Bekijk het origineel

Speuren naar identieke profielen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Speuren naar identieke profielen

Match in DNA-databank leidt regelmatig tot oplossing misdrijf

7 minuten leestijd

Een match tussen het DNA van Ronald P. en het erfelijk materiaal op het lichaam van Christel Ambrosius. De Puttense moordzaak lijkt na veertien jaar eindelijk opgelost. Toch vormt die ene vondst slechts het topje van de ijsberg. "We constateren wekelijks vijftig tot zestig matches", zegt NFI-directeur Tjark Tjin-A-Tsoi.

Een laars, een dolk, een T-shirt, een koevoet. De voorwerpen die het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) voor onderzoek krijgt, en die mogelijk DNA van daders bevatten, zijn divers.

Bewijsstukken die op de plaats van een delict worden aangetroffen, komen ingepakt en gestickerd in dozen en zakken bij het NFI binnen. De regels voor verzending zijn streng: als de verpakking niet aan de eisen voldoet, wordt het stuk niet in behandeling genomen.

Elk voorwerp krijgt bij aankomst bij het NFI een chip met een barcode. Daarmee wordt het op de route door het gebouw continu gevolgd, want bij elke deur leest een scanner de code af. Raakte het forensisch instituut in het verleden nog wel eens bewijsstukken kwijt, dit "tracking & tracing"-systeem sluit dat risico vrijwel uit, stelt Tjin-A-Tsoi. "We weten nu altijd in welke ruimte zich wat bevindt."

De forensische labs onderzoeken het bewijsmateriaal eerst op biologische sporen: bloed, sperma, speeksel en haren. Het belangrijkste instrument daarbij is het blote oog, al dan niet geholpen door microscopen en speciale lampen.

Om vermenging van sporen te voorkomen, onderzoekt een medewerker elk voorwerp apart. Bekijkt het eerst bij daglicht. Vervolgens wordt het bewijsstuk onder een zogeheten crimescope gelegd. Die zendt licht uit op verschillende golflengten om sporen zichtbaar te maken die met natuurlijk licht niet of nauwelijks waarneembaar zijn. Met een operatiemicroscoop worden een laars en een dolk -met opgedroogd bloed- aan een detailonderzoek onderworpen.

De medewerkers zijn van top tot teen ingepakt: witte jas, handschoenen, haarnetje, mondkapje en overschoenen. Dit om verontreiniging van dader- of slachtoffermateriaal met hun eigen DNA te voorkomen.

Streepjescode

Als het sporenonderzoek is afgerond, gaan monsters van bloed, speeksel of sperma naar de DNA-afdeling voor analyse. Een groot deel van dit proces verloopt volledig geautomatiseerd. Op die manier kan het NFI jaarlijks tienduizenden profielen verwerken. Maar het verkleint ook de kans op verwisseling van sporen.

Om de unieke kenmerken in het erfelijk materiaal te bepalen, worden tien specifieke stukjes DNA specifiek vermeerderd (zie kader). Door de vermeerdering is met heel weinig celmateriaal toch een betrouwbaar profiel te maken. De erfelijke informatie van alle lichaamscellen is hetzelfde. Dat maakt het mogelijk om DNA uit cellen van het wangslijmvlies te vergelijken met dat uit andere lichaamscellen, zoals bloed of sperma.

De volgende stap is analyse van het monster. "Vroeger kregen we een soort streepjescode in een gel. Met de huidige methode zien we een piekenpatroon", zegt Lex Meulenbroek, DNA-deskundige bij het NFI.

De DNA-profielen van sporen en van verdachten en veroordeelden worden gecodeerd in een databank opgeslagen, waarna een computerprogramma ze met elkaar vergelijkt. Maar eerst gaan ze langs de profielen van de NFI-medewerkers. "Contaminatie met DNA van medewerkers komt incidenteel voor", aldus Meulenbroek. "Daarom wordt hun profiel standaard vergeleken met dat van het DNA van bewijsstukken." De databank bevat op dit moment zo'n 35.000 profielen van sporen en 52.000 profielen van verdachten en veroordeelden. Wordt een verdachte vrijgesproken of vervalt de verdenking, dan krijgt het NFI van het openbaar ministerie opdacht de DNA-gegevens uit de databank te verwijderen.

Achterstand

Ontdekt het computerprogramma twee identieke profielen, dan wordt vervolgens uitgezocht welke persoon en welk zaaknummer bij de betreffende codes in de databank horen.

Toch zal een rechter iemand niet louter en alleen kunnen veroordelen op de aanwezigheid van zijn DNA op de plaats delict. Een relatie tussen spoor en delict is belangrijk. Op basis van celmateriaal op een sigarettenpeuk die in de tuin is gevonden, kan niet worden geconcludeerd of de verdachte ook in dat huis heeft ingebroken. Ontkent de verdachte echter ooit in de buurt van het huis geweest te zijn, dan geeft het aangetroffen DNA wel aanknopingspunten voor verder onderzoek.

Toen het NFI onlangs het profiel van Ronald P. toevoegde aan de DNA-databank, leverde dat een match op met spermasporen op het been van Christel Ambrosius, die in 1994 werd vermoord. De gegevens van de Delftenaar werden in de databank opgenomen vanwege zijn veroordeling in 2005 voor de mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Een wet die kort daarvoor was aangenomen, maakt DNA-afname van verdachten en veroordeelden mogelijk. Het betreft dan over het algemeen delicten waarop een maximale gevangenisstraf staat van vier jaar of meer. Doordat het NFI met terugwerkende kracht celmateriaal moest afnemen van duizenden veroordeelden, kwam hij op een lange wachtlijst te staan.

Toen hij uiteindelijk in maart 2007, twee jaar na zijn veroordeling, wangslijm af moest staan, maakte de Delftenaar bezwaar tegen de opname van zijn profiel in de DNA-databank. De rechter verklaarde dit echter ongegrond. Het duurde nog tot april dit jaar voordat de gegevens van Ronald P. waren verwerkt en hij in beeld kwam als verdachte in de Puttense moordzaak.

Een match tussen een misdrijf en personen heeft natuurlijk niet altijd dezelfde impact als "Putten", beseft Tjin-A-Tsoi. "Maar ik weet van meerdere zaken die daardoor vooruit zijn geholpen."

Op dit moment heeft het NFI nog een achterstand van zo'n 10.000 monsters van veroordeelden. Tegen het einde van het jaar moet die weggewerkt zijn. Voorlopig staan er nog rijen witte doosjes in het DNA-lab klaar voor analyse. "Die van de Puttense moordzaak zat in een van die doosjes."

dnasporen.nl en nederlandsforensischinstituut.nl.


Uniek piekenpatroon

Vrijwel iedere cel in het menselijk lichaam heeft een celkern. In die kern ligt het erfelijk materiaal opgeslagen in de vorm van 46 chromosomen, grote DNA-moleculen die 23 paren vormen. Van elke set is één exemplaar afkomstig van de vader en één van de moeder. In totaal bevat de celkern 22 paar 'gewone' chomosomen en één set geslachtschromosomen, die bij mannen bestaat uit een X- en een Y-chromosoom (XY) en bij vrouwen uit twee X-chromosomen (XX).

Elk DNA-molecuul wordt samengesteld uit vier verschillende bouwstenen - 'legostenen' in vier verschillende kleuren: A (adenine), T (thymine), C (cytosine) en G (guanine). De volgorde waarin die bouwstenen aan elkaar zitten, heeft een bepaalde betekenis voor de machinerie in de celkern. Die kan bijvoorbeeld uit de lettercode aflezen dat van een bepaald stuk DNA een eiwit moeten worden gemaakt.

Een groot deel van het erfelijk materiaal verschilt nauwelijks van persoon tot persoon. Maar voor een aantal stukken, hypervariabele gebieden, gaat dat niet op. Zo'n hypervariabel gebied bestaat uit herhalingen van vier lettercombinaties, zoals TCAT TCAT TCAT TCAT. Aangezien het aantal herhalingen per persoon verschilt, zijn dergelijke gebieden uitermate geschikt om personen van elkaar te onderscheiden.

Het NFI kijkt bij het DNA-profiel naar tien hypervariabele gebieden op tien verschillende chromosomen. De kans dat twee personen toevallig hetzelfde patroon laten zien, is met deze methode kleiner dan 1 op 1 miljard. Daarnaast wordt bepaald of de persoon in kwestie een man of een vrouw is. Het DNA-profiel in de illustratie heeft X en Y en is dus van een man.

De apparatuur die het profiel analyseert, geeft de verschillende herhalingsgebieden -of loci- weer als pieken. Wanneer er twee pieken zichtbaar zijn, wil dat zeggen dat het repeterende stukje op het ene chromosoom langer of korter is dan dat op het andere chromosoom van hetzelfde paar. Zo kan de vierlettercombinatie op het ene exemplaar negen en op het andere elf keer voorkomen. Wanneer een locus op beide chromosomen even lang is, ontstaat één piek die ongeveer twee keer zo groot is als de twee pieken die bij verschillende lengte zouden ontstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 3 juni 2008

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Speuren naar identieke profielen

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 3 juni 2008

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken