Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Augustinus in de bres voor vrije genade

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Augustinus in de bres voor vrije genade

10 minuten leestijd

Genade is onverdiend, maar betekent dit een aanslag op de vrije wil? Kerkvader Augustinus verdedigde tegenover Pelagius en zijn volgelingen de leer van de onverdiende genade, echter zonder de menselijke wil geweld aan te doen.

Momenteel beleeft Pelagius een comeback en heeft de antipelagiaanse Augustinus het moeilijk. Daarom komt de uitgave van zijn antipelagiaanse geschriften op een goed moment.

De in 2011 overleden hervormde emeritus predikant ds. Izaäk Jacobus Wisse was jaren bezig met een vertaling van drie antipelagiaanse werken van Augustinus, te weten ”Over de straf voor en de vergeving van de zonden”, ”Over de menselijke natuur en de genade” en ”Over het geschenk van de volharding”. Zijn zoon Laban ontdekte de vertalingen na de dood van zijn vader in diens computer. Uitgeverij Klement zag er de waarde van in en vroeg de Vlaming Raf Debaene om een vierde werk uit Augustinius’ antipelagiaanse oeuvre, ”Over de voorbestemming van de heiligen”, te vertalen. Het resultaat is nu dat deze bijzondere werken voor het eerst in het Nederlands beschikbaar zijn.

Beide kanten

De fundamentele vraag in de vier werken is: heft de genade de menselijke vrijheid op? Als alles genade is, wat voor zin heeft het dan om te bidden en goede werken te doen, zo vroegen monniken in de buurt van Marseille aan Augustinus.

De kerkvader worstelde met de vraag hoe recht te doen aan beide aspecten: genade en wil, voorbestemming en verantwoordelijkheid. Zijn antwoorden zijn van belang om extremen te vermijden: enerzijds het standpunt dat het geloof volledig op het conto van de menselijke vrijheid zet, anderzijds de opvatting dat genade elke werkzaamheid en reactie van de kant van de mens uitsluit. Het gevolg in beide gevallen is dan dat genade óf een lot is dat iemand overkomt óf dat de mens de genade zelf verdient. Juist het onverdiende karakter van de genade bracht Augustinus steeds weer naar voren.

In dit opzicht maakte Augustinus in zijn leven een ontwikkeling door, waarbij het onverdiende en vrije karakter van de genade steeds meer centraal kwam te staan. Al schrijvend was hij tot dieper inzicht gekomen, merkte hij aan het eind van zijn leven op. De late antipelagiaanse Augustinus ligt over echter het algemeen niet goed in kringen van Augustinusonderzoekers. Zowel protestantse als rooms-katholieke onderzoekers laten deze werken het liefst rusten. De antipelagiaanse werken waren mede om die reden niet in het Nederlands beschikbaar.

Een onder Augustinusonderzoekers veel voorkomende mening is dat de kerkvader zich te veel heeft laten meeslepen door zijn afkeer van Pelagius en diens –vaak radicalere– volgelingen. Men vindt hem doorgaans ronduit pessimistisch over de menselijke natuur. En, wat ingrijpender is: hij zou met zijn opvatting van de erfzonde iets hebben geleerd wat haaks stond op de opvattingen van vroegere kerkvaders.

Pelagiaanse tegenstanders verweten Augustinus zelfs dat zijn manicheïsche verleden hem parten speelde. Het manicheïsme was een gnostieke wereldbeschouwing die het kwaad als een onafhankelijke macht beschouwde waarvoor de mens niet verantwoordelijk was. Een kwade scheppergod had de menselijke ziel in een slechte materiële wereld gestort van waaruit hij zich door inzicht (”gnosis” betekent kennis) moest bevrijden. Een belangrijk aspect van de bekering van Augustinus was dat hij de vrije wil ontdekte als oorzaak van het kwaad. Dat hij als intellectueel niet wilde buigen voor de eenvoud van de christelijke waarheid had alles te maken met het feit dat hij zijn eigen wil en leven niet wilde opgeven.

Zonde was een vrijwillige afwending van God en het goede; er was sprake van een vrije keus voor zonde en kwaad, ontdekte Augustinus in het proces van zijn bekering. Hij leerde duidelijk het bestaan van de vrije wil. Toen hij zich echter ging verdiepen in de brieven van Paulus en vernam van het optreden van Pelagius in Rome veranderde alles. Deze Britse monnik was ontstemd geraakt over de uitlating van Augustinus in zijn ”Belijdenissen”: „Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt.” Pelagius zag in die uitdrukking van Augustinus een ernstige aantasting van de zedelijke verantwoordelijkheid van de mens en van de mogelijkheid om door goede werken een deugdzaam leven te leiden.

Erfzonde

In de geschriften die nu vertaald zijn, bevestigt Augustinus nadrukkelijk de werkelijkheid van de erfzonde. De zonde ontstaat niet door navolging, zo zet hij tegenover Pelagius uiteen, maar door overerving. In Adam heeft de hele mensheid gezondigd. De dood is de straf op de zonde, niet een natuurlijk feit. Vanwege de werkelijkheid van de erfschuld is ook de kinderdoop noodzakelijk, zo betoogt hij verder, om de erfzonde af te wassen. Omdat Caelestius, een volgeling van Pelagius, de erfzonde loochende, ziet Augustinus bij hem ook een ondermijning van de kinderdoop.

Augustinus bestrijdt Pelagius’ opvatting dat het mogelijk is om als mens een zondeloos leven op aarde te leiden. Door de zondeval is de menselijke natuur volgens hem onderworpen aan „onwetendheid” en „zwakte.” De wil van de mens heeft geen hulp nodig wat het zondigen betreft, maar heeft wel hulp nodig om het goede te willen. Goddelijke bijstand is dus onmisbaar. Augustinus verwijt Pelagius dat bij hem wel de genade van de Schepper een (grote) rol speelt, maar dat de genade van de Verlosser, de ”geneesheer” Christus, nergens een wezenlijke betekenis heeft.

In ”Over de voorbestemming van de heiligen” keert Augustinus zich tegen de gedachte dat het begin van het geloof bij de mens zou liggen, terwijl God vervolgens de voortgang van het geloof garandeert. Beide, begin en voortgang, zijn immers geheel en al Gods gaven. Geloven en niet-geloven zijn geen zaak van de vrije wil, schrijft Augustinus, maar „om niet” (gratis) hebben de uitverkorenen ontvangen wat ze ontvingen. God verkiest mensen niet omdat Hij wist dát zij zouden geloven, maar ópdat zij zouden geloven.

Volharding

In ”Over het geschenk van de volharding” zet Augustinus uiteen dat door de gave der volharding de mens niet van de genade kan afvallen. Of de mens deze gave heeft bezeten, kan hij pas aan het eind van zijn leven weten. Het is zowel door Gods genade dat de mens tot God komt, als dat de mens niet van God wijkt, aldus Augustinus. De verkiezing mag volgens hem niet verzwegen worden in de prediking, want daarmee zou de pelagiaanse leer in de hand gewerkt worden als zou de genade geschonken worden op grond van eigen verdiensten. Wel moet de verkiezing met de nodige voorzichtigheid en wijsheid worden gepreekt, stelt Augustinus. Een bedrieglijk of onkundig arts kan een heilzaam geneesmiddel zo gebruiken dat het geen nut doet of zelfs schade veroorzaakt.

Tegen de opvatting dat God het begin van het geloof geeft en dat de gelovigen daarna met de genade samenwerken heeft Augustinus geen bezwaar. Integendeel, kenmerkend voor zijn theologie is dat het geloof door de liefde werkt, dat wil zeggen vruchtbaar wordt in een leven in liefde tot God en de naaste.

Augustinus is een hartstochtelijk verdediger van de kinderdoop. Hij is de mening toegedaan dat de doop de erfzonde afwast, een opvatting die later gangbaar wordt in de Rooms-Katholieke Kerk. Vandaar dat hij de doop heilsnoodzakelijk acht en meent dat ongedoopte kinderen verloren zouden gaan, zij het in een milde vorm van verdoemenis. Latere reformatorische opvattingen die de kinderdoop verankerden in Gods verbond zodat ouders van jonggestorven kinderen niet hoefden te wanhopen aan hun eeuwige behoudenis zijn Bijbelser.

Een heikel punt blijft Augustinus’ visie op de seksuele begeerte. Hij scheert rakelings langs de opvatting dat deze begeerte (”concupiscentia”) het middel is waardoor de erfzonde wordt overgedragen. Toch leert hij dit niet zodanig. Het huwelijk en de seksualiteit zijn niet verkeerd. Wel stelt Augustinus dat door de zonde juist de seksuele begeerte tot autonome macht is geworden die haaks staat op het leven in het paradijs.

