Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bijbels gezinsmodel past niet meer

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bijbels gezinsmodel past niet meer

NIEUWE VISIES OP HUWELIJK EN MOEDERSCHAP WERKEN DOOR IN NABESTAANDENWET

9 minuten leestijd Arcering uitzetten

Twee jaar na de invoering van de AOW trad de Algemene weduwen- en wezenwet (AWW) in werking. Daarmee werd een halve eeuw geleden een basisvoorziening gecreëerd voor een categorie mensen die het vanouds moeilijk had om het hoofd boven water te houden. Al in de Bijbel worden weduwen en wezen herhaaldelijk als zodanig aangemerkt.

In het volgende decennium kwamen de Bijstandswet en de WAO tot stand, waardoor ook mensen zonder inkomen ("armen") en gehandicapten op een basisinkomen konden rekenen. De WAO werd na verloop van tijd echter zo populair dat drastische ingrepen onvermijdelijk waren. Ook op de bijstand moest besnoeid worden. Je moet het, zo was inmiddels duidelijk geworden, de mensen niet te makkelijk maken om hun hand op te houden.

Ook de basisvoorziening voor weduwen werd door het vervangen van de AWW door de Algemene nabestaandenwet ingrijpend herzien. Daarbij ging het niet alleen om het realiseren van bezuinigingen, al waren die natuurlijk altijd mooi meegenomen. Er lag ook een ander maatschappijconcept aan ten grondslag. Recent deed staatssecretaris Aboutaleb (PvdA) een poging om de nabestaandenwet verder uit te kleden. Ook weduwen c.q. nabestaanden met een kind onder de 18 jaar zouden zich voortaan beschikbaar moeten stellen voor de arbeidsmarkt. Gelukkig reageerde een Kamermeerderheid daar negatief op.

Weduwnaars

De in 1996 ingevoerde nabestaandenwet betreft ook de weduwnaars. In de vroegere AWW kwamen die niet aan bod. Dat was in zekere zin een manco. Een man die na het overlijden van zijn vrouw met een jong gezin achterbleef, stond voor grote problemen. Wie moest er het huishouden doen en voor de kinderen zorgen? Als daarvoor geen familielid beschikbaar was, was dat een reden te meer om met spoed een vrouw te zoeken. De klacht werd zelfs gehoord dat de AWW en de weduwepensioenen het evenwicht op de huwelijksmarkt hadden verstoord. Weduwen zouden vanwege hun uitkering (die zij bij hertrouwen kwijtraakten) minder animo hebben om te hertrouwen dan weduwnaars!

In de tijd dat er nog geen sprake was van AWW en ondernemingspensioenen voor weduwen en wezen waren veel weduwen er happig op om weer in het huwelijksbootje te stappen. Hertrouwen was voor hen vaak het enige middel om weer een bepaalde maatschappelijke bestaanszekerheid te verwerven. Dat wil nog niet zeggen dat bij dergelijke huwelijken de wederzijdse genegenheid afwezig was. Mensen werden toentertijd echter meer geconfronteerd met de hardheid van het bestaan en maakten zich minder druk om de vraag of hun nieuwe partner hun optimale ontplooiing niet in de weg zou staan.

In 1989 kwam de SER met het advies om de AWW drastisch te herzien. Die wet voldeed niet meer aan de eisen van de tijd. Steeds meer gehuwde vrouwen hadden een baan en aan de ongelijke behandeling van weduwen en weduwnaars moest een eind komen. Dat laatste punt werd in de nieuwe nabestaandenwet inderdaad gerealiseerd, al komt het overgrote deel van de uitkeringen nog steeds bij vrouwen terecht.

Overbrugging

Die nabestaandenwet draagt in allerlei opzichten het karakter van een overbruggingsregeling. Nabestaanden (ook van samenwoningsrelaties, dat spreekt tegenwoordig vanzelf) zonder voldoende eigen inkomen die voor 1950 geboren zijn, houden hun uitkering tot hun 65e. Die voorziening loopt dus in 2015 vanzelf af. Geen wonder dat het aantal uitkeringsgerechtigden in twaalf jaar tijd bijna gehalveerd is. Verder geldt dat men een uitkering kan krijgen zolang het jongste kind nog geen 18 jaar is. Die regel wilde de scheidende staatssecretaris nu onderuit halen. Gezien de kritiek in de Kamer, zowel van de regeringspartijen als van de oppositie, is het de vraag of zijn opvolger daaraan zal vasthouden.

Dat neemt niet weg dat het vrij duidelijk is welke kant we op den duur met de regeling uitgaan. In de toekomst zullen alle mannen en vrouwen een baan moeten hebben waar ze van kunnen leven. En dat ongeacht of ze kinderen hebben, alleenstaand, samenwonend of gehuwd zijn. Afgedacht van wat overbruggingsmaatregelen en aanvullende voorzieningen is er dan ook geen reden om structurele uitkeringen te doen aan mensen die weduwe zijn geworden. Hun positie is immers niet wezenlijk anders dan die van mensen die zojuist gescheiden zijn, hun samenwoningsrelatie verbroken hebben of gekozen hebben voor de rol van alleenstaande ouder.

Het huwelijk geldt in onze samenleving allang niet meer als een unieke samenlevingsvorm, als een scheppingsordening, maar slechts als een van de vele menselijke relatievormen die mogelijk zijn. Het wegvallen van de huwelijksband, ook al gebeurt dat door de dood, is dan ook niet meer zo'n ingrijpend gebeuren. Onvrijwillige beëindiging van een relatie komt vaker voor.

Gebrek

Forse kritiek op het voorstel van Aboutaleb kwam van de SP. Fractieleider Kant verweet hem onmenselijkheid, hardvochtigheid en gebrek aan sociaal gevoel, fatsoen en maatschappelijke beschaving. Dat is niet niks. Nu geldt ongetwijfeld dat de SP allergisch is voor bezuinigingen op de sociale zekerheid. Bovendien is zij als oppositiepartij geneigd allerlei regeringsvoorstellen zwart af te schilderen. Niettemin werd hier terecht aandacht gevraagd voor de ingrijpende gevolgen die het heeft wanneer de partner door de dood wegvalt.

Daarentegen beklemtoonde de staatssecretaris dat het in het belang van de achterblijvende partner zonder baan was om zo snel mogelijk aan het werk te gaan. Dat voorkwam dat zij buiten het maatschappelijk leven kwam te staan. Naarmate zij langer thuisbleef, zouden haar kansen op de arbeidsmarkt alleen maar teruglopen.

Nu was het in tijden dat een weduwe nog niet op een overheidsuitkering of een weduwepensioen van de werkgever van haar overleden man kon rekenen, ook heel gebruikelijk dat zij haar best deed om zelf wat te verdienen. Zeker als er in het levensonderhoud van kinderen moest worden voorzien, diende er geld op tafel te komen. Vaak zocht men die verdienste in huishoudelijk werk. Of men zette een winkeltje of handeltje op. Ook kwam het voor dat het bedrijf(je) van de overleden echtgenoot werd voortgezet, zo goed en zo kwaad als dat ging. De weduwe Van Nelle heeft wat dat betreft naam gemaakt. Maar zij was de enige niet. De tweede editie van de Statenbijbel (die van 1657) werd vervaardigd in de drukkerij van de weduwe van Paulus Aertsz van Ravesteijn.

Maar veel weduwen hadden het niet breed en het was geen geringe opgave om zowel uit werken te gaan als de verzorging en opvoeding van de kinderen ter hand te nemen. Kinderen voor wie men vader en moeder tegelijk moest zijn. Het werd dan ook als een vooruitgang ervaren dat, met de stijging van de welvaart in de 20e eeuw, de financiële positie van de achterblijvende weduwe met haar kinderen aanzienlijk verbeterde en zij voldoende aandacht kon schenken aan haar gezin.

Een luxe

Thans geldt echter de norm dat moeders met jonge kinderen een baan buitenshuis moeten hebben (liefst een fulltimebaan). De kinderen kunnen immers naar de kinderopvang. Een (grotendeels) thuisblijvende moeder geldt in veler oog als een luxe. Een weduwe met kinderen vormt daar geen uitzondering op. Dat hangt natuurlijk ook samen met het feit dat mensen geacht worden niet meer dan een of twee kinderen te hebben. Een gezin dat een stuk groter is, laat zich veel moeilijker in dit model inpassen.

Uiteraard heeft de overheid er belang bij om de kosten van allerlei sociale voorzieningen in de hand te houden. Ook onder de AWW gold dat jonge weduwen die geen ongehuwde kinderen hadden, geen uitkering kregen. Alleen lag de grens daarbij al op 40 jaar. In het overgrote deel van de gevallen kreeg men wel een uitkering tot z'n 65e.

Daarbij is het zeker een punt dat het boven de 40 jaar en zeker boven de 50 niet zo makkelijk is om opnieuw in de arbeidsmarkt in te stromen. Nog moeilijker dan voor mensen die op die leeftijd hun baan verliezen. Dat was ook het argument van Aboutaleb. Hoe sneller alleenstaande moeders starten met hun re-integratie op de arbeidsmarkt, hoe beter het is. Vaak wordt daarbij gevoegd dat door thuis te zitten een mens maar verzuurt en zijn wereld nodeloos verkleind wordt.

Nu valt daartegenover op te merken dat de forse tijdsdruk die de combinatie van omvangrijke werk- en zorgtaken veelal met zich meebrengt, ook geen pretje is. Dat is evenmin bevorderlijk voor het lichamelijk en psychisch welbevinden van mensen. Maar wie eigenlijk bedoelt te zeggen dat kinderen een forse belemmering zijn voor de carrière van hun moeder, heeft natuurlijk wel gelijk.

De vraag is alleen hoe je met dat gegeven omgaat. En nog veel meer gewicht heeft de vraag hoe je daar principieel gezien mee om moet gaan. Dient de verzorging en opvoeding van de kinderen niet voorop te staan? Zeker als de overblijvende ouder een dubbelrol moet vervullen. Betaald werk buitenshuis komt dan op de tweede plaats. De ruimte daarvoor zal niet alleen afhangen van de psychische en fysieke draagkracht die men mag bezitten, maar ook van het sociale netwerk van familie, vrienden en kennissen dat men om zich heen heeft.

Overheidsvoorzieningen zouden daarop toegespitst moeten zijn. Met de AWW was dat min of meer het geval. De huidige regels en de jongste aanpassingsvoorstellen gaan echter uit van een heel ander gezins- en maatschappijmodel. Daar is, zoals recent bleek, met het huidige kabinet niets aan veranderd. Ook allerlei pensioenfondsen hebben inmiddels vrij geruisloos hun vroegere regels ten aanzien van de weduwenuitkering aangepast.

Niet passen

Er is ook op dit terrein in onze maatschappij het een en ander ten kwade veranderd. Wie naar Bijbelse normen wil leven, een gezin wil stichten en zijn kinderen wil opvoeden, past daar eigenlijk niet meer zo goed in. Het gevaar is dan reëel dat we ons zonder veel nadenken en zonder veel problemen bij die wereldse patronen aanpassen. Dan krijgt de carrière van de achterblijvende moeder (of vader) zonder meer prioriteit boven de verzorging en opvoeding van kinderen. En die opvoeding is niet alleen nodig als ze 5 zijn, maar juist ook als ze 15 zijn.

In toenemende mate wordt de nadruk gelegd op de betekenis van betaald werk voor de gehuwde vrouw. Een parttimebaan, waar veel vrouwen bewust voor kiezen, is eigenlijk maar niets. Daarmee ben je niet economisch onafhankelijk van je partner. Daarmee kun je geen carrière maken. En thuiszitten leidt alleen maar tot maatschappelijk isolement en welvaartsverlies.

Dat is echter een mens- en maatschappijbeeld waarin wij niet mee kunnen gaan. Welzijn is meer dan welvaart, al moet er uiteraard gezorgd worden voor een redelijk inkomen. En het sociale leven is meer dan de relaties die men op het werk onderhoudt. Bovendien geldt dat het vervullen van onze roeping niet identiek is aan onze zelfontplooiing.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 december 2008

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

Bijbels gezinsmodel past niet meer

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 december 2008

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's