosovo, de moslims in Bosnië, de Macedoniërs, de Montenegrijnen en de Hongaren in de Vojvodina -hun nationaliteit kwam in de naam van het land niet voor- geen eigen inbreng hadden in het nieuwe Slavische rijk.

De verschillen kwamen tijdens de Tweede Wereldoorlog duidelijk aan het licht. De Kroatische cetniks en de Servische partizanen onder leiding van Josip Broz, bijgenaamd Tito, vochten aanvankelijk alleen tegen de Duitse bezetter, maar raakten al spoedig ook onderling slaags, waarbij de Kroaten er niet vies van waren om met de Duitsers te collaboreren.

Na de Tweede Wereldoorlog begon het totaal verwoeste Joegoslavië -10 procent van de bevolking overleefde de oorlog niet- een nieuw leven als republiek onder maarschalk Tito. Laverend tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oostblok ging het land zijn eigen "derde weg". Maar ook Tito slaagde er niet in van de multi-etnische staat, waarin slechts één partij was toegestaan, een eenheid te smeden. Zijn veelvuldige oproep aan de Joegoslaven om "de broederschap en de eenheid te behouden als was het de pupil van onze eigen ogen" vond geen weerklank. Weliswaar zorgde Tito's autoritaire optreden ervoor dat de republiek niet uiteenviel, maar onder de oppervlakte bleef het gevaarlijk sudderen tussen de etnische groepen die zich alle tekort gedaan voelden, inclusief de Serviërs. Op federaal niveau was er voortdurend sprake van een politieke strijd om een eerlijke verdeling van de macht en rijkdom.

Wanhoopspoging

De dood van Tito in 1980 en de ineenstorting van het Oostblok een kleine tien jaar later, luidde dan ook het einde van de republiek Joegoslavië in. In 1991 riepen Slovenië en Kroatië de onafhankelijkheid uit, op de voet gevolgd door Bosnië en Macedonië. Bloedige oorlogen, met name in Bosnië, waar veel Serviërs en Kroaten woonden, waren het gevolg. Ze leverden Belgrado niets op. Het lichaam werd voorgoed van zijn onwillige ledematen beroofd.

In een laatste wanhopige poging om te overleven, kwam op 27 april 1992 Joegoslavië nog eenmaal in een nieuwe gedaante terug, ditmaal als de Bondsrepubliek Joegoslavië, bestaande uit de gelijkwaardige deelrepublieken Servië en Montenegro. Maar deze republiek was al vanaf haar geboorte ten dode opgeschreven. De nieuwe staat had slechts als doel na de onafhankelijkheidsverklaringen van de vier vroegere deelrepublieken de illusie in stand te houden dat Joegoslavië bleef bestaan en zo aanspraak kon blijven maken op de verloren gegane bezittingen van de vroegere republiek.

Eind 1997 probeerde ook Montenegro zich uit de ijzeren wurggreep van Belgrado te bevrijden. Het land zocht toenadering tot het Westen. Feitelijk hield de Bondsrepubliek Joegoslavië toen al op te bestaan. De wettige Montenegrijnse regering in de hoofdstad Podgorica, het vroegere Titograd, boycotte vanaf dat moment systematisch de instellingen van de Bondsrepubliek. Montenegro had de Duitse mark en heeft nu met de euro al twee jaar lang een eigen munteenheid, voert een eigen economisch en sociaal beleid en onderhoudt zelfstandig handelsbetrekkingen met het buitenland. De omschakeling van de communistische erfenis naar een markteconomie en een moderne maatschappij is in Montenegro veel verder gevorderd dan in Servië.

Brussel

De verkiezingswinst in april vorig jaar van de Democratische Partij van Socialisten van president Milo Djukanovic maakte duidelijk dat een meerderheid van de Montenegrijnen voor afscheiding was. Die meerderheid was echter klein, zodat de president besloot een referendum over onafhankelijkheid uit te schrijven voor mei 2002. Hoewel de Servische regering tegen afscheiding van Podgorica was, gingen er in het oorlogsmoe Servië onder de democratische leiding van premier Zoran Djindjic langzamerhand stemmen op om de Montenegrijnen maar te laten gaan als ze zich daar beter bij voelden.

Dat was echter buiten Brussel gerekend. De Europese Unie, die in de periode-Milosevic nog pal achter Djukanovic en diens plannen voor onafhankelijkheid stond, kwam in actie en verzette zich met hand en tand tegen een mogelijke afscheiding. Een nieuwe onafhankelijke staat op de Balkan zou alleen maar leiden tot verdere instabiliteit in de regio. Na de ervaringen van de afgelopen tien jaar wilde Europa voor alles rust op de Balkan. Hoe zou Brussel bovendien de Albanezen in Kosovo en Macedonië moeten uitleggen dat ze geen recht hebben op een eigen staat, als Montenegro zich wel zou mogen afscheiden? Daarnaast zetelt er in Belgrado tegenwoordig een democratische regering, zodat Montenegro helemaal geen reden meer heeft om zich los te maken van Servië, aldus het standpunt van de EU.

Het gevolg van deze opstelling waren onderhandelingen tussen Belgrado en Podgorica onder leiding van de EU met als resultaat het akkoord van vorige week donderdag. Wat de overeenkomst inhoudt, is niet erg duidelijk. Net zo vaag als de inhoud is de titel van het document: "Punten van handeling voor de herstructurering van de betrekkingen tussen Servië en Montenegro". President Vojislav Kostunica, die altijd een groot voorstander was van behoud van de republiek Joegoslavië omdat hij daarvan zelf staatshoofd is, toonde zich niettemin zeer tevreden. De nieuwe staat is volgens hem "een confederatie noch een losse statenbond, maar iets heel nieuws." Op de vraag waar die "originele oplossing" dan wel uit bestaat, moet Kostunica het antwoord echter schuldig blijven.

