Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De werknemer in het verkeer (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De werknemer in het verkeer (I)

4 minuten leestijd

De Hoge Raad heeft deze maand in de zogenoemde TNT-zaak een belangrijke uitspraak gedaan over de vraag of een werkgever een hem als kentekenhouder (bij een "auto van de zaak") opgelegde verkeersboete kan verhalen op de werknemer die de aan de boete ten grondslag liggende verkeersovertreding heeft begaan.

De uitspraak werd als belangrijk nieuws in de media aangehaald. Terecht, want de impact van de uitspraak is groot. De Hoge Raad kwam in de recente uitspraak terug op een eerder gewezen uitspraak, in 2001. Volgens die uitspraak van de Hoge Raad kon een opgelegde verkeersboete alleen op de werknemer worden verhaald wanneer (op grond van artikel 661 boek 7 Burgerlijk Wetboek) sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer. Anders gezegd, alleen wanneer de werknemer bewust roekeloos of opzettelijk door rood licht was gereden of de maximumsnelheid had overtreden, was verhaal van de door de werkgever betaalde boete op de werknemer mogelijk.

Bewuste roekeloosheid

Deze uitspraak leidde ertoe dat er qua rechtspositie een onderscheid werd gemaakt tussen werknemers die met een eigen auto voor de werkgever op pad gingen en werknemers die gebruikmaakten van een auto waarvan het kenteken op naam van de werkgever stond. Eerstgenoemde werknemer diende de verkeersboetes zelf te betalen, terwijl de tweede werknemer zich schuldig kon maken aan allerlei verkeersovertredingen zonder dat hij een daarvoor opgelegde boete behoefde te betalen; dat laatste hoefde alleen als de werkgever kon bewijzen dat de werknemer met opzet of bewust roekeloos de verkeersovertreding had begaan.

Onder meer vanwege dit onderscheid was er veel kritiek op de uitspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad is nu omgegaan. In de TNT-zaak was in de appelprocedure door het gerechtshof beslist dat in de lijn van de uitspraak van de Hoge Raad uit 2001 een verkeersboete alleen op de werknemer kon worden verhaald als de werknemer zich had schuldig gemaakt aan opzet of bewuste roekeloosheid.

Het gerechtshof formuleerde vervolgens een vuistregel: een werknemer die bij een maximumsnelheid van 50 kilometer niet meer dan 10 kilometer per uur te hard heeft gereden, heeft in beginsel niet bewust roekeloos of opzettelijk gehandeld. Heeft de werknemer harder dan 10 kilometer per uur gereden, dan zal de werknemer moeten bewijzen dat er geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid.

De Hoge Raad heeft met deze beslissing korte metten gemaakt. Het arrest uit 2001, zo overweegt de Hoge Raad nu, geldt niet meer. Dat was blijkbaar een foute beslissing.

De hierboven genoemde regeling van artikel 661 uit het Burgerlijk Wetboek is niet geschreven voor de problematiek van de verkeersboete. De Hoge Raad geeft twee argumenten voor deze generieke uitzondering. Het eerste argument is het systeem van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Voordat de WAHV werd ingevoerd was het immers mogelijk dat een kentekenhouder aan een boeteoplegging kon ontkomen, indien hij de identiteit van de feitelijke bestuurder bekend kon maken. De boete werd dan aan de laatste toegezonden en niet aan de kentekenhouder.

Onderscheid in boetes

Met de invoering van de WAHV wordt de kentekenhouder steeds zelf beboet en dient hij zelf deze boete te verhalen op de feitelijke bestuurder. Volgens de Hoge Raad is het niet de bedoeling van de wetgever geweest met de invoering van de administratieve boeteoplegging aan de kentekenhouder de mogelijkheid tot verhaal op de hem bekende bestuurder via het civiele recht te ontzeggen.

Het tweede argument is het hierboven al genoemde niet te verklaren onderscheid tussen enerzijds boetes die met toepassing van artikel 5 WAHV zijn opgelegd aan de werkgever en anderzijds boetes die op grond van die wet aan de werknemer zijn opgelegd. Dat de Hoge Raad omging, is mijns inziens terecht. Het is fair de werknemer zelf voor een door hem begane verkeersovertreding te laten betalen. Dit is alleen anders wanneer de werkgever de werknemer heeft aangespoord zo snel mogelijk te rijden. In dat geval behoort de verkeersboete voor rekening van de werkgever te blijven. In de volgende aflevering bespreek ik een ander belangrijk -recent gewezen- arrest van de Hoge Raad over de werknemer in het verkeer.

De auteur is hoogleraar arbeidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Reageren aan scribent? socialezaken@refdag.nl.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2008

Reformatorisch Dagblad | 23 Pagina's

De werknemer in het verkeer (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2008

Reformatorisch Dagblad | 23 Pagina's

PDF Bekijken