Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Synode contra christelijke organisatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Synode contra christelijke organisatie

Herderlijk schrijven "Christen-zijn in de Nederlandse samenleving" halve eeuw oud

10 minuten leestijd

De Nederlandse samenleving waarin de hervormde synode haar herderlijk schrijven over "Christen-zijn in de Nederlandse samenleving" publiceerde, nu een halve eeuw geleden, week aanzienlijk af van de huidige. De Tweede Wereldoorlog was nog maar tien jaar voorbij en de spanningen tussen Oost en West waren groot. Integratieproblemen met moslimminderheden waren toen niet aan de orde. Het was nog maar kortgeleden dat Nederland, door het onafhankelijk worden van Indonesië, vele miljoenen moslimonderdanen was kwijtgeraakt.

Belangrijker was nog wel het geheel andere kerkelijke en culturele klimaat. In 1954 hadden de bisschoppen hun mandement uitgegeven over de "De Katholiek in het openbare leven van deze tijd". Daarin werd de noodzaak van de katholieke verzuiling beklemtoond. Op straffe van kerkelijke sancties werd het katholieken verboden om lid te zijn van de socialistische vakbond. Het lidmaatschap van de PvdA werd wel niet verboden, maar toch wel krachtig ontraden.

Dat mandement bracht veel deining teweeg. Niet alleen was de Rooms-Katholieke Kerk in die tijd een omvangrijke kerk, maar een vermaning van de bisschoppen had toen nog voor het overgrote deel van de rooms-katholieken groot gezag.

In de protestantse sector bestond er een forse afstand tussen de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. De Gereformeerde Kerken waren wel gehavend door de Vrijmaking, maar konden altijd nog bogen op een trouwe achterban. Die was niet alleen kerkelijk meelevend, maar daarbuiten ook actief in allerlei christelijke organisaties: van de christelijke school tot de ARP. De gereformeerde synode van 1946 had, tegen de naoorlogse doorbraaktendensen in, de principiële keuze voor de christelijke organisatie opnieuw bevestigd.

Vereenzelviging

Geheel anders was de opstelling van de hervormde synode. Het herderlijk schrijven dat zij op 29 maart 1955 vaststelde, was behoorlijk kritisch over de christelijke organisaties. Daar lag zeker niet de eerste keus van de synode.

Het was denkbaar dat kerkleden de voorkeur gaven aan een christelijke organisatie, maar dat was in de huidige situatie bepaald niet de enige legitieme optie voor christenen. De keuze voor een christelijke school, partij of organisatie mocht men in ieder geval niet voorstellen als een vorm van de gehoorzaamheid aan Christus. Dat was het euvel der vereenzelviging waarvoor de synode met klem waarschuwde. Ook moesten christelijke organisaties zich ervoor hoeden "in hun betrekkelijke afgeslotenheid te gaan staan tussen de Kerk en hun medemensen, opdat ze geen belemmering worden voor de doorwerking van het evangelie."

In de kring van de Gereformeerde Kerken en door allerlei protestants-christelijke organisaties, waarin de gereformeerden meestal de toon aangaven, werd uiterst kritisch gereageerd op deze hervormde stellingname. Het CNV stelde in een officiële reactie dat de eisen van Gods Woord niet alleen gelden "voor het persoonlijk handelen, ook niet alleen voor het optreden van iemand als lid van een organisatie, doch ook voor de organisatie zelf."

Verschillende positie

Hoe is deze zeer uiteenlopende stellingname van de drie grootste Nederlandse kerken te verklaren? Volgens de Nijmeegse socioloog Thurlings zijn verzuiling en ontzuiling de resultante van de wijze waarop een minderheidsgroep reageert op zijn situatie. Daarbij zijn twee gezichtspunten van groot belang. Behalve om de taxatie van de specifieke identiteit (in hoeverre zijn wij anders dan de anderen) gaat het om de taxatie van de kansen en bedreigingen. Hoe schat men de eigen positie in?

Onmiskenbaar namen de drie kerken in het maatschappelijke krachtenveld een heel verschillende plaats in. De rooms-katholieken hadden in het zuiden weliswaar het karakter van een volkskerk, maar in het geheel van de Nederlandse samenleving vormden zij een minderheid. Er bestond een duidelijke afstand ten opzichte van de traditioneel protestantse samenleving. Dat die inmiddels voor een niet onbelangrijk deel geseculariseerd was, veranderde daar nauwelijks iets aan.

De betrekkelijk kleine groep van gereformeerden beleefde de tegenstelling tot de rest van de samenleving nog veel scherper. De antithese was voor hen een realiteit. Hun keuze voor ARP, CNV, NCRV, CBTB, een christelijke school, een christelijke krant en allerlei andere christelijke organisaties was zonder meer een principiële keuze.

Heel anders lag dat voor de hervormden. Althans voor de in de Hervormde Kerk dominerende middenorthodoxie. De hervormd-gereformeerden volgden grotendeels het gereformeerde organisatiepatroon en de confessionelen hadden in ieder geval hun CHU. Links en midden in de Hervormde Kerk bestond er echter een grote mate van openheid naar de Nederlandse samenleving. Men was daar onmiskenbaar meer verwereldlijkt.

De vaderlandse kerk voelde zich bij uitstek de drager van de nationale waarden. In de negentiende eeuw vond men aansluiting bij de dominerende conservatieve of liberale stroming in de politiek. Na 1945 waren nogal wat toonaangevende hervormden nauw betrokken bij de PvdA, die een centrale plaats in de Nederlandse politiek was gaan innemen.

Geen wonder dat men niet zo veel behoefte had aan eigen organisaties. Wel gaf een aantal middenorthodoxe aanhangers van de doorbraak de voorkeur aan een christelijke school, maar over het geheel genomen werden de verschillen met de onkerkelijke bevolkingsgroep niet zo groot geacht dat samenwerking in allerlei andere verbanden onmogelijk zou zijn.

Herkerstening

Hoe stond het met het andere gezichtspunt van Thurlings? Hoe taxeerde men in de drie grote kerken de kansen en bedreigingen?

De hervormde middenorthodoxie stond niet alleen in het centrum van de Nederlandse samenleving, maar schatte haar kansen om daar invloed op uit te oefenen tamelijk hoog in. Bij de reorganisatie van de Hervormde Kerk, zoals die gestalte kreeg in de kerkorde van 1951, had het apostolaat grote nadruk gekregen. Men koos voor een offensieve strategie. Herkerstening van de samenleving stond hoog genoteerd. Individuele penetratie van christenen in allerlei sectoren van de samenleving, zodat zij daar hun invloed konden laten gelden, lag dan meer voor de hand dan een collectieve confrontatie via de christelijke organisaties.

Daarentegen waren de gereformeerden veeleer onder de indruk van de achteruitgang die zij hadden moeten incasseren. Drees had de plaats van Colijn ingenomen. De gereformeerde synode van 1946 wilde vasthouden aan de christelijke organisaties "inzonderheid nu in onzen tijd de antigoddelijke machten zich steeds meer verheffen en de verwereldlijking van het leven toeneemt." Dat was duidelijk een ander perspectief.

Hoe stond het er wat dat betreft voor met de rooms-katholieken? Die vertoonden bij elke volkstelling een -zij het lichte- groei. Aan priesterroepingen was geen gebrek. Toch achtten de bisschoppen het begin jaren vijftig van groot belang om de katholieke eenheid, met name ook in de politiek, in stand te houden. Anders "zouden wij niet in staat zijn, eventuele gevaren -en wanneer zijn die er niet?- voor het welzijn der gemeenschap en der Kerk te keren", zo schreven zij in hun mandement. Ook hier overheerste de beduchtheid.

Zakelijkheid

Een belangrijke denklijn in het hervormde herderlijk schrijven was de relatief grote afstand tussen geloof en handelen. Uit het belijden van het geloof vloeien bepaalde overtuigingen voort, die op hun beurt tot houdingen leiden, die ten slotte tot gedragingen voeren. Ook werd beklemtoond dat het bijvoorbeeld in de politiek veelal ging om zakelijke beslissingen. Zo was te verklaren waarom christenen soms tot zeer uiteenlopende keuzes kwamen.

Nu moet inderdaad gezegd worden dat men in de kring van de toenmalige ARP, maar ook bij GPV en SGP, wel eens te makkelijk de lijnen trok tussen principes en concreet handelen. Bepaalde keuzes (de gave gulden van Colijn) werden zwaar principieel geladen. Daar moeten we voorzichtig mee zijn. Bij ons handelen spelen ook allerlei eigenbelangen en menselijke taxaties een niet te verwaarlozen rol.

Maar door de hervormde synode werd de relatie tussen geloof en maatschappelijk handelen wel erg uitgerekt. Daarbij werd er lichtvaardig van uitgegaan dat er, ondanks de soms tegengestelde politieke keuzes van christenen, toch sprake was van een gemeenschappelijke eenheid in het geloof. Nu kunnen mensen die een diepe geloofsverbondenheid kennen in de praktijk verschillende wegen gaan. Het gaan van uiteenlopende wegen, zeker wanneer dat betrekking heeft op cruciale punten, kan echter ook betekenen dat er sprake is van een verschillend geloof, al noemt men zich allemaal christen.

Dat de synode waarschuwde voor het euvel der vereenzelviging was ook niet geheel zonder reden. We moeten er altijd voorzichtig mee zijn om onze zaak gelijk te stellen aan Gods zaak. Helaas komt er veel "vlees en wereld" bij. Dat geldt voor kerk en christelijke organisaties beide.

Maar wanneer de vijandschap van de wereld zich richt tegen bepaalde christelijke organisaties en hun woordvoerders, mogen wij daar niet achteloos aan voorbijgaan. Dan zullen wij ons daar, ook vanuit de kerk, solidair mee moeten weten. Er is dan wel degelijk sprake van een geestelijke strijd.

Na vijftig jaar

Inmiddels zijn we een halve eeuw verder. In een massaal secularisatieproces zijn de rooms-katholieke en synodaal gereformeerde bolwerken ingestort en heeft ook de hervormde middenorthodoxie zware klappen opgelopen. Zowel de strategie van de verzuiling als die van de doorbraak bleek hier niet effectief te zijn. Veel christelijke organisaties (CDA, CNV, VU, NCRV, Trouw et cetera) hebben hun confessionele identiteit verloren. De concurrentiestrijd tussen hen en de "neutrale" varianten is veeleer een zakelijke dan een principiële geworden. Synodes en bisschoppen staan daar buiten.

De vrijgemaakte zuil, die op een smalle kerkelijke basis was opgericht, heeft inmiddels een ingrijpende sanering en reorganisatie ondergaan. Zolang de vrijgemaakten hun kerk zo ongeveer als de enige ware beschouwden, was er sprake van een heel specifieke identiteit. Toen dat uitgangspunt in de jaren negentig wegviel, verdween ook de basis voor allerlei vrijgemaakte verbanden.

De grote vraag is nu in hoeverre de bredere groep van orthodoxe protestanten nog behoefte heeft aan christelijke organisaties. Dat begint ook daar minder te worden.

Weliswaar is de afstand tot de geseculariseerde maatschappij voor hen moeilijk weg te cijferen. Het in onze cultuur sterk dominerende individualisme maakt mensen echter afkerig van collectieve gedragspatronen. Men zoekt het graag zelf uit. Men maakt graag eigen keuzes.

Daarbij komt dat men met name in evangelische kring (maar niet alleen daar) geneigd is de eigen kansen tot beïnvloeding van de omgeving hoog in te schatten. Dat hangt samen met een tamelijk optimistisch beeld van de gelovige mens. Men vindt het vooral van belang een aanstekelijk christen te zijn.

Omgekeerde zuilwerking

De refozuil, die met name in de laatste decennia van de vorige eeuw gestalte kreeg, houdt tot dusver nog aardig stand, al zijn kritische geluiden bepaald niet afwezig. Ook hier is het model van Thurlings bruikbaar om de situatie te analyseren.

Wie het verschil niet ziet of niet (meer) belangrijk vindt tussen de bevindelijk gereformeerde geloofsovertuiging en levensstijl en die in de bredere orthodox-protestantse wereld, zal ook niet overtuigd zijn van de noodzaak van eigen reformatorische organisaties. Evenzo gaat het er om in hoeverre men die wereld als een bedreiging ziet of vooral als een bondgenoot.

Daarbij is uiteraard voor de waarde van de refozuil van groot belang dat degenen die in de verschillende zuilorganisaties een leidinggevende positie bekleden, zich innerlijk verbonden weten met dat wat een vorige generatie dreef om die instituties op te richten. Anders dreigt ook hier het gevaar van uitholling en na verloop van tijd zelfs van de omgekeerde zuilwerking.

Zowel van gereformeerde als van rooms-katholieke organisaties kan immers gezegd worden dat zij in de tweede helft van de 20e eeuw veeleer een bijdrage leverden aan de afbraak van de geloofsovertuiging van waaruit zij waren opgericht, dan aan het uitdragen en verdedigen daarvan. Dat kwam doordat zij die daar een leidinggevende positie bekleedden, daar innerlijk steeds verder van af waren komen te staan. Op die manier functioneerde een aantal zuilorganisaties (denk aan Trouw en de VU) precies andersom als zij door de oorspronkelijke initiatiefnemers bedoeld waren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 april 2005

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

Synode contra christelijke organisatie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 april 2005

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken