Bekijk het origineel

De man achter

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De man achter "Het daget in den Oosten"

8 minuten leestijd

Een lied dat menigeen op de kleuterschool al leerde: "Nu daagt het in het oosten". De eenvoud van tekst en melodie heeft het adventsgezang bij jong en oud geliefd gemaakt. Achter het lied gaat de al even eenvoudige dr. J. Riemens sr. schuil.

JOHANNES RIEMENS 1842-1908

Een vriendelijke, misschien zelfs wat verlegen man siert het portret voor in een bundel preken. Zijn bakkebaardenbaard keurig verzorgd; een vriendelijke, herderlijke blik in zijn ogen. Het portret moet ergens in de jaren vlak voor zijn dood in 1908 gemaakt zijn.

In de prekenbundel "In Memoriam. Zeven preeken van dr. J. Riemens Sr." typeert Johannes Riemens jr. zijn "hooggeschatte vader" een paar maanden na diens overlijden als een dienstbaar mens. Hij was "niet alleen getrouw herder, maar ook zijn prediking is voor velen tot rijke leering en ten rijken zegen geweest."

Met zijn "eenvoudig, bezielend woord" wilde dr. Riemens volgens zijn zoon "gaarne altijd en altijd weer "dienst doen" en "van dienst zijn", opdat de Christus der Schriften spreken mocht uit en door zijn woord. En juist daardoor was hij "zoo vaak treffend."

Dat het "eenvoudig, bezielend woord" van dr. Riemens inderdaad doel trof, blijkt uit het velletje dat voor in de bundel ligt. Een vrouw die zichzelf aanduidt als "Moeder" schrijft daarop over de vrucht die Riemens' prediking afwierp. "Deze preeken zijn mijn al tot grooten Zegen geweest. Als ik ze leest, dan zie ik in gedachten dat vriendelijk gezicht van Dr. Riemens, die als een oprechten herder de schaapen naar het Eeuwig Vaderhuis wilde leiden."

Voorthuizen

Johannes Riemens wordt op 24 december 1842 in Vlissingen geboren. Zijn vader is ambtenaar bij de administratie van de marine in Vlissingen. Na de school in zijn geboorteplaats bezocht te hebben, gaat Johannes in 1860 naar het gymnasium in Middelburg.

In 1863 schrijft Johannes zich in voor de studie theologie in Utrecht. Aansluitend werkt hij aan een dissertatie over "De beteekenis van den eersten Brief van Johannes in het historisch-kritisch onderzoek naar den oorsprong van het vierde Evangelie", waarop hij in juni 1869 promoveert.

Vervolgens wordt Riemens proponent in de Nederlandse Hervormde Kerk. Begin 1870 trouwt hij met Diderica Jacoba Agatha Laan en een maand later, op 6 februari, wordt hij in de hervormde gemeente van Voorthuizen tot predikant bevestigd.

Al na drie jaar vertrekt Riemens naar Driebergen. Vervolgens is hij vanaf 1880 predikant in Middelburg. In deze jaren vertaalt hij uit het Frans het boek van N. Poulain over "De Evangelische zending als getuige van den goddelijke oorsprong des Christendoms", dat in 1882 verschijnt.

Dat Riemens iets met zending heeft, blijkt ook uit het feit dat hij jarenlang als bestuurslid betrokken is bij de Utrechtse Zendingsvereniging . Ook is hij lid van de Vereeniging Christelijk Nationaal Zendingsfeest (VCNZ), waarvan de Réveilvoorman ds. O. G. Heldring de eerste voorzitter is.

Vanaf 1888 dient Riemens de gemeente van Rotterdam. In 1907 gaat hij om gezondheidsredenen met emeritaat. Hij verhuist naar Zeist, waar hij op 31 augustus 1908 op 65-jarige leeftijd overlijdt. In Driebergen wordt hij begraven.

Liederen

Vooral in zijn Rotterdamse periode toont Riemens zich een liefhebber van poëzie en liederen. Zo publiceert hij in 1895 de bundel "Palmbladeren. Liederen van Karl Gerok, in het nederduitsch nagezongen door J. Riemens". Het gaat hierbij om een in Duitsland zeer geliefde poëziebundel uit 1857 van de hofprediker Karl Gerok (1815-1890) uit Stuttgart.

In diezelfde jaren gaat Riemens aan de slag met een bundel liederen voor huiselijk gebruik van de Duitse predikant-dichter C. J. Ph. Spitta (1801-1859): "Psalter und Harfe". De vijftigste druk van die Duitse bundel vertaalt Riemens samen met anderen onder de titel "Luit en Harp".

Riemens vertaalt niet alleen, hij schrijft ook zelf liederen. Zo maakt hij in 1898 ter gelegenheid van de troonsbestijging van koningin Wilhelmina een lied waarin zijn liefde voor Oranje blijkt: "Wilhelmina van Nassouwe/ Zetelt op Oranje's troon;/ God en 't Vaderland getrouwe/ Draagt zij fier de Koningskroon./ Laat ons haar een feestlied zingen,/ Meer dan ooit vereend van zin:/ Laat de beê ten Hemel dringen:/ Heil zij Neêrlands Koningin!"

Het lied wordt in 1898 voor het eerst gezongen tijdens het 35e zendingsfeest van de VCNZ.

Diaconessenhuis

In Rotterdam raakt dr. Riemens betrokken bij het diaconessenwerk. In 1836 is namelijk in het Duitse Kaiserswerth het eerste diaconessenhuis gesticht waar zusters worden opgeleid voor onderwijs, verpleging en ander liefdadigheidswerk. Het werk van deze Kaiserswerther diaconessen breidt zich vervolgens uit over Europa. Ook in Nederland worden huizen gesticht die zijn aangesloten bij de zogenaamde Kaiserswerther Bund. Na Utrecht (in 1844) volgen onder andere huizen in Haarlem (1874), Leeuwarden (1880) en Amsterdam (1891).

In Rotterdam zijn het de gezusters Elisabeth en Maria van Dam die samen met dr. Riemens het plan opvatten om een diaconessenhuis te stichten. Aan de Westersingel wordt een villa gekocht, die op 28 september 1893 officieel wordt geopend door dr. Riemens. De predikant zal jarenlang voorzitter zijn van het bestuur van het huis, en is ook betrokken bij de opleiding van de zusters.

In 1901 sluit het Rotterdamse huis zich aan bij de Kaiserswerther Bund. En zo belandt dr. Riemens in juni 1903 in Haarlem op een conferentie van de Nederlandse huizen die bij de Kaiserswerther Bund zijn aangesloten. Tijdens de bijeenkomst wordt de wens geuit om een eigen liedbundel voor de diaconessen samen te stellen. De vergadering vraagt vervolgens dr. Riemens om die klus op zich te nemen. Deze gaat met deze "vereerende opdracht" aan de slag.

De klus is in november 1905 geklaard: de diaconessenliederenbundel "Liefde en Lof" is een feit. Dankbaar citeert Riemens een oud gedichtje: "Dit alleen door Godes kracht/ Eindelijk ten eind gebracht:/ Lof zij Hem, die mij den tijd/ Heeft vergund, en ook den vlijt." Hij spreekt in een ten geleide de wens uit dat de bundel "in ruimen kring een zegen moge brengen ter verheerlijking van Hem, wien wij zoo gaarne "liefde en lof" ten offer mengen."

Volkslied

In "Liefde en Lof" biedt Riemens 192 liederen aan, waarbij een aantal speciaal is gericht op de toerusting van diaconessen. Veel liederen hebben een Duitse herkomst, terwijl Riemens -opvallend in die tijd- twaalf vertalingen van Latijnse liederen maakt.

Tal van vertalingen maakt Riemens zelf. Een ervan is bekend geworden doordat het lied in latere bundels terechtkwam: "Dankt, dankt nu allen God". De eerste twee strofen zijn van de hand van Riemens. Later voegde J. E. Schröder een derde strofe toe.

Naast vertalingen maakt Riemens voor "Liefde en Lof" zelf een aantal liederen. Een ervan springt eruit: het adventslied "Het daget in den Oosten", geschreven op de melodie die Melchior Vulpius (ca. 1570-1615) componeerde bij het lied "Christus, der ist mein Leben".

Of Riemens voor dit lied gebruikmaakte van een bestaand versje, is onduidelijk. Feit is dat er meerdere middeleeuwse liedjes bestaan, wereldlijke en geestelijke, die beginnen met "Het daget in den Oosten". De oudste is vermoedelijk deze: "Het daget inden Oosten,/ Het lichtet oueral./ Hoe luttel weet mijn liefken/ Och, waer ich henen sal."

Hoe het ook zij, Riemens heeft een lied gemaakt dat volgens kenners de eenvoud heeft van een echt volkslied. "Het daget in den Oosten", dat al snel "Nu daagt het in het oosten" werd, is dan ook geliefd geworden. Waarbij van de oorspronkelijke zeven strofen de vijfde en zesde wegvielen. Zó kreeg het lied een plek in de hervormde zangbundel (1938) en later in het Liedboek voor de kerken (1973).

Licht en duister

In een adventspreek over Jesaja 60:20 in de bundel "In Memoriam" zegt dr. Riemens dat er in de schepping veel beelden zijn die iets zeggen over geestelijke zaken. "In het bijzonder spreekt ons van de eeuwige wereld die wondervolle wisseling van licht en duister, die altijd weêr onze opmerkzaamheid vraagt en ons zooveel te zeggen heeft voor het innerlijk leven. Bijzonder teergevoelig voor den indruk van die tegenstelling tusschen licht en duisternis en de daarmede samenhangende tegenstelling van leven en dood, vreugd en droefheid, zijn blijkbaar Israëls zangers en zieners geweest, en onder deze vóóraan de groote dichterprofeet Jesaja!"

Riemens citeert zijn eigen lied niet, maar dat had heel goed gekund. Want in die zeven keer vier regels heeft hij prachtig de adventsgedachte van Jesaja verwoord. Jesaja 9 ("Het volk, dat in duisternis wandelt") en 60 ("Maak u op, word verlicht") zijn zo aan te wijzen.

Daarmee heeft Riemens een eenvoudig doch krachtig lied nagelaten, dat nog altijd spreekt en aanspreekt.


Advent

1. Het daget in den Oosten,Het licht schijnt overal:Hij komt de volken troosten,Die eeuwig heerschen zal.

2. De duisternis gaat wijkenVan d' eeuwenlangen nacht;Een nieuwe dag gaat prijkenMet ongekende pracht.

3. Zij, die gebonden zatenIn schaduw van den dood,Naar 't scheen van God verlaten,Begroeten 't morgenrood.

4. De zonne, voor wier stralenHet nachtlijk duister zwicht,En die zal zegepralen,Is Christus, 't eeuwig Licht.

5. Gij Evangelieboden,Die roemt in Christus' kruis,Gij moet de volken noodenNaar 't hemelsch Vaderhuis.

6. Van uit die hooge woningDaalt alle licht en vreê:Hij-zelf, de groote Koning,Brengt 's hemels gaven meê.

7. Het daget in den Oosten,Het licht schijnt overal:Hij komt de volken troosten,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 2008

Reformatorisch Dagblad | 23 Pagina's

De man achter

Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 2008

Reformatorisch Dagblad | 23 Pagina's

PDF Bekijken