Keerpunt

De inleiders Anthony Dupont en Mathijs Lamberigts, beiden verbonden aan de Katholieke Universiteit te Leuven, schreven een duidelijke inleiding over de controverse tussen Augustinus en Pelagius en diens volgelingen Caelestius en Julianus van Aeclanum. De controverse heeft verschillende fasen gekend die uiteindelijk eindigden met een definitieve veroordeling en verbanning van pelagiaanse bisschoppen. Dat de kwestie omstreden was, bleek wel uit het feit dat er ook bisschoppen van Rome en synodes waren die Pelagius de hand boven het hoofd hielden en zelfs vrijspraken van ketterijen.

De pelagiaanse controverse is een keerpunt in de westerse christelijke theologie, stellen de inleiders. Het was de eerste theologische controverse binnen de Latijnse kerk. De inleiders willen het pelagianisme niet als een gesloten systeem behandelen maar recht doen aan de werken van Pelagius, die „niet zo maar heterodox kunnen worden beschouwd.” Ze mogen volgens hen niet door de gekleurde bril van de kerkvader worden bekeken.

De inleiders stellen dat er de laatste tijd sprake is van een rehabilitatie van Pelagius. De aanklachten van Augustinus zijn volgens hen niet altijd even terecht geweest, bijvoorbeeld het verwijt dat Pelagius Christus reduceerde tot een louter uitwendig voorbeeld of de gedachte dat Pelagius gesteld zou hebben dat het mogelijk is om in dit leven al zondeloos en volmaakt te zijn. Ook Pelagius heeft verklaard niet zonder genade te kunnen.

Pelagius was volgens Dupont en Lamberigts vertegenwoordiger van een streng ascetisme dat focuste op heiligheid en daarom een appel deed op de menselijke verantwoordelijkheid. Hij trachtte theologie en moraal in evenwicht te brengen, zonder moralist te zijn of zich schuldig te maken aan de hoogmoedige arrogantie waarvan Augustinus hem beschuldigde. Pelagius legde de nadruk op een hoogstaand christelijk leven en op de menselijke verantwoordelijkheid, Augustinus op de verzoenende rol van God. „Beide benaderingen sluiten elkaar eigenlijk niet uit, maar vullen elkaar aan”, aldus de inleiders.

Daarin hebben ze gelijk. Er is nu terecht meer begrip voor de context waarin Pelagius werkte, namelijk van de volkskerk die in het constantijnse tijdperk vrijheid kreeg maar waarvan de leden vaak nog aan heidense gewoonten vasthielden. Geen wonder dat juist in deze situatie heiligheid en verantwoordelijkheid de aandacht vroegen. Er valt zelfs een parallel te trekken met alle heiligheidsbewegingen door de eeuwen heen, van piëtisme, puritanisme, Nadere Reformatie tot de heiligheidsbewegingen van de laatste eeuwen. Als er een kerk ontstaat waar de massa binnenstroomt en de leer ‘in orde’ is, is het tijd om het onderscheidende criterium in het leven en in de heiliging te zoeken. In die zin kent de kerkgeschiedenis altijd reactiebewegingen, en dat is maar goed ook wil de kerk niet in valse rust vervallen.

Liefde

Toch heeft Augustinus in de gaten gehad dat er bij Pelagius sprake was van een subtiel vertrouwen op eigen werkzaamheid waardoor het onverdiende karakter van de genade wel terdege op het spel stond. Ten diepste keerde de kerkvader zich tegen het optimistische karakter van het gedachtegoed van de pelagianen, dat feitelijk kenmerkender was voor een stoïcijnse moraal of Griekse deugdethiek dan voor een paulinisch mensbeeld.

Toch ging Augustinus nooit zo ver dat hij genade als een onpersoonlijke kracht opvatte die de mens als een marionet ziet en hem als het ware met geweld bij de nek grijpt. Wanneer mensen gered worden is dat niet het gevolg van een willekeurig besluit van een grillige God, maar, zo schrijft Augustinus, als een geheimzinnig en zoet trekken van een God Die vrede en rust geeft. Uiteindelijk is het liefde (Augustinus wordt behalve doctor van de genade ook doctor van de liefde genoemd) die de kern van het menselijk bestaan vormt. Wat de mens doet, is het gevolg van zijn liefde, en die kan aards of hemels gericht zijn. Zoals Augustinus het magistraal uitdrukte: heb lief en doe wat je wilt. Als dat geen vrijheid is!


Boekgegevens

Vier antipelagiaanse geschriften, Aurelius Augustinus (vertaald door Izak Wisse en Raf Debaene); uitg. Klement, Zoetermeer, 2014; ISBN 978 90 868 7125 4; 414 blz.; € 47,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 april 2014

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Augustinus in de bres voor vrije genade

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 april 2014

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken