Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bijbellezen met de Vroege Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bijbellezen met de Vroege Kerk

6 minuten leestijd

De Schrift dient zichzelf aan als het door Gods Geest geïnspireerde Woord van God. Hij ontleent zijn gezag aan zichzelf en ontvangt dat niet van instanties. Tegelijkertijd geldt dat christenen –als het goed is– de Schrift lezen in gemeenschap met de kerk der eeuwen. Zij kunnen leren van de manier waarop vorige generaties met de Bijbel omgingen, al moet ook dat aan de Schrift zelf worden getoetst.

Michael Graves, universitair hoofddocent Bijbelse studies aan Wheaton College (Illinois) in de Verenigde Staten, schreef een belangwekkende studie over de zienswijze op de inspiratie en de uitleg van de Schrift in de Vroege Kerk.

In meer dan één handboek valt te lezen dat bezinning op de Schriftleer pas plaats kón vinden –en plaatshad– nadat er in de vierde eeuw na Christus een kerkbrede consensus ontstond over de omvang van de canon van het Nieuwe Testament. De studie van Graves kan ons leren dat deze zienswijze geen recht doet aan de feiten. Als de christelijke kerk in de tweede eeuw na Christus de regel van haar geloof formuleert, dan komt die zakelijk overeen met de Apostolische Geloofsbelijdenis. Ze doet dat in de wetenschap dat ze hiermee recht doet aan niet alleen het profetische Woord (het Oude Testament), maar ook aan het apostolisch getuigenis zoals dat in geïnspireerde geschriften in haar midden was. Het feit dat nog niet volstrekt duidelijk was voor welke geschriften dit gold, betekent niet dat er enige twijfel was aan het feit dat een apostolisch geschrift per definitie een geïnspireerd geschrift was.

Graves laat zien dat de Vroege Kerk de gedachte van goddelijk geïnspireerde geschriften overnam van het jodendom van de tweede tempelperiode. Ze weet dat in de apostolische geschriften God door Zijn Geest tot haar spreekt. Of de kerk vroeg louter aandacht voor de goddelijke Auteur of sprak over de menselijke auteurs als secretarissen van de Heilige Geest. Explicieter dan Graves dat verwoordt, zou ik willen aangeven dat het daarbij dan niet om de ”modus” maar om het resultaat van de inspiratie gaat. De woorden van de Bijbelschrijvers zijn de woorden van de Heilige Geest, afgezien van de wijze waarop Hij hen in dienst nam.

Nuttig

Meer nog dan het woord „geïnspireerd” of „van God ingegeven” uit 2 Tim. 3:16 vinden we bij de kerkvaders het woord „nuttig” uit 2 Tim. 3:17. De Schrift is gegeven opdat wij God leren kennen en een godzalig leven leiden. Ik wijs er graag op dat de aandacht voor het „nuttige” karakter van de Schrift een van de kenmerken is geweest van het puritanisme. Of wij de Schrift verstaan, blijkt niet alleen uit de (theoretische) kennis die wij van zijn inhoud hebben, maar ook of wij het beeld dragen van Hem Die de hoofdinhoud van de Schrift is, namelijk Jezus Christus.

Vooral na de verlichting zijn het goddelijke karakter van de Schrift en het feit dat de Schrift middel is om God te leren kennen, vaak uit elkaar getrokken. Zij die afstand namen van de klassieke inspiratieleer, zeiden dat het alleen ging om het tweede. De Schrift zou geen bron van kennis zijn. Zij die na de verlichting de inspiratie verdedigden, hebben soms het tweede verwaarloosd. Hier zou Graves explicieter hebben kunnen aangeven dat we beide zijden van het getuigenis van de Vroege Kerk moeten vasthouden. Ook hij heeft de neiging alleen bij het tweede punt te blijven staan.

Geestelijke zaak

Voor heel de Vroege Kerk stond het buiten discussie dat Schriftuitleg een geestelijke zaak was. Behalve het woord geestelijk kan ook het woord allegorisch worden gebruikt. Daarbij is het gevaar groot dat wij latere connotaties in die woorden teruglezen. Vanaf het begin van de twintigste eeuw pleegt men onderscheid te maken tussen typologie en allegorie. In het eerste geval wordt bij het zoeken naar een geestelijke les wel recht gedaan aan de oorspronkelijke context en aan de heilshistorische verbanden en in het tweede geval niet. Echter, in de Vroege Kerk kunnen we ook voorbeelden vinden waarbij over allegorie wordt gesproken, terwijl de letterlijke zin helemaal geen rol speelt.

Het ging de kerkvaders erom Christus in de Schrift te ontdekken. In hun overtuiging dat Hij werkelijk in het Oude Testament aanwezig is en niet erin teruggeprojecteerd wordt, volgden zij de manier waarop er in het Nieuwe Testament met het Oude Testament werd omgegaan. Zo was de strijd van David met Goliath een strijd tussen Christus en de duivel, en daarnaast kunnen we van deze geschiedenis leren dat wij David in geloofstrouw moeten navolgen.

Voor een dergelijke Schriftverstaan is meer nodige dan filologische begaafdheid. Wij moeten vragen om de verlichting door de Heilige Geest. Met Graves zou ik hierbij de vinger willen leggen. Veel orthodoxe christenen zijn veel rationalistischer in hun omgang met en verstaan van de Schrift dan zij zelf door hebben. De Reformatie maakte wel een einde aan de uitwassen van allegorese, maar ze heeft nooit gebroken met de zienswijze dat uitleg van de Schrift een geestelijke zaak is die geestelijk inzicht vraagt.

De kerkvaders konden echter ook betekenis toekennen aan getallen en namen zonder dat daar grond voor was. Soms allegoriseerden zij de letterlijke betekenis van een tekst weg. Zo zag Origenes de Kanaänieten als een beeld voor de zonden –en daarom kon hij zonder moeite instemmen met het feit dat alle Kanaänieten gedood moesten worden– en verbond hij de naam Hebron in Jozua 10:23 aan het Hebreeuwse woord ”chabeer” en concludeerde daaruit dat het bondgenootschap tussen de ziel en de duivel moet worden beëindigd. Met deze toepassingen hoeven we geen moeite te hebben, maar hier zijn de kerkvaders niet voorbeeldig in hun uitleg.

Historiciteit

Graves gaat ook in op de vraag hoe de kerkvaders omgingen met de historiciteit van Bijbelse geschiedenissen. Wanneer Ambrosius de paradijsrivieren ziet als beelden van christelijke deugden, mag daaruit niet worden geconcludeerd dat hij het paradijs niet als een historische plaats ziet. Zijn geestelijke leerling Augustinus zegt in ”De Stad Gods” zowel het ene als het andere.

De kerkvaders zoeken bij historische discrepanties naar harmoniserende oplossingen. Soms kunnen zij een fout accepteren, maar evenals bij Calvijn gaat het dan om een overschrijffout. Dat laatste wordt bij Graves niet helemaal duidelijk. Ik val Graves bij als hij stelt dat de geloofsregel het kader is voor de rechte uitleg, maar zou expliciet aandacht willen vragen voor het feit dat de geloofsregel ook leesvrucht is van de apostolische geschriften.


Boekinfo

The Inspiration and Interpretation of Scripture. What the Early Church Can Teach Us, Michael Graves; uitg. Eerdmans, Grand Rapids, 2014; ISBN 978 0 8028 6963 0; 201 blz.; € 24,-.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2014

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Bijbellezen met de Vroege Kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juni 2014

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken