Bekijk het origineel

De morendoder van Mertola

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De morendoder van Mertola

Ook Portugal begint zijn moorse verleden te omarmen

12 minuten leestijd

Het moorse Spanje is wereldberoemd. Unieke bouwwerken als het Alhambra in Granada of de Mezquita van Cordoba leggen getuigenis af van dat verleden. Vijf eeuwen moorse aanwezigheid in Portugal heeft minder monumenten nagelaten. Toch is hier de invloed misschien wel sterker. Vooral in de zuidelijke Algarve, het meest toeristische deel van Portugal, is hij haast tastbaar aanwezig. Portugezen uit het noorden noemen de kleine, donkere Algarvios zelfs "Mouros", moren - en dat is niet vleiend bedoeld. Maar plotseling krijgt de moorse nalatenschap ook een nieuwe betekenis.

Neem het nietige Cacela Velha, het 'oude' Cacela. Op een van de zeldzame stille plaatsen aan de kust van de Algarve kijkt een handvol witte huisjes uit over de oceaan, die hier een soort waddenzee is, met lagunes vol schorren en kreken. Een onwaarschijnlijk klein fort en een 13e-eeuwse kerk vormen de monumenten van het gehucht. Niemand zal de eenzame witte steenklomp boven de lagune zelfs maar een dorp durven noemen. Toch heeft het ooit de status van stad genoten en kent het een geschiedenis die teruggaat tot de Feniciërs.

Cacela dankt zijn naam aan een vooraanstaande moorse familie die hier ooit het bewind voerde. De familie Darrag al-Cacetali was niet Arabisch, maar Berbers. Een van haar zonen, Ibn Darrag (958-1030), was secretaris voor de kanselarij van Cordoba.

Het waren hoogtijdagen, de jaren waarin het kalifaat van Cordoba de hoogste titel in de islamitische wereld voerde, met een achteloos voorbijgaan aan de rechten van de "enige echte" kalief van Bagdad. Het moorse Cordoba beheerste praktisch het hele Iberische schiereiland en de stad was de rijkste en schitterendste van heel Europa. Ibn Darrag diende zijn beroemdste heerser, Al-Mansur (regerend van 981-1002), die als de legendarische "Almanzor" de middeleeuwse kronieken is ingegaan.

De beroemdste zoon van Cacela vergaarde vooral roem als dichter. Toen hij aan het hof van Almanzor de weemoedige regels dichtte: "Zeg tegen de lente: spreid je mantel van wolken uit en vul de zeilen met wind over de plaatsen waar ik speelde als kind", moeten zijn gedachten zijn teruggegaan naar zijn kinderjaren aan deze kust, waar nu de vissersbootjes wachten op de avond.

Moorse nachten

Cacela was in die dagen een strategische zeehaven, halverwege Gibraltar in het oosten en Lissabon in het westen. Toen in de 12e eeuw de Almohaden, de islamitische tegenhangers van de kruisridders, vanuit Marokko ook deze gebieden kwamen opeisen, waren hier de troepen gelegerd van Abu Yakub Yusuf, een zoon van Almohaden-leider Abd al-Mu'mim. En hiervandaan onderwierpen ze, over land en over zee, de rest van de Algarve.

Het waren achteraf gezien de nadagen van vijf eeuwen moors bewind. In 1240 viel Cacela in handen van de kruisridders van de orde van Santiago. Net als de Almohaden voor hen gebruikten ze Cacela als uitvalsbasis voor de inname van de overige steden van de Algarve. De verovering kostte hen nog tien jaar, tot het jaar 1250, toen ook de toenmalige hoofdstad Silves was ingenomen.

Volgens een kroniekschrijver kon Silves in heerlijkheid wedijveren met Cordoba, maar ook dat is tegenwoordig een vergeten dorp, een eindje het binnenland in. In de eeuwen die volgden verzandde de rivier waaraan Cacela zijn positie als havenstad dankte, en waarvan nu nog maar een onooglijk stroompje rest. Ook de kust verzandde en de plaats zakte weg in de vergetelheid.

