De klokken van de Koninginnekerk
Hoe herinneren lezers zich (kerkelijk) Rotterdam? Op deze en de volgende twee paginas een selectie uit de tientallen mails en –meer dan eens handgeschreven– brieven die bij de redactie binnenkwamen. Waarbij de meeste reacties, jammer genoeg, ook nog eens flink moesten worden ingekort.
Na mijn huwelijk huurde ik met mijn man een leuke souterrainwoning aan de Boezemkade, dicht bij de Veemarkt. Als we voor ons huis stonden, zagen we de mooie Koninginnekerk.
Op een nacht werden we wakker van het geblèr van schapen en geschreeuw van mensen. Daarna hoorden we het geluid van sirenes steeds dichterbij komen. Er was brand uitgebroken op de Veemarkt! Wat een consternatie. Iedereen liep door elkaar. Sommige vrouwen met dusters aan en krulspelden in het haar. Mannen met stofjassen aan en een stok in de hand om de dieren weg te houden bij de brand. De brandslangen lagen vlak bij onze deur om water uit de Boezem te halen. Dit alles heeft grote indruk op ons gemaakt.
Ook heel bijzonder was de geboorte van ons eerste kind op 13 maart 1971. Terwijl de prachtige klokken van de Koninginnekerk ’s nachts twaalf slagen lieten horen, zetten de eerste weeën in. Wij hoorden de klokken ieder half en heel uur slaan, totdat ’s morgens om 9.40 uur onze zoon werd geboren. Dát klokgelui zullen we nooit meer vergeten! Wij vonden het dan ook heel jammer dat de kerk na een jaar werd gesloopt.”
Trudy van Bellen-Boer
Als klein meisje ging ik dagelijks naar de Graaf Jan van Nassauschool. In die tijd werd de metro gebouwd. Diepe putten waar de pijlers kwamen te staan. Een spannende plek met water, hout en rommel om in te spelen. Toen de metro klaar was, mochten we er gratis in. Iedereen was zo trots alsof we hem zelf hadden gebouwd.
Op zondag bezochten we de kerk aan het Amelandseplein. Deze kerk had een hoge preekstoel waar een bad onder gebouwd was. Ik heb er wat keren in gezwommen (in gedachten tijdens de leesdiensten).” Dinie Verschoor-van Walsem
Ik ben opgegroeid in Rotterdam, aan de Kralingseweg. We gingen als gezin elke zaterdag naar de markt in het centrum. Dat was gezellig en wij voelden ons er veilig.
Inmiddels woon ik in Barneveld. Mijn dochter woont nu in Rotterdam-Zuid, maar voor geen prijs zou ik daar willen wonen. Er wonen zo veel buitenlanders. Het is er corrupt en onveilig. Ik heb pas nog gewinkeld in winkelcentrum Zuidplein, met een andere dochter en haar gezin. We merkten dat men ons bekeek alsof we niet goed wijs waren met zo veel kinderen. Wij als refo’s vallen daar op. Kerken van onze richting zijn er mondjesmaat. Voor opgroeiende kinderen is het een wereldse stad met de meest mogelijke verleidingen (hoewel die er ook in Barneveld zijn, en we daar wel voor bewaard moeten worden). Het is niet meer zoals vroeger. Ik ervaar niet meer die ‘gezellige stad’ van vijftig jaar geleden...”
Tineke Vis-van Buuren
Met mijn vader ging ik regelmatig langs de havens. Daar was altijd wat te zien of te beleven. Van hem heb ik de liefde voor de stad geërfd denk ik. Geef mij maar een rondje stad in plaats van bos of hei. Hij werkte op een scheepsfabriek en hem was ter ore gekomen dat er een schip lag vol met bananen die doorgedraaid moesten worden. Het mocht natuurlijk niet, maar toen het donker was... We laadden onze tassen vol. Gegeten dat we hebben.
We kerkten bij de gereformeerde gemeente aan het Mijnsherenplein. De eerste herinnering die ik daaraan heb zijn de doopdiensten. Ik heb lange tijd gedacht dat je in de kerk een baby kreeg. Want kinderen kreeg je van de Heere.
Een andere herinnering is de (echte!) bontjas van mijn moeder waar je zo heerlijk tegenaan kon schurken. Mijn vader had die van zijn overwerkgeld voor haar gekocht. Ze heeft hem nog, vijftig jaar na dato. Iedereen hield zijn of haar jas aan in de kerk, er waren ook geen kapstokken.
Mannen en vrouwen zaten gescheiden. Ik zat bij mijn moeder, m’n broers bij m’n vader. Totdat mijn vader ambtsdrager werd. Toen mochten we om beurten bij hem zitten. Voorwaar een heel privilege!”
Ria Kok-Metske, Hoogvliet
In 1953 stond ook in Rotterdam-Zuid het water hoog. De onderburen (die in een souterrain woonden) kwamen bij ons in de keuken op twee stoelen slapen. Als kind ben ik dat niet vergeten. Net zo min als die grote waterblazen die nadat het water was gezakt achterbleven onder de verf bij de trap.”
Marja Lagendijk-Kik
Ik ben in Rotterdam-Kralingen geboren, dat was toentertijd (voor de oorlog) nog een dorp in Rotterdam. Je kon er op straat tollen, touwtjespringen, ballen, hinken, en nog veel meer. Er waren weinig auto’s, meest paard-en-wagens en hondenkarren. Een paar maal per jaar kwam er een draaiorgel van het Leger des Heils door de straten en hoorde je psalmen en gezangen. In het najaar kwam er een visboer door de straat met Zeeuwse mosselen (ik hoor hem nog roepen).
Op de Oudedijk, die er nog steeds is, liep de reus van Rotterdam met een reclamebord op zijn rug. Een enkele keer mocht ik met mijn moeder naar het centrum: de Hoogstraat met winkels zoals Bervoets, Lap, Gerson en ook al de Bijenkorf. En met mijn vader naar de veemarkt, wat een belevenis was. Ik denk nog dikwijls terug aan de banketbakker in de Avenue Concordia, een elitestraat. Die verkocht alle overgebleven artikelen (koekjes, zoutjes, gebakjes). Drie zakjes koekkruimels voor 10 cent. De enkele keer dat we die mochten halen, was het thuis feest.”
Mevr. M. Alderliesten, Krimpen aan den IJssel
Mijn ouders behoorden tot de hervormde gemeente (Wilhelminakerk) en zijn daar ook getrouwd, ruim zestig jaar geleden. Zelf ben ik er gedoopt door ds. Terlouw. Wat ik me kan herinneren van de kerk is dat men er collecteerde met hengels. Dat waren lange stokken met aan het eind een zwart collectezakje. Voor de diakenen van die tijd een behendige bezigheid om niet met de kerkgangers uit het andere vak in aanraking te komen.”
L. P. van der Kuijl, Alblasserdam
Voor de Maastunnel met de vier roltrappen stond elke avond een rij arbeiders met hun fiets in een lange rij voor de tunnelingang. Twee agenten te paard zorgden dat niemand voorpiepte en de rij netjes bleef.”
Leo van Gelder, Hardinxveld-Giessendam
Als er iemand in de straat overleden was, bedekte iedereen z’n ramen met witte lakens. Als er een rouwstoet kwam, stond echt iedereen stil.
De melkboer kwam langs en moeder ging dan met de litermaat naar beneden. De ratel kondigde de vuilniswagen aan. De schillen- en de lorrenboer kwamen met een handkar. Aan de overkant waren de statiger huizen, waar wat rijkere mensen woonden die een koelkast hadden. Die werkte destijds nog niet op elektriciteit. Dan kwam er regelmatig een ijswagen die grote staven ijs bracht.
Iedere week zong een groep mensen van het Leger des Heils in de straat onder andere om geld op te halen. We deden dan geld in een papiertje dat we opvouwden en gooiden dat dan naar beneden. Zo deden we ook bij de orgelman die een paar keer per week in de straat kwam.
Ik zat op een christelijke turnvereniging (Kracht en Vlugheid). Bij wedstrijden (nooit op zondag) werd altijd aan het einde gezongen „’k Wil U, o God mij dank betalen, U prijzen in mijn avondlied.”
Toen ik in 1973 trouwde heb ik Rotterdam verlaten en ben in een dorp ten zuiden van Rotterdam gaan wonen. Pas veel later heb ik mij gerealiseerd dat wij op die manier ook meegeholpen hebben aan de kerkverlating in de stad.”
Judith Clarijs-Bijsterveldt
Indrukwekkend was de laatste dienst in de Koninginnekerk die ik als jongen van 15 jaar meemaakte. Niet voor te stellen dat deze kerk werd afgebroken die vaak vol zat inclusief de galerijen. Het prachtige orgel waarbij de samenzang zo bijzonder klonk. Vele tranen vloeiden in die laatste dienst.” Hans Peters, Bleiswijk
De mooiste kerk van Rotterdam was onze Koninginnekerk. Als de dienst om 10.00 uur begon, dan vertrokken wij al om 09.00 uur lopend vanuit de Teilingerstraat in onze zondagse jurken met petticoat en met Tana gewitte sandalen. Via de Noordsingel, de Noorderbrug, de Crooswijksesingel (met de Heineken bierfabriek) naar de Boezemsingel. Hier bevond zich ook de Kerstenkerk (gereformeerde gemeente). Heel veel kerkvolk liep de singels af. Een gedeelte naar de Kerstenkerk en een gedeelte naar de Koninginnekerk. In het stille Rotterdam onder het machtig gebeier van de luidklok van de Koninginnekerk, met op de rand van de klok de boodschap ”Jezus roept u, hoort Zijn stem!”
Op 13 januari 1972 begon tot veler verdriet de sloop. Er was nog een kijkdag voor het publiek. Toen heb ik nog vijf prachtige houten orgelpijpen weten te redden van de sloop, alsmede twee kleine teakhouten mooi gestoken panelen van de linker- en rechterzijde van de preekstoel.”
Janny Brand, Ouddorp
Babel en Jeruzalem vechten om de voorrang
„Predikant te mogen zijn in de wereldhavenstad Rotterdam is een bijzonder voorrecht met een grote verantwoordelijkheid. De stad heeft wat. Alle ingrediënten van het mondiale leven zijn in hem terug te vinden. De stad Rotterdam is de wereld in het klein en tegelijk in het groot. Hoogstaande culturen en verderfelijke subculturen vechten om de voorrang. Babel en Jeruzalem schuiven door elkaar heen en betwisten elkaar het alleenrecht op de stad.
In de stad is men nooit alleen en tegelijkertijd kan men nergens zo eenzaam en alleen zijn. Als predikant deel je in een wijd en zijd verspreid netwerk van gemeenteleden en ambtsdragers tot buiten de grenzen van de stad. Anderzijds was een grote mate van privacy mijn deel. De gemeenschap met elkaar is in de stad van levensbelang en tegelijk is er minder hinderlijke sociale controle. Als predikant was ik in Rotterdam in mijn element.”
Dr. C. A. van der Sluijs, Veenendaal
„Kom dan, kom dan”
„De vijftiger en zestiger jaren. Zondag. Wakker worden in een heel stil Kralingen. Als kind vond ik die bijzondere rust al heerlijk. Opeens kon je ook het groen ruiken in de mooie, oude lanen. En dan begonnen de klokken van de Hoflaankerk en de Sint Lambertus. De Lambertus klonk vrolijk, twee klokken door elkaar, de Hoflaankerk zong plechtig: „Kom... dan, kom... dan.” Thuis ‘geloofden’ wij niet, maar ik mocht met een vriendinnetje mee naar de Hervormde Zondagschool aan de Vredehofweg. Prachtige en spannende verhalen, een plaatje, dat in een klein mapje ging, voor iedere keer dat je kwam, tekenen en zingen.
God heeft het Kerstfeest van de zondagschool, waar ik als jongvolwassene heimwee naar kreeg, de stilte van de zondag en de klokken gebruikt om mij naar de kerk te roepen. En, door Zijn genade, ben ik gekomen.”
Vera Houtzager, Rotterdam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 2014
Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 2014
Reformatorisch Dagblad | 48 Pagina's