Gemeenschappelijk leger

Het duidelijkst zijn de politieke bepalingen van het akkoord. De instellingen van de nieuwe staat zijn een president die door het parlement wordt gekozen, een parlement bestaande uit één kamer met een zekere positieve discriminatie ten aanzien van de Montenegrijnse parlementsleden, een regering die gaat over buitenlandse zaken, defensie, binnen- en buitenlandse economische betrekkingen, mensenrechten- en minderhedenbeleid, en een hooggerechtshof met rechters uit beide deelrepublieken. Een gemeenschappelijk leger blijft bestaan, maar dienstplichtigen kunnen niet tegen hun zin worden ingezet op het grondgebied van de andere deelrepubliek. De zetel bij internationale instellingen als de Verenigde Naties (VN), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa wordt bij toerbeurt ingenomen door vertegenwoordigers van Servië en Montenegro.

De economische afspraken zijn aanzienlijk vager. Niet voor niets waren de tegenstellingen tussen Servië en Montenegro hier het grootst. Onduidelijk blijft vooralsnog of er weer een gemeenschappelijke munteenheid komt. Montenegro is eventueel bereid de Joegoslavische "nieuwe dinar" in te voeren; niet als wettig betaalmiddel, maar als een soort van parallelmunt naast de euro, mits die net zo stabiel is als de Europese munt.

Als wondermiddel voor de bestaande verschillen tussen de gescheiden tolunies en belastingsystemen geldt volgens het akkoord de "harmonisering met het economisch systeem van de EU", hoewel van toenadering tot Brussel nog lang geen sprake is. Eén punt is in ieder geval wel duidelijk: het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal blijft gehandhaafd. De Serviërs hebben dus ongehinderd toegang tot de Middellandse Zee en de Montenegrijnen kunnen zonder problemen de universiteit in Belgrado blijven bezoeken.

Charta

Na de regeringsvertegenwoordigers van Servië en Montenegro zijn nu de parlementen van de beide deelrepublieken en het federale parlement van Joegoslavië aan zet. Deze zullen uit hun gelederen een commissie vormen die een "charta voor een grondwet" moet opstellen. Die moet voor eind juni ter goedkeuring worden voorgelegd aan de verschillende volksvertegenwoordigingen. Saillant detail is dat Montenegro het federale parlement nooit heeft erkend. In de herfst moeten dan verkiezingen plaatshebben.

De problemen op de Balkan behoren met dit akkoord nog niet tot het verleden. President Djukanovic heeft in eigen land al de nodige kritiek te verduren gekregen. Het voor mei beloofde refendum is van de baan en volgens veel Montenegrijnen is de president met lege handen uit Belgrado teruggekeerd. De Liberale Partij, coalitiegenoot van Djukanovic' socialisten en sterk voorstander van onafhankelijkheid, sprak deze week al over het "verraad" van Belgrado.

Het valt nog maar te bezien of het Montenegrijnse parlement het akkoord en een nieuwe grondwet zal goedkeuren. Maar ook al zou dit lukken, dan nog vrezen waarnemers voor een groeiende tegenstelling in de Montenegrijnse samenleving en daarmee gepaard gaande spanningen. In het noorden van het land -waar veel pro-Servische Montenegrijnen wonen, maar ook veel moslims die voor afscheiding zijn- zou dit zelfs kunnen leiden tot geweldsuitbarstingen.

Ook in Servië zal het akkoord voor de nodige discussie in het parlement zorgen. Veel inwoners vinden dat het tien miljoen inwoners tellende Servië te veel concessies heeft gedaan aan de 650.000 Montenegrijnen. De benodigde tweederde meerderheid voor een grondwetswijziging zal niet zonder slag of stoot zijn gevonden.

Kosovo

Het akkoord tussen Servië en Montenegro zullen de Kosovaren met weinig gejuich begroeten en niet alleen omdat ze het voorbeeld van Montenegro niet kunnen of willen volgen. Het akkoord bevat namelijk ook een bepaling die voorschrijft dat Montenegro over drie jaar, na een referendum, zich alsnog kan afscheiden. De bepaling was bedoeld als 'troostprijs' voor Djukanovic. De onderhandelaars zijn overeengekomen dat in geval van afsche iding alle internationale documenten, inclusief resolutie 1244 van de VN-Veiligheidsraad, op het bord van Servië terechtkomen.

Resolutie 1244 bepaalde indertijd dat Kosovo een vorm van eigen bestuur moest krijgen en de provincie onderdeel moest zijn van de Bondsrepubliek Joegoslavië en níet van Servië. In de resolutie staat niets over wat er met Kosovo moet gebeuren als de Bondsrepubliek Joegoslavië ophoudt te bestaan. Onder het toeziend oog van de EU hebben Belgrado en Podgorica op eigen houtje een resolutie van de VN-veiligheidsraad veranderd c.q. aangevuld. Of de VN met deze handelswijze akkoord zal gaan, is maar zeer de vraag. De verandering van Joegoslavië in de nieuwe staat "Servië en Montenegro" zal waarschijnlijk wel op de agenda van de VN-veiligheidsraad terechtkomen. Dan zal resolutie 1244 en de kwestie Kosovo zeker niet onaangeroerd blijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 maart 2002

Reformatorisch Dagblad | 44 Pagina's

Vaarwel Joegoslavië

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 maart 2002

Reformatorisch Dagblad | 44 Pagina's

PDF Bekijken