Maar nu staat Cacela Velha elke zomer weer vier dagen, letterlijk, in de schijnwerpers. Want sinds een paar jaar worden er elke julimaand de festiviteiten van de "moorse nachten" gehouden, en dat is symptomatisch voor een ontwikkeling die overal in Portugal valt waar te nemen. Tijdens het festival wordt in de vorm van allerlei voorstellingen en muziek de ambiance herschapen van de moorse middeleeuwen.

Die aandacht voor een lang vergeten moorse geschiedenis staat niet op zichzelf. In het kader van de internationale reeks tentoonstellingen en evenementen van de "Terras de Moura Encantada" (landen van de betoverde moorse) voeren tien routes door Portugal langs musea en historische plaatsen, op zoek naar het moorse verleden - en vaak ook naar vormen waarin men die nu probeert te laten herleven.

Al-Gharb

Want aan het begin van de 21e eeuw genieten de moren een plotselinge populariteit die niet alleen wat over het verleden zegt, maar ook iets over het moderne Portugal.

Voor wie erop gaat letten, ligt de moorse nalatenschap overal in Portugal voor het oprapen. Bezoekers zullen er in Lissabon op stuiten, dat ook ten tijde van de moren al een belangrijke stad was en aan hun "Lishbuna" zijn huidige naam dankt. De wijk Alfama heeft tot in de moderne tijd zijn weemoedige muziek en andere moorse tradities weten te bewaren.

Honderden Portugese woorden en duizenden plaatsnamen zijn van Arabische afkomst. Elke bezoeker stuit in Portugal op Arabische woorden als "almoço" (lunch) en "azeitonas" (olijven). En vooral in het zuiden hebben ontelbaar veel plaatsnamen een oriëntaalse klank. De naam "Algarve" zelf is Arabisch: van Al-Gharb, het Westen - want ooit was dit de meest westelijke uithoek van de moorse wereld. En rivieren als de Guadiana en Guadalquivir dragen het Arabische "wadi" in hun exotisch klinkende namen.

Wanneer een Portugees uitroept "Deus é grande" (God is groot) klinkt meer het "Allahu akbar" door dan de katholieke catechismus. Over Allah gesproken: zowel de kreet "olé" als de populairste groet ("olá") zouden afleidingen van de islamitische godsnaam zijn. Zelfs het "inshallah", als Allah het wil -dat elke moslim op de lippen neemt zodra het over iets toekomstigs gaat- heeft een plaats gekregen in het Portugees als "oxalá!".

De zuidelijke Algarve was het langst in moorse handen en hier zijn de invloeden het tastbaarst. De streek staat bekend om zijn witte stadjes met zijn "azulejos", geglazuurd blauw tegelwerk, waarmee huizen en kerken zijn versierd. Een andere zichtbare erfenis is die van de overal aanwezige minaretachtige schoorstenen, niet alleen op de witte vissershuizen maar even goed op de daken van de nieuwste appartementen. Volgens de overlevering dienden ze ooit voor de achtergebleven moren om zich heimelijk op Mekka te kunnen oriënteren.

Al-Andalus

Het verhaal van de verovering is bekend, maar daarom nog niet minder verbazingwekkend. Op 30 april van het jaar 711 -nog geen drie generaties na de dood van Mohammed- steekt een expeditieleger van voornamelijk Berbers onder aanvoerder Tarik de smalle zeestraat over die Europa van Afrika scheidt. De landingsplaats zal later Dzjebel Tarik heten, berg van Tarik, en de naam zal verbasterd worden tot "Gibraltar". Een jaar later volgt een hoofdmacht met Arabische avonturiers uit alle windstreken.

In amper vijf jaar tijd wordt het christelijke Visigotische koninkrijk -dat veel grotere legers op de been kan brengen, maar op dit cruciale moment intern verdeeld is- onder de voet gelopen en praktisch het hele Iberische schiereiland valt in handen van de veroveraars.

In de eeuwen die volgen bouwen de "moren" (een verzamelnaam voor de islamitische bewoners, van Arabieren tot Berbers en van Afrikanen tot de inheemse bevolking die in de loop der tijd islamiseert) het rijk van Al-Andalus: het grote kalifaat van Cordoba en later nog een aantal andere vorstendommen. Pas in 1492, bijna acht eeuwen na de oversteek van Tarik, moet de heerser van het laatste vorstendom, Granada, de sleutels van de stad overdragen aan de katholieke koningen.

