Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gelovige mislukkelingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gelovige mislukkelingen

5 minuten leestijd

De nieuwe serie Christelijke Klassieken opent met twee indrukwekkende romans van Graham Greene en Flannery O'Connor. Ze laten zien waarom rooms-katholicisme en literatuur meer van elkaar houden dan protestantisme en literatuur.

De vraag is vaker gesteld: hoe komt het dat er de afgelopen eeuw onder schrijvers van wereldliteratuur nauwelijks een orthodoxe protestant te vinden is, terwijl er volop rooms-katholieken zijn aan te wijzen? Neem J. R. R. Tolkien en W. H. Auden, Henryk Sienkiewicz, Eugenio Corti en Shusaku Endo. En natuurlijk de twee die nu in het Nederlands herdrukt zijn: Graham Greene en Flannery O'Connor.

Dat is geen toeval, en het zit 'm ook niet alleen in het feit dat veel rooms-katholieke schrijvers losser en opener in de cultuur staan dan protestanten. Het komt ten diepste door hun visie op de verhouding tussen natuur en genade. Dat blijkt overtuigend uit de twee romans "Het geschonden geweten" en "De geweldenaars", die dankzij uitgeverij Kok weer in de boekhandel liggen.

Graham Greene en Flannery O'Connor hebben veel gemeen, al is hun levensgeschiedenis zo verschillend als maar mogelijk is. Greene (1904-1991) was een kleurrijke figuur met licht manisch-depressieve neigingen, journalist, reiziger, geheim agent, die pas op volwassen leeftijd gelovig werd. O'Connor (1925-1964) daarentegen was haar leven lang rooms-katholiek en leidde een vrij teruggetrokken bestaan, terwijl ze al op 39-jarige leeftijd overleed.

Greenes boek gaat over een voortvluchtige priester tijdens het communistische bewind in Mexico. Hij is de laatst overgeblevene in zijn soort, hij trekt het land door op zoek naar schuilplaatsen, bang om doodgeschoten te worden, bang om weg te vluchten, bezwijkend voor de verleiding van de drank, vol schuldgevoelens, angst en eenzaamheid. Hij heeft een kind dat er niet zijn mag, hij leidt een verloren leven en is in het algemeen een zwakke mislukkeling. Op de laatste dag van zijn leven is hij vooral bezig met zijn angst voor de dood, hij beschouwt zichzelf als martelaar tegen wil en dank, die maar het best snel vergeten kan worden om andere gelovigen niet te hinderen en het martelaarschap niet van zijn lichtende glans te ontdoen.

Er is weinig verheffends aan zijn leven, en je begrijpt niet waarom hij niet gewoon naar het buitenland vlucht zoals zijn collega's, waarom hij zich laat tegenhouden door halfslachtige signalen waarvan het nog maar de vraag is of het signalen van God zijn, vage gebeurtenissen en gevoelens die hij zelf niet eens de naam van "roeping" durft te geven. Waar hij komt, doopt hij kinderen, neemt de biecht af en deelt hosties uit. Hij houdt vol, maar weet soms zelf niet eens meer waarom. Het leidt er uiteindelijk toe dat hij vrijwillig met zijn verrader meegaat om een stervende de laatste sacramenten te brengen - al weet hij dat hij daarmee zijn eigen dood tegemoet loopt.

De hoofdpersoon van Flannery O'Connors verhaal is al even weinig inspirerend en voorbeeldig. Hij is een verknipte jongen wiens ziel heen en weer getrokken wordt tussen de oudoom die hem opvoedt en de oom bij wie hij later terechtkomt. De eerste is een oudtestamentische figuur, een profeet die zich door God geroepen waant om zijn familie desnoods tegen wil en dank te dopen. De laatste is een atheïst die zijn best doet om alles wat de oudoom ooit gezegd heeft, te ontzenuwen als godsdienstwaanzin en indoctrinatie.

Tussen die twee polen staat de jongen, Tarwater. Zijn oudoom heeft hem een paar dwingende voorspellingen gedaan: hij zal hem opvolgen als profeet, en hij zal zijn onnozele neefje moeten dopen. Tarwater doet alles om die voorspellingen ongedaan te maken, hij spot en vloekt, hij stelt zelfs een daad die het absolute tegenovergestelde van de doop is: hij verdrinkt het kind dat hij dopen moet. Meer en meer luistert hij naar de stem van de duivel - om de stem van God maar niet te horen.

Het hele verhaal is diep symbolisch, bizar en grotesk, en je wordt er als lezer onbeschrijflijk treurig van. Maar aan het eind staat onverwacht en onverzettelijk een kruis in de grond, boven het graf van de profeet, en de jongen wandelt zijn voorspelde toekomst tegemoet, gedreven door een honger die op aarde niet te stillen valt.

De verhalen van Greene en O'Connor lijken aan de oppervlakte helemaal niet op elkaar, maar op het diepste niveau gaan ze allebei over de onvermijdelijke voorbestemdheid van de dingen, de roeping van de hoofdpersonen en de kracht van de sacramenten. Allebei schetsen ze een wereld die totaal verloren ligt, een wereld waarin zelfs de gelovigen zich door zwakheid, angst, eigenbelang en illusies laten leiden, en waarin alles altijd alleen maar verschrikkelijker wordt. Maar in die hele hopeloze toestand werkt de onstuitbare kracht van de genade op onnavolgbare manieren en terwijl wij er soms niets van zien.

Het geloof in die bijna magische werking van de sacramenten, waardoor de genade het stoffelijke binnengaat en stilaan, haast onmerkbaar, verandert, is misschien wel de diepste reden waarom rooms-katholieken makkelijker dan protestanten romans kunnen schrijven die aansluiten bij de harde realiteit. Ze hoeven niet allereerst te zorgen dat hun hoofdpersonen persoonlijk overtuigd en bekeerd worden of radicaal met de zonde afrekenen, ze hoeven slechts het geheim van de genade in de wereld voelbaar te maken. En dat schittert des te meer naarmate de achtergrond donkerder is.

Flannery O'Connor zag het hele bestaan als een territorium waar de duivel oppermachtig heerste. "Ze vond", schrijft Tjerk de Reus in zijn verhelderende nawoord bij de roman, "dat je als schrijver je ogen wijd moest openzetten voor het kwaad. Uit fatsoen dit kwaad verhullen of wegpoetsen is leugenachtig." Zodoende mogen de priesters en profeten van Greene en O'Connor het er bedroevend van afbrengen. Maar dwars door al die zonde en mislukking heen breekt tóch Gods liefde zich baan.


"Het geschonden geweten", Graham Greene, vert. H. W. J. Schaap; uitg. Kok, Utrecht, 2011; ISBN 978 90 435 1878 9; 272 blz.; ? 17,90. "De geweldenaars", Flannery O'Connor, vert. Else Hoog; uitg. Kok, Utrecht, 2011; ISBN 978 90 435 1858 1; 192 blz.; ? 15.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 mei 2011

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Gelovige mislukkelingen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 mei 2011

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken