Bekijk het origineel

Naastenliefde en orgaandonatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Naastenliefde en orgaandonatie

Mensen hoeven zich bij weigeren niet schuldig te weten

9 minuten leestijd

"Een donor leeft voort na de dood." Die woorden plaatste Het Parool eind 1997 als kop boven een artikel. Christenen gebruiken deze heidense filosofie niet om het beschikbaar stellen van organen aan te moedigen. Zij tonen zich gevoelig voor een ander argument: naastenliefde. Maar mag dat -altijd en zonder onderscheid- gelden als doorslaggevende aansporing achter het afstaan van organen? Vormt die christelijke deugd een ethisch verantwoord motief om nieuwe donoren te werven? Een paar kanttekeningen bij een probleem.

Er bestaat risico dat een artikel over dit onderwerp tot een theoretisch of technisch verhaal leidt, dat het de mens in zijn nood over het hoofd ziet. Dat is niet de bedoeling. Mogelijk heeft iemand die het leest persoonlijk ervaring met het afstaan of ontvangen van andermans organen. Als zo iemand daar wel bij vaart, komt hij er gemakkelijk toe dat met blijdschap, enthousiasme wellicht, publiek te maken. Het omgekeerde is ook denkbaar: plannen tot transplantatie liepen op niets uit. In dat geval domineert teleurstelling, wellicht zelfs wrevel en vijandschap. Schrijven over orgaandonatie heeft iets riskants. Maar het moet toch mogelijk zijn argumenten te uiten.

Moeilijkheid

Wat is de moeilijkheid? Sedert 1979 fungeert het Academisch Ziekenhuis in Groningen als het eerste levertransplantatiecentrum in Nederland. De eerste Hollandse harttransplantatie had plaats in 1984 in Rotterdam.

Er bestaat echter een toenemend tekort aan organen. Willen mensen iets van zichzelf -een nier, of alvleesklier- weggeven? Is iemand bereid weefsel als hoornvlies, huid of hartkleppen af te staan? Om andermans leven te 'verbeteren', of te 'rekken'? De vraag blijkt groter dan het aanbod. Hoe komt dat?

Lang niet iedereen acht het aanvaardbaar om na zijn overlijden zijn lichaam ter beschikking te stellen aan - ja, aan wie? Doorgaans gebruiken artsen en medische centra de organen voor een onbekende. Een rooms-katholiek. Of een communist. Dichtbij of in een vergelegen land. De terughoudendheid in het aanbieden van organen heeft er ook mee te maken dat tot nu toe ieder individu uitdrukkelijk zelf beslist of hij als donor wil fungeren. Nederland hanteert het zogenoemde volledige beslissysteem.

In België gelden andere regels dan in Nederland. Na iemands sterven mogen organen en weefsels zonder meer worden weggenomen. Dat heet het geenbezwaarsysteem. Alleen als de overledene tijdens z'n leven uitdrukkelijk aangaf niet als donor te willen fungeren, blijft zijn lichaam buiten gebruik en beschouwing.

Nu gaan er stemmen op om orgaandonatie ook in Nederland vanzelfsprekend te maken. Net als in België. Een onderzoek van het Rathenau Instituut vertelt dat 63 procent van de bevolking zich in zo'n idee kan vinden. Binnenkort zal de Tweede Kamer de werking van de wet uit 1998 op resultaat bekijken. Het is niet ondenkbeeldig dat iemand die niet als donor zou willen fungeren straks de plicht heeft daarvan uitdrukkelijk melding te maken. Omdat artsen er anders toch één of meer organen aan onttrekken.

Discussie bloeit op

Het gesignaleerde probleem -het tekort aan organen- brengt het voorbije debat opnieuw tot leven. Begrippen als naastenliefde en medemenselijkheid vormen belangrijke elementen in de actuele discussie.

Iemand die zelf nierdonor is en zich betrokken weet bij de Nierpatiëntenvereniging LVD, schreef vorige maand een artikel in deze krant vóór het volledige beslissysteem. Hij wijst het geenbezwaarsysteem af. Maar christelijke naastenliefde en dienstbetoon gelden toch als motief voor donatie. Docenten van de Erasmus Universiteit voerden recent in de kolommen van dit dagblad een pleidooi voor solidariteit. Die zou de dragende basis moeten vormen voor de Nederlandse gezondheidszorg.

Dr. J. Douma legde, reeds eerder, in zijn "Medische ethiek", de vinger bij ieders persoonlijk rentmeesterschap. "Wie in elk mens een uniek beeld van God ziet, heeft niet voldoende respect voor het uniek persoonlijke, als hij het vanzelfsprekend vindt dat het lichaam na de dood ten bate van de gemeenschap gebruikt moet worden." Deze visie spoort niet met het geenbezwaarsysteem. Maar bij de ethicus lijkt naastenliefde wel te fungeren als argument voor donatie als zodanig.

Seculier en christelijk

Een eerste opmerking bij dat alles betreft het verschil tussen christelijke naastenliefde en min of meer humanistische medemenselijkheid. Volgens dr. H. M. Kuitert valt naastenliefde in vrijwel alle culturen terug te vinden. De ethicus lijkt naastenliefde nauwelijks als iets specifiek christelijks te beschouwen.

Dat is -ook in relatie tot orgaandonatie- aanvechtbaar. Een christen heeft een andere visie op eigendomsrecht. Daardoor heeft hij ook een andere kijk op het na zijn overlijden in praktijk brengen van naastenliefde. Niet de gemeenschap, maar de Schepper heeft recht op een dood lichaam. Het lichaam is geen eigendom van staat of samenleving.

Dat maakt het minder vanzelfsprekendheid om organen weg te geven. Een erflater kan niet tijdens zijn leven, uit naastenliefde, bepalen dat na zijn dood de erfenis -inmiddels eigendom van de erfgenaam- iemand ten goede komt, voor het geval die persoon haar misschien nodig heeft. De vanzelfheid van een beroep op christelijke naastenliefde blijkt minder logisch dan op het eerste gezicht wordt ervaren.

Levenden

Een tweede kanttekening. Liefde blijkt -voor wat betreft menselijke relaties- voorbehouden aan levenden. Zo'n liefde krijgt vorm via daden. Vanuit die optiek is moeilijk vol te houden dat een overledene, de donor, actief naastenliefde betracht. Natuurlijk valt daar tegen in te brengen dat zo iemand z'n besluit nam terwijl hij bij z'n positieven was.

Liefde komt in het werk en de Persoon van Jezus Christus tot haar diepste openbaring. Christenen mogen wijzen op "Gods liefde in Christus als de bron van alle naastenliefde en van dienst aan elkaar", aldus dr. W. H. Velema. Wat komt van dat getuigenis terecht na iemands overlijden?

Uit het bovenstaande blijkt dat het woord naastenliefde gemakkelijk verwordt tot slogan. Er heeft uitholling plaats van de christelijke inhoud. Natuurlijk: ieder mens is geroepen tot naastenliefde. Maar wij moeten tegelijk het persoonlijke karakter daarvan in het oog houden. Als een zaak die de mens van nature niet eigen is. Naastenliefde mag niet ontaarden in een leus met dezelfde inhoud als het woord humaniteit.

Tussen twee mensen

Een derde opmerking. Liefde is persoonsgericht. Zelfs Kuitert typeert haar als zodanig. Zij "betreft hem of haar die mijn pad kruist en mijn hulp nodig heeft." Ook dr. W. J. op 't Hof zei tijdens een lezing halverwege de jaren '90 dat het bij naastenliefde gaat om een persoonlijke verhouding "tussen twee mensen, tussen twee harten." Niet om algemene medemenselijkheid of solidariteit. Maar om een aanwijsbare, tweezijdige relatie. Als die er niet is, valt er eigenlijk niet te spreken van liefde.

En de hulp aan de slachtoffers van de aardbeving in Iran dan? Of geld voor "de arme kindertjes?" Dan weet immers ook de gever niet wie daarvan eet? Dat klopt. Maar orgaandonatie is naar haar aard een uitwisseling tussen twee unieke individuen. Een persoonlijk lichaamsdeel verhuist als orgaan naar een andere enkeling. Alleen als zodanig al zijn geld geven ter bestrijding van honger of epidemieën enerzijds en het transplanteren van een menselijk orgaan anderzijds van een volstrekt verschillend karakter. Nog afgezien van mogelijk onderscheid tussen barmhartigheid en naastenlief de.

Plicht

Een vierde kanttekening. Wie naastenliefde onderstreept als motief achter orgaandonatie maakt bij een goed verstaan van de inhoud van de woorden eigenlijk gebruik van morele druk. Omdat er sprake is van een algemeen erkende, christelijke, zedelijke verplichting. Van een vrijwillige keuze blijft niets over. Naastenliefde en vrijwilligheid vormen woorden met een innerlijk tegenstrijdige inhoud.

Als een vader biddend om Gods goedkeuring een nier afstaat aan zijn volwassen zoon mag dat stellig naastenliefde heten. Maar het gaat niet altijd op. Christelijke naastenliefde verschilt onder andere van seculiere solidariteit in het feit dat ze niet vrijblijvend is. Naastenliefde is plicht. Een waar gelovige mag niet anders. Maar de weigering van vader om een deel van zijn lichaam af te staan, valt toch niet te typeren als zonde? Terughoudendheid past dus bij het typeren van naastenliefde als solide, altijd bruikbaar argument.

Bijbelse motieven

De vraag is of de Bijbel de geldigheid van naastenliefde als argument onderstreept. De apostel Johannes schrijft in zijn eerste algemene zendbrief (3:16): "Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen." Menigeen zegt: "Als het geoorloofd is op deze manier zijn leven in te zetten voor de naaste, dan is orgaandonatie niet verkeerd."

Onderstreept deze tekst inderdaad het motief van naastenliefde? 1 Johannes 3:16 heeft niet alleen betrekking op lichamelijk sterven. Wat bedoelt de apostel? Vers 15 spreekt over haat die de mens tot doodslager maakt. Daarbij is geen sprake van letterlijk doden. Er vloeit geen bloed. Het gaat om de intentie, de gedrevenheid van het hart, die iemand tot moordenaar maakt. Zo maakt ook de innerlijke liefde iemand tot leven gever. Zonder dat daarbij een droppel bloed valt. Het leven voor iemand stellen, houdt veel meer in dan leven afleggen. Het betekent: al het geoorloofde over hebben voor de ander. Om op die manier geen doodslager in de dop te worden. Om juist het goede -het leven in Christus- voor hem te zoeken.

1 Johannes 3:16 heeft dus een de lichamelijke dood overstijgende betekenis. Gelovigen -over hen gaat het!- moeten eigenlijk in leven zien te blijven om te kunnen helpen. Zij dienen met hart en ziel voor de behoeftige te leven om te kunnen zorgen. De dood van Christus, het ophouden van Zijn hartenklop, vormde immers niet het einde van Zijn zorg. Hij leefde daadwerkelijk voort om blijvende bescherming te bieden.

Wie 1 Johannes 3:16 ziet als motief voor naastenliefde als argument achter orgaandonatie kan niet om de verdergaande consequentie heen. Namelijk om niet te wachten op hersendood of een andere 'vorm' van overlijden, maar om daadwerkelijk hart of nieren af te staan en het eigen leven af te leggen. Douma schrijft daarover: "Ik kan mij niet voorstellen dat het een daad van verantwoorde liefde is als iemand zijn leven zou geven om in het medisch circuit een ander te redden."

Wat te denken van Romeinen 5:7? Paulus schrijft: "Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor de goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven." De apostel schrijft over niet meer dan een mogelijkheid. Zijn spreekwijze doelt op iets irreëels. Van alle ongelofelijke dingen kan iemand zich misschien nog voorstellen dat de ander bereid is voor een goed, rechtvaardig mens zijn leven te geven. Nauwelijks, hoor! Het is bijna niet in te denken. Maar voor goddelozen laat hij dat wel uit z'n hoofd. Van opdracht of uitdrukkelijke legitimatie is ook hier geen sprake. Het gaat om een ongelooflijke mogelijkheid. De aangehaalde bijbelteksten lijken geen onderstreping te kunnen vormen van een soort algemene plicht tot naastenliefde als motief tot orgaandonatie.

Waarom

Waarom dat scherpe onderscheid tussen seculiere solidariteit en christelijke naastenliefde? Waarom dat zo doorzagen over wat dat laatste eigenlijk is? Omdat naastenliefde vaak fungeert als argument. En omdat mensen zich bij weigering schuldig zouden kunnen gaan voelen. De keerzijde van deze afwijzing dient inmiddels wel als motief om zelf geen gegeven orgaan te accepteren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 januari 2004

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Naastenliefde en orgaandonatie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 januari 2004

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken