Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Oprecht theoloog van de Schrift

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Oprecht theoloog van de Schrift

7 minuten leestijd

Johannes à Marck was exegeet, theoloog en docent kerkgeschiedenis. De aandacht die hij voornamelijk heeft gekregen door zijn "Merch der christelijke Godts-geleertheit" is terecht. Maar er is meer over deze man te zeggen.

Johannes à (van) Marck(ius) werd op 10 januari 1656 geboren te Sneek. Vader Willem à Marck was rector van de Latijnse School; moeder Margaretha was dochter van de theoloog Johannes Cloppenburg, hoogleraar aan de universiteit van Franeker en vriend van Gisbertus Voetius en Johannes Coccejus. Toen moeder A` Marck stierf aan de pest werd Johannes' opvoeding toevertrouwd aan zijn oma, Elisabeth Bessels, de weduwe Cloppenburg.

Johannes à Marck begon als veertienjarige met de studie filosofie en theologie te Franeker. Deze studie zette hij drie jaar later voort aan de universiteit van Leiden. In Leiden werd Jacobus Trigland Jzn. zijn vriend. Naderhand zou Trigland ook zijn collega worden aan dezelfde universiteit. In 1675 keerde hij terug naar Franeker, waar hij zijn doctoraat verwierf onder Nicolaas Arnoldi. Daar sloot hij vriendschap met de pasbenoemde Herman Witsius.

Hoogleraarspost

Op de leeftijd van negentien jaar werd A` Marck vervolgens predikant te Midlum. Reeds een jaar later, op 15 september 1676, aanvaarde hij een hoogleraarspost te Franeker. Zijn inaugurele rede heette "De augmento scientiae theologicae". In Franeker trouwde hij in 1677 met Helena Bukholt. Midden in zijn werk aan de uitgave van Cloppenburgs "Opera" verhuisden ze naar Groningen.

In Groningen verscheen in 1686 de eerste editie van zijn dogmatiek. In datzelfde jaar overleed zijn vrouw. In de Groninger tijd verschenen ook de eerste uitgaven van zijn exegetisch werk, waaronder de exegetische analyse van Jesaja 53. Hierin ontmoeten we A` Marck vooral als exegeet en dogmaticus.

In 1688 werd hij rector van de Groninger universiteit. In datzelfde jaar trouwde hij met Catharina Ursinus, dochter van de Rotterdamse predikant Johannes Ursinus. Een jaar later verhuisde het gezin naar Leiden. Daar zette hij zijn exegetisch werk voort.

In 1690 verscheen een tweede en verbeterde uitgave van zijn dogmatiek, het "Compendium theologiae christianae". De grondlijnen van zijn werk in exegese en dogmatiek werd dus voortgezet. Studenten zoals Aegidius Francken en Johann Burkhard Mencke (die in 1698 vanuit Duitsland een bezoek bracht aan A` Marck) herinnerden zich hem als een innemend docent.

A` Marcks einde kwam op 30 januari 1731. Hij die geleefd had met de zinspreuk "Weest voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven" en die een waar geleerde van de Schrift was, mocht toen ingaan in de vreugde van zijn Heere.

Eigen variatie

Met zijn "Compendium theologiae christianae" vestigde A` Marck zijn naam als dogmaticus. In grote lijnen volgt hij de indeling die gangbaar is in de zeventiende eeuw. Echter, na hoofdstuk 12 (dat handelt over de plichten van het genadeverbond, geloof en bekering), beschrijft hij in een enigszins eigen variatie de "ordo salutis". Hij begint met Gods krachtdadige roeping en behandelt vervolgens Zijn genadige rechtvaardiging, de ware heiligmaking, goede werken, gebed, alsmede vasten, waken, aalmoezen en geloften en Gods zekere bewaring. Hierna behandelt hij de wederbaring, aanneming, verzoening en verlossing.

Hoewel deze indeling A` Marcks eigen karakter weergeeft als dogmaticus is er inhoudelijk veel overeenstemming met zijn tijdgenoten, zoals Mastricht en A` Brakel. De laatste zou een meer praktisch-voetiaanse dogmatiek hebben geschreven: de "Redelijke Godtsdienst". Echter, ook A` Marck kan soms pastoraal te werk gaan in zijn dogmatiek, getuige bijvoorbeeld zijn opmerking bij huwelijksproblemen. Hij schrijft dan dat "somtijds eene Scheidinge van Bedde Taafel en Wooninge om swaare huistwisten en andere reedenen tot verwijdinge van meer kwaat kan plaats hebben en door de Ooverheit naa ondersoek van saaken kan worden bevestigt." Niettemin is het compendium een werk zoals A` Marck het in de titel noemt, een "didactisch-polemisch werk."

Het was Bernardus de Moor die met toestemming van A` Marck een uitvoerig commentaar van zes delen leverde op het compendium. Om zijn studenten van dienst te kunnen zijn, publiceerde A` Marck vervolgens een samenvatting van het compendium: de "Christianae theologiae medulla". Dit werk was tot ver in de achttiende eeuw een bekende dogmatiek die vele herdrukken kreeg. A` Marcks leerling uit Franeker, Joh. Wilhelmius (predikant te Rotterdam) zorgde later nog weer eens voor een samenvatting: "Kort opstel der christene Gotsgeleertheid, tot leerlinge der waarheeden en wederlegginge der dwalingen. Getrokken uit de grootere werken van Marck". (1714). A` Marck zelf zorgde nog voor een vrije Nederlandse vertaling van zijn eigen compendium, het "Merch der christelijke Godts-geleertheit", dat bekendstaat als een dogmatisch-voetiaans werk.

Hoewel er onderscheid is tussen een dogmatische en een praktische benadering, worden ze door A` Marck niet gescheiden. Daarom doet de karakterisering van A` Marck als dogmaticus tekort aan zijn theologiebeoefening.

Theoloog van de Schrift

A` Marck was een exegeet van formaat. Wie zijn "Opera omnia" bekijkt, ziet onmiddellijk dat zijn dogmatiek slechts een deel is van zijn oeuvre. Hij leverde exegetische werken over de twaalf kleine profeten, over het Hooglied van Salomo, over verschillende Schriftplaatsen uit het Oude en het Nieuwe Testament en een verklaring van de Openbaring van Johannes.

Juist in deze exegetische werken blijkt A` Marck een ware theoloog van de Schrift te zijn, een exegeet die nauwkeurig grammaticaal-historisch en met zeer grote kennis van de grondtalen te werk gaat. Hier zien we A` Marck ook als een praktisch theoloog. De verklaring van de tekst, zover de tekst dit toelaat, krijgt een praktische applicatie. Hier wordt ook duidelijk dat de zogenaamde bewijstekstentheorie (dat wil zeggen: Bijbelteksten die worden gebruikt als onderbouwing van een leer die reeds van tevoren vaststaat), niet wordt ondersteund door A` Marck. Juist bij het lezen van zijn exegetisch werk in combinatie met zijn dogmatiek, blijkt de relatie tussen A` Marcks exegese en zijn dogmatiek.

In zijn oudtestamentische exegese leren we A` Marck ook kennen als een groot kenner van de rabbijnse verklaringen, die hij soms met instemming, soms met kritiek citeert.

Leer en praktijk

Als A` Marck in zijn dogmatiek van de Godsleer handelt over Gods onveranderlijkheid verwijst hij onder meer naar Maléachi 3:6. In zijn verklaring op het boek Maléachi, een commentaar onder de titel "Exegetische analyse van het boek Maléachi", wijdt hij niet minder dan vijf pagina's aan het zesde vers van hoofdstuk 3. Allereerst definieert hij de perikoop, gebaseerd op de Hebreeuwse tekst, die hij vertaalt naar het Latijn (de Statenvertaling geeft de tekst weer als: "Want Ik, de Heere, word niet veranderd").

Vervolgens wijst hij erop dat het begrip "want" grammaticaal niet direct behoort tot de voorafgaande tekst, maar tot de woorden die erop volgen: "Ik, de Heere." Hij weet zich hier gesteund door de Septuaguint en door de kerkvaders Hiëronymus en Augustinus. Op deze wijze komt hij tot het lezen van de tekst: "Want Ik, de Heere, verander niet."

Hij zet zijn analyse voort door het werkwoord "veranderen" te vergelijken met andere teksten in de Heilige Schrift. Hij grijpt in zijn verklaring van Maléachi 3:6 terug op rabbi Jonathan. Ten slotte, en hier blijkt de praktische dimensie, wijst A` Marck er bij zijn exegese van Maléachi 3:6 op dat de Heere voor Zijn kinderen onveranderlijk is in Zijn genade, beloften, bedreigingen en waarschuwingen.

De leer en de praktijk van de onveranderlijkheid van God komen bij A` Marck uit de Schrift op. Wie zó zijn dogmatiek leest, heeft weinig ruimte over om A` Marck te karakteriseren als een dogmaticus die zocht naar bewijsteksten ter ondersteuning van de leer. We zien hem dan veel meer als de hoogleraar, als een waar exegeet die luistert naar de Schrift en die zich in zijn Schriftverklaringen gesteund weet door anderen uit het verleden, door de kerkvaders en door de rabbijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2006

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Oprecht theoloog van de Schrift

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 2006

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken