Aanslagen op synagogen
Onwillekeurig roepen de aanslagen op Joodse synagogen herinneringen op aan de "Kristallnacht", de eerste grootscheepse Jodenvervolging in nazi-Duitsland. Er vielen in de nacht van 9 op 10 november 1938 36 doden en bijna 300 synagogen werden vernield. In Frankrijk, België en Duitsland hebben zich de afgelopen dagen anti-Joodse incidenten voorgedaan. Op verschillende plaatsen in Frankrijk zijn synagogen en andere Joodse instellingen aangevallen. In een synagoge in het Brusselse Anderlecht brak in de nacht van zondag op maandag een kleine brand uit nadat er molotovcocktails naar binnen waren gegooid. Hetzelfde gebeurde gisterochtend. In de Duitse hoofdstad Berlijn werden twee orthodoxe Joden bij het verlaten van een synagoge mishandeld.
Het gaat te ver om te spreken van een nieuwe Kristallnacht. De verschillen tussen het Duitsland van toen en de West-Europese landen nu zijn te groot. In Frankrijk, België en Duitsland zijn anno 2002 democratisch gekozen regeringen die de burger- en mensenrechten handhaven. Politici van zowel links als rechts hebben de overvallen op de Joden en de Joodse instellingen onmiddellijk en scherp veroordeeld. Er is geen regering en geen partij die haat tegen de Joden in haar partijprogram heeft opgenomen. Onder de bevolking is geen sprake van een wijdverspreid antisemitisme. De aanslagen zijn, voor zover bekend, het werk van jeugdige immigranten van de tweede generatie uit Arabische landen. Ze vallen samen met de verheviging van het conflict in het Midden-Oosten tussen Israël en de Palestijnen. In Frankrijk hebben Joodse intellectuelen sinds het begin van de tweede Palestijnse opstand gewaarschuwd voor aanslagen op Franse bodem tegen Joodse instellingen. Terecht wijzen zij met de beschuldigende vinger in de richting van de pro-Palestijnse media in Frankrijk. Ook de politieke leiding gaat niet vrijuit. De Franse president Chirac kritiseerde onlangs in een televisietoespraak de Israëlische minister-president Sharon omdat deze niet luisterde naar de adviezen van de Europese Unie. Premier Jospin drukte zich in soortgelijke bewoordingen uit in een interview. Maar over de Palestijnse leider Arafat geen kwaad woord.
Dergelijke uitspraken voeden anti-Joodse gevoelens. En dat gebeurt dan in een land met een grote islamitische minderheid. Van die islamitische minderheid moet worden gezegd dat zij niet geïntegreerd is in de samenleving. Die problematiek komt met de anti-Joodse aanslagen aan het licht.
Degenen die in Frankrijk synagogen verwoesten, zijn in de regel jongeren v an Arabische afkomst. Ze zijn in Frankrijk geboren en hebben het Franse staatsburgerschap, maar leven in achterstandswijken met weinig tot geen uitzicht op verbetering van hun positie. Feitelijk hebben ze geen deel aan de welstand van de Franse maatschappij. De normen en waarden van de Franse samenleving zijn niet de hunne. Hetzelfde kan worden gezegd van islamitische jongeren in Duitsland, België en Nederland.
Nu hun geloofsgenoten in het Midden-Oosten worden aangepakt, baant zich de onvrede over hun positie een weg naar buiten. Daarbij nemen ze wraak op een groep die weliswaar Joods is, maar niets te maken heeft met het optreden van Israël.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002
Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 2002
Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's