Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zondaar ontvangt recht om te komen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zondaar ontvangt recht om te komen

5 minuten leestijd

Mag ik tot Christus komen? Hoe weet ik dat zeker? Wat als ik er geen kracht toe ervaar? Over aard en karakter van het geloof kunnen indringende vragen leven. Theodorus Avinck wordt niet moe er in zijn ”oefeningen” antwoord op te geven. „Het moet Jezus zijn, en Jezus geheel en al.”

De preken van Theodorus Avinck (1740-1779), ouderling in Utrecht, spreken. Het komt natuurlijk door de inhoud, maar ook door de pastorale toonzetting: zijn oefeningen zijn eenvoudig, gunnend en liefdevol. Onmiskenbaar dragen ze het stempel van Wet en Evangelie. Al in de tijd dat hij ze hield, waren ze volgens vrienden velen tot „bijzondere zegen.” Hopelijk geldt dat ook voor de bundel waarin zijn verhandelingen nu opnieuw, hertaald en wel, zijn uitgegeven onder de titel ”Wendt u tot Mij”.

Avinck was 28 jaar toen hij in De Bilt ouderling werd. Zijn zus Johanna, wier brieven tot op de dag van vandaag worden gelezen, woonde er ook. Later verhuisde hij naar Utrecht. Welk beroep hij er uitoefende, is onbekend.

Al in de tijd dat hij in De Bilt verbleef, begon Avinck met het houden van ”oefeningen”. Wie zijn preken leest, merkt hoezeer Avinck zich heeft laten vormen door de Marrowmen, een groep Schotse predikanten die zich schaarden achter het ”Merg van het Evangelie” van Edward Fisher. Geregeld verwijst Avinck naar de broers Ralph en Ebnezer Erskine.

Hindernis

De preken van Avinck ademen eenzelfde geest als die van de Erskines. De jonge ouderling kent een diep verlangen om zondaren tot Christus te leiden. Tegelijk weet hij welke hindernissen zich op de weg naar de Zaligmaker kunnen voordoen. Het is hem er alles aan gelegen die op te ruimen.

De grootste hindernis ligt volgens Avinck niet buiten maar in ons hart. Wie denkt dat hij voorstander van genade is, heeft het grondig mis. Voortdurend lopen wij onszelf voor de voeten. Wij zijn voor genade niet te slecht maar te goed.

In twee preken gaat Avinck daarom in op de noodzaak van overtuiging van zonden. Helder geeft hij weer hoe de Heilige Geest in Zijn „gewone weg” de wet gebruikt om zondaren alles te ontnemen. „Alleen als we werkelijk leren zien dat we schuldig, zondig en onmachtig zijn, zullen we uitgedreven worden om tot Hem bij Wie hulp is besteld, de toevlucht te nemen.”

Roeping

Op bijzondere wijze schildert Avinck de Persoon en het werk van Christus. Met nadruk stelt hij dat zondaren recht ontvangen om tot Christus te komen. Dat recht ligt niet in henzelf, maar enkel en alleen in de roeping van de Zaligmaker aan de hoorders van het Evangelie. Op dit punt luistert het nauw, weet Avinck. Niet de bijzondere roeping geeft grond om vrijmoedig tot Christus te gaan, maar de algemene. Wij mogen tot de Zaligmaker komen zodra de roeping in onze oren klinkt, en niet pas als wij waarnemen dat er kracht van uitgaat in ons hart.

In een preek over Jesaja 45:22 zegt Avinck: „Zijn er onder u wie het om zalig worden te doen is? Hoor de ontfermende Jezus nodigen om u tot Hem te wenden. U hebt volkomen recht en vrijheid om te komen. U wordt zelfs door Gods gezag verplicht te komen. Hier gelden geen bezwaren van het ongeloof, zoals: „Ik heb te lang gezondigd.” Jezus roept nog, en zolang dat roepen duurt, is het voor niemand te laat.”

Tegelijk is Avinck zich er terdege van bewust dat zondaren in zichzelf geen kracht hebben om tot Christus te komen. Dat steekt hij ook bepaald niet onder stoelen of banken. Wij zijn dood door de zonden, en daarom onmachtig om te geloven. „Een krachtige, inwendige roeping is noodzakelijk”, beklemtoont hij.

Hoezeer Avinck met pastoraal inzicht is bedeeld, blijkt ook nu. Onmacht is geen lot, zegt hij, maar „dodelijke schuld.” Hij zegt het recht op de man af. Hij stelt zijn hoorders schuldig. Al wie die schuld aanvaardt en eronder buigt, geeft hij vervolgens niet het advies zo goed mogelijk de hand aan de ploeg te slaan. Hij roept hen juist op in geloof op Christus te zien. „Sla uw gebroken oog dan op Hem, Die in de koperen slang wordt uitgebeeld.”

Heilige Geest

Hoe kan Avinck dit doen? Gaat hij toch niet uit van een of ander vermogen in de ziel van zijn hoorders? Geenszins. Avinck verwacht niets van zijn hoorders. Zijn hoop is gevestigd op de Heilige Geest. De Heilige Geest wil, naar zijn diepste overtuiging, de oproep tot geloof gebruiken om het geloof in harten van zondaren in te roepen.

Kostbaar, dit juweel van Avinck. Neerlandicus C. Bregman tekende voor een zorgvuldige hertaling van dit werk. Gezegend is die gemeente die wordt gediend door ouderlingen die hun werk in eenzelfde geest mogen verrichten.


Boekgegevens

Wendt u naar Mij toe. Praktikale verhandelingen, Theodorus Avinck; uitg. Den Hertog; 518 blz.; € 44,50

 

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 2020

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

Zondaar ontvangt recht om te komen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 2020

Reformatorisch Dagblad | 18 Pagina's

PDF Bekijken