Ook een bekend verhaal is hoe de Europese Middeleeuwen van dit moorse Al-Andalus tal van nieuwe vindingen overnemen. Ons glas, papier en zeep hebben we eraan te danken. De grootste moorse en joodse geleerden van Al-Andalus kennen we onder "Europese" namen als Avicenna, Averrroes en Maimonides. Via hen komt de kennis van de Griekse oudheid tot Europa, de herontdekking van Aristoteles met name, en ook de wiskunde, die de bouwkunst van de Gotiek en de Renaissance mogelijk zal maken.

Reconquista

Alleen in het bergachtige noorden van het schiereiland zijn een paar christelijke vorstendommetjes overgebleven. Na eeuwen van schermutselingen -Amanzor zal zelfs de kerkklokken van Santiago de Compostela meevoeren naar Cordoba- krijgt hun strijd rond het jaar 1100 een nieuwe dimensie: die van de kruistochten. Nadat de eerste kruistocht Jeruzalem heeft weten in te nemen, ontstaat overal in West-Europa een nieuw soort monnikendom met een nieuwe roeping: de heilige oorlog. Geholpen door de nieuwe kruisridderorden en met steun van de paus kan ook de oorlog tegen de moren nu onderdeel worden van een hoger doel: de Reconquista, de "herovering" van ooit christelijke gebieden.

In het noorden van het huidige Portugal vormt zich een nieuw koninkrijkje, dat in niet veel meer dan een eeuw tijd het hele huidige grondgebied op de moren weet te veroveren. Lissabon, bijvoorbeeld, wordt in 1147 ingenomen door een kruisvaardersvloot uit Engeland en de Nederlanden die op weg is naar het Heilige Land. Dat patroon zal zich nog een paar keer herhalen. Ook bij de eerste poging om de Algarve op de moren te veroveren, tijdens een verrassingsaanval op Silves in 1189, zijn kruisvaarders uit de Lage Landen betrokken.

Maar het leeuwendeel van de taaie veroveringen komt voor rekening van de vier grote ridderorden. De Portugese koning zal hen telkens belonen met grote stukken land in het veroverde zuiden, en eeuwenlang zullen zij hier de rol van landheer blijven spelen. Vooral uit de steden worden de moorse inwoners verdreven, al blijft een deel vaak even buiten de muren in de "morenwijk" hangen. Maar op het platteland ploegt de boer onverstoorbaar voort. Waar de meerderheid van de bevolking in de loop der eeuwen langzaam geïslamiseerd is, begint nu het omgekeerde proces. Formeel mogen alleen de moren blijven die zich laten dopen, maar de werkelijke kerstening zal meer tijd hebben gevergd.

Mertola

In het koele islamitische museum van Mertola draait een zwijgende film. Alledaagse handelingen van boeren en vrouwen uit de streek worden daarin telkens afgezet tegen soortgelijke tradities van de Berbers van Noord-Afrika. De overeenkomsten zijn talrijk, verbluffend misschien wel. Vrouwen bakken brood en spinnen wol en boeren ploegen de akker op verschillende continenten maar volgens dezelfde patronen.

Het prachtige burchtstadje Mertola ligt een paar uur varen stroomopwaarts aan de rivier de Guadiana in het droge binnenland van Portugal, de Alentejo. Ook Mertola dankt zijn ontstaan aan de Feniciërs en het stadje speelde een aanzienlijke rol in de oudheid en de moorse Middeleeuwen. Maar hier zijn de sporen van dat verleden nog volop zichtbaar. Wie door de nauwe straatjes wandelt, ziet die geschiedenis niet alleen in steen. Een gezicht of het postuur van een voorbijganger kan zomaar Noord-Afrikaanse associaties oproepen: de mensen van de film lijken ook qua uiterlijk soms op elkaar.

Het islamitische museum is een van de vijf historische musea die het kleine stadje rijk is. Ze zijn de voorlopige uitkomst van het "Mertola-project", een combinatie van archeologisch en etnografisch onderzoek dat eind jaren zeventig is begonnen. Arabisten en archeologen werken sindsdien samen om vooral de moorse wortels bloot te leggen, tot en met de sporen in de levende volkstradities toe.

Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen, maar in Portugal is dat een beladen onderneming. Tijdens het bewind van Salazar, de dictator die Portugal regeerde tijdens de halve eeuw vóór de Anjerrevolutie van 1974, was aandacht voor het moorse verleden zo goed als taboe. Het nationale zelfbeeld kende alleen het verhaal van de heroïsche Reconquista en de daaropvolgende glorieuze eeuwen van Portugese zeevaarders en overzeese bezittingen. Ook in academische kringen was het onverstandig belangstelling te tonen voor andere achtergronden dan deze "nationale geschiedenis".

Het Mertola-project kon pas plaatsvinden in de nieuwe wind die ging waaien na de Anjerrevolutie. Opgravingen werden georganiseerd, die een nagenoeg vergeten moors verleden begonnen bloot te leggen. Maar islamitische graven zijn er pas gevonden vanaf de elfde eeuw, soms zelfs gebroederlijk naast christelijke. De bevolkingsgeschiedenis laat vooral veel continuïteit zien, is de moraal, en de islamisering voltrok zich pas geleidelijk, na eeuwen van moors bewind.

Moskee

We schrijven het jaar 1238. Twee jaar vóór Cacela nemen de kruisridders van Santiago het hooggelegen Mertola in. Hun successen schrijven ze dankbaar toe aan hun naamgever, Santiago (St. Jacobus de Meerdere), die hen op bovennatuurlijke wijze heeft bijgestaan. "Matamouros", de morendoder, luidt zijn eretitel, en de beschermheilige van het hele schiereiland krijgt een bijzondere plaats in Mertola.

In het museum voor religieuze kunst hangen twee 16e-eeuwse panelen van Santiago de morendoder, zijn ridders aanvoerend in de strijd tegen de moren. Het zijn kostbare panelen, en ze hebben een ereplaatsje gekregen in het kleine museum. Maar toch.

Het witte kerkje waar de panelen thuishoren, de Igreja Matriz, ligt aan de voet van de burcht en is de oudste kerk van Mertola. Maar beroemd is het om een andere reden. Het geldt als een van de zeldzame bewaard gebleven moskeeën van Portugal. Dat wil zeggen: veel is in de loop der tijd onherkenbaar verbouwd, maar in de zuilenrijen, de hoefijzervormige poortjes en bovenal in de op Mekka georiënteerde "mihrab" achter het altaar laat zich de voormalige moskee herkennen.

Maar het meest helpen daarbij de borden die al vanaf de ingang van het stadje naar een "moskee" verwijzen - hoewel de Igreja Matriz onverminderd als kerk dienstdoet en er dagelijks de mis wordt opgedragen.

Mysticus

Wie verder de burchtheuvel opklimt, loopt een fonkelnieuw ruiterstandbeeld tegemoet, dat uitziet over Mertola. O, denk je: de morendoder, of anders weer een van de Portugese koningen van de Reconquista, en je zou er achteloos aan voorbijlopen.

Maar het is niet de patroonheilige van de ooit zo machtige kruisridders, en ook niet een van Portugals nationale helden. Volgens het opschrift gaat het om "Ibn Qasi, senhor del Mertola, 1144-1147".

De meest geëerde "heer van Mertola" blijkt een moorse mysticus te zijn, een soefi die vanuit zijn geboortestad Silves deze streken wist te onderwerpen, maar uiteindelijk door zijn eigen mensen werd vermoord.

In Mertola is het verleden langzaam omgedraaid. Santiago de morendoder hangt in het museum en een moorse soefi kijkt uit over het stadje. De voornaamste kerk wordt aangeprezen als "moskee". En daarmee vertelt het Mertola-project ook iets over het veranderende zelfbeeld van het moderne Portugal.

Aan de kust van de Algarve moeten levensgrote billboards bezoekers het binnenland inlokken, naar de "Moorish Mines" bij Martinlongo, een smoezelig provincieplaatsje waar tot voor kort nooit iemand kwam. Het kan verkeren. Alles wat voor moors kan doorgaan, oefent ineens een onweerstaan bare aantrekkingskracht uit. En de Portugezen zelf lijken graag bereid een deel van hun vertrouwde geschiedenis in te ruilen voor een meer exotische kijk op hun verleden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 14 september 2005

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

De morendoder van Mertola

Bekijk de hele uitgave van woensdag 14 september 2005

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken