Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verslag van de derde kontaktbijeenkomst voor pedagogen en psychologen uit reformatorische kring,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verslag van de derde kontaktbijeenkomst voor pedagogen en psychologen uit reformatorische kring,

nieuws

13 minuten leestijd

gehouden op zaterdag 2 juni 1984 In het gebouw van "De Driestar" te Gouda

De bijeenkomst wordt bijgewoond door 35 personen.

Opening

De bijeenl< omst wordt om ± 10.30 uur geopend door de voorzitter van de V.G.S., ds. M. Golverdingen, met liet laten zingen van Ps. 33 : 1. Vervolgens leest hij 1 Korinthe 10 : 23-33 en gaat voor in gebed.

Hij roept alle aanwezigen, met name de beide inleldsters, een hartelijk welkom toe op deze derde bezinningsdag. Hij merkt op dat de onderwerpen die deze dag behandeld zullen worden nu eens niet van een zuiver onderwijskundige aard zijn, doch wat meer gericht zijn op andere sectoren van de pedagogiek. Hierna spreekt hij een kort openingswoord naar aanleiding van het gelezen Schriftgedeelte, in het bijzonder het 31 e vers: "Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods."

Ds. Golverdingen merkt op dat in de Korinthebrlef veel vragen worden behandeld m.b.t. de dagelijkse omgang van de christenen met elkaar, zulks naar aanleiding van het verkeren van de gemeente in een heidense omgeving. Aangezien bij de heidense offers in de Griekse wereld slechts een klein gedeelte van het offerdier op het altaar werd geofferd, werd in Korinthe veel afgodenoffervlees verkocht. De richtlijnen die Paulus in de Korinthenbrief geeft met betrekking tot het eten van afgodenoffer strekken ertoe dat, wanneer men weet dat het vlees van afgodenoffer afkomstig is, men dit dan niet moet eten, terwille van de consciëntie van de zwakke broeders. Vervolgens wijst Paulus er dan in vers 31 op dat geheel ons leven ter eer van God moet zijn, dus ook ons eten en drinken.

In het denken over de opvoeding heeft dit doel - Gods eer - ons voorgeslacht altijd voor ogen gestaan, aldus ds. Golverdingen. Zo stelt het huwelijksformulier m.b.t. de opvoeding der kinderen dat de ouders "de kinderen die zij krijgen zullen, in de waarachtige kennis en vreze Gods, Hem tot eer en tot hun zaligheid" moeten opvoeden.

Deze opvatting vinden we ook bij Joannes de Swaef (1595-1653) die stelde dat "de christelijke opvoeding der kinderen een opvoeding is der kinderen uit het geloof, strekkend tot Gods eer, het gemenebest der Republiek, en de gemeente des Heeren Christi, en tot der kinderen heil". Dezelfde gedachte zien we bij Koelman en ook bij Bavinck en Waterink, zij het ook dat het neocalvinisme van de beide laatste pedagogen geleid heeft tot een opvoedingspraktijk die op enkele belangrijke punten ten onrechte afwijkt van die van de Nadere Reformatie. Waterink formuleert het opvoedingsdoel als volgt: "De vorming van de mens tot zelfstandige. God naarZijn Woord dienende persoonlijkheid, geschikt en bereid al de gaven, die hij van God ontving, te besteden tot Gods eer en tot heil van het schepsel, in alle levensverbanden, waarin God hem

plaatst". Dit opvoedingsdoel stelt ons van het begin tot het eind schuldig, aldus ds.Golverdingen. Zonder wederbarende genade en de bediening van de Heilige Geest bedoelen we nooit Gods eer; dan hebben we slechts eigen eer op het oog. Tenslotte spreekt hij de hoop uit dat allen de genade zullen mogen begeren om Gods eer te mogen bedoelen. "Het zijn de beste ogenblikken in het leven van een christen, wanneer hij werkelijk Gods eer op het oog mag hebben, " aldus besluit ds. Golverdingen zijn openingswoord.

Na de koffiepauze krijgt mevrouw Van Dijke-Reijnhoüdt te Amersfoort het woord voor het houden van haar inleiding over: "Gezinsbegeleiding, principieel en praktisch".

Na enige informatie te hebben gegeven over de Vereniging Gehandicaptenzorg van de Gereformeerde Gemeenten en over haar werk als ortho-pedagoge binnen die vereniging, gaat ze in op de gezinsbegeleiding als vorm van hulpverlening aan gezinnen die een gehandicapt kind thuis hebben.

Gezinsbegeleiding is een nieuwe wijze van helpen ten behoeve van gezinnen met een gehandicapt kind.

Voor de groep verstandelijk gehandicapten ligt het beginpunt in Noordwijkerhout, waar in 1977 onder auspiciën van de Ouderverenigingen, de organisaties voor Soc. Ped. Zorg, het Nederlands Genootschap ter bestudering van Zwakzinnigheid, het Nationaal Orgaan Zwakzinnigenzorg, en het Bisschop Bekkers Instituut een konferentie werd georganiseerd. Voor de lichamelijk en zintuiglijk gehandicapten ligt dit moment in 1978 toen door de Tweede Kamer Motie 19 werd aangenomen, waarin werd gevraagd een onderzoek in te stellen naar de financiële en sociale ongelijkheid van gezinnen meteen gehandicapt kind thuis en gezinnen die hun kind uit huis geplaatst hebben.

Inleidster benadrukt dat de ouders de eerstverantwoordelijken zijn voor hun gezin en kinderen. Dit wordt vrij algemeen aanvaard in onze maatschappij. Ook blijkt dat de meeste ouders hun kind, al of niet gehandicapt, thuis willen opvoeden. Vanuit die gedachten is het concept Gezinsbegeleiding ontstaan. Voor ons hebben deze uitgangspunten nog een diepere grond: huwelijk en gezin zijn door God ingesteld.

Ouders van gehandicapte kinderen worden met veel problemen geconfronteerd die andere ouders niet kennen en vaak ook niet begrijpen. Natuurlijke raadgevers ontbreken dan ook veelal. Gezinsbegeleiding beoogt door het uitoefenen van verschillende funkties een antwoord op de vragen van ouders te geven. Onder begeleiding wordt verstaan: "een samen op weg gaan van beide'partijen' (hulpvrager en helper) in een gedeelde verantwoordelijkheid voor het begeleidingsproces". De hulpvragen kunnen toegespitst zijn op:

-het emotionele; -de kennis; -de handeling.

De volgende vragen worden door ouders het meest gesteld, aldus mevrouw Van Dijke:

1. Geef ons informatie over alle mogelijke aspekten die samenhangen met de handicap.

2. Breng ons in contact met andere ouders die soortgelijke ervaringen hebben.

3. Geef ons ondersteuning bij de opvoeding en ontwikkeling van ons gehan-

dicapte kind (behandeling, instrul< tie).

4. Geef ons tijdelijl< opvoedkundige deskundige hulp in de thuissituatie, wanneer de opvoeding van ons gehandicapte l< ind in een impasse is geraal< t (PPG).

5. Geef ons tijdelijl< praktische hulp, zodat w/e als gezin op 'normale' wijze kunnen samenleven (bijv. oppashulp, huish. hulp).

De inleidster gaat hierna met name in op de 4e vraag.

Praktisch Pedagogische Gezinsbegeleiding (PPG) is een gespecialiseerde vorm van hulpverlening. Er wordt tijdelijke, intensieve en afgebakende opvoedkundige hulp geboden in de thuissituatie. Pedagogisch medewerk(st)ers bezoeken de gezinnen meestal 1 keer per week gedurende 1 '/2 ^ 2 uur.

Ouders van gehandicapte kinderen worden indringender dan andere ouders geconfronteerd met het opvoedingsdoel en de weg waarlangs dit doel wordt bereikt. Met name wanneer verstandelijk gehandicapten op een zeer laag niveau funktioneren wordt de vraag naar de opvoedbaarheid gesteld. Ten diepste ligt de grond van de opvoedbaarheid in Gods gebod, aldus mevrouw Van Dijke. Als Hij ons vraagt onze kinderen op te voeden in Zijn vreze, dan stelt Hij Zichzelf voor de opvoedbaarheid garant (Van Hulst).

Het opvoedingsdoel is, ook voor verstandelijk gehandicapten: "De vorming van de mens tot zelfstandige, God naar Zijn Woord dienende persoonlijkheid, geschikt en bereid al de gaven die hij van God ontving te besteden tot Gods eer en tot heil van het schepsel in alle levensverbanden, waarin God hem plaatst" (Waterink).

Dat wil niet zeggen dat we moeten doen alsof het kind niet gehandicapt is, maar wel dat we ook het gehandicapte kind moeten opvoeden als persoon, tot persoon. De opvoeder is immers gebonden aan, afhankelijk van, en bepaald door het kind dat ter verzorging aan hem werd toevertrouwd (Bavinck).

De opvoeder moet het kind dus aanvaarden zoals het is. Juist de aanvaarding van het gehandicapte kind en daaropvolgend de aanvaarding van het ouderschap van dit kind is één van de kernproblemen in de begeleiding. Inleidster wijst erop dat, wil de persoon van het kind tot volle ontplooiing komen het dan nodig is dat de ouders:

- in het gezin een basis bieden waarop het kind zich veilig en geborgen voelt;

- het kind ruimte geven;

- het kind leiden: struktuur bieden, aan de groei van het kind appelleren zodat het kind bezig kan zijn met een bepaald doel voor ogen.

Deze grondvoorwaarden in de opvoeding bieden ook het kader voor de opvoedkundige hulp die pedagogisch medewerk(st)ers in gezinnen met een gehandicapt kind bieden.

Problemen die ouders hebben met de opvoeding van hun gehandicapte kind kunnen verschillende oorzaken hebben. Emotionele problemen (bijv. aanpassingsproblemen) kunnen de gewone omgang met en opvoeding van het kind in de weg staan. Maatschappelijk werk of onderlinge ouderhulp kan hierbij zinvol zijn.

Door gebrek aan kennis over de ontwikkeling van het gehandicapte kind kunnen ouders onzeker zijn over de wijze waarop zij met hun kind moeten omgaan. Als hulpvorm kan hierbij aan PPG worden gedacht. Ook komt het voor dat ouders zo in beslag genomen worden door bijkomende praktische problemen die de handicap van hun kind met zich meebrengt: doktersbezoeken, extra huishoudelijke taken e.d., dat zij niet meer in staat zijn hun kind die aandacht te geven die het nodig heeft, omdat de ouders daarvoor energie

tekort komen: praktische thuishulp is hier gewenst. In de meeste gevallen spelen meerdere faktoren een rol. Dan ontstaat een problematische opvoedingssituatie. PPG is hiervoor een geëigende hulpvorm.

Mevrouw Van Dijke stelt dat PPG een hulpvorm is waarbij planmatig gewerkt wordt: Na een kennismakingsperiode wordt een werkplan gemaakt. Aan de hand daarvan wordt tijdens de veranderingsperiode gewerkt. Wanneer de gestelde doelen zijn bereikt, wordt aan een afbouwperiode begonnen, waarna aan de hand van een eindverslag de hulp wordt geëvalueerd.

Ook tijdens de bezoeken van de pedagogisch medewerk(st)er aan het gezin wordt methodisch gewerkt. Tijdens ieder bezoek wordt een duidelijk doel gesteld en de wijze waarop geprobeerd wordt dit te bereiken wordt met de ouders besproken. De inbreng van de ouders is van wezenlijk belang; het gaat immers om de opvoeding van hun kinderen. Inleidster genadrukt dat het, om op deze wijze te kunnen werken, nodig is dat de pedagogisch medewerk- (st)er een vertrouwensrelatie weet op te bouwen en te onderhouden en dat hij/zij goede gespreks- en omgangsvaardigheden kan hanteren.

Voor deze intensieve hulpverleningsvorm is begeleiding door een orthopedagoog onmisbaar. De werkbegeleiding is voornamelijk taakgericht, maar ook persoonsgerichte elementen komen aan de orde. De keus voor een begeleidingsmethode wordt o.a. bepaald door de komplexlteit van de hulpvraag en de ervaring van de pedagogisch medewerk(st)er.

Bij PPG wordt in teamverband samengewerkt met maatschappelijk werkenden.

Mevrouw Van Dijke beëindigt haar inleiding met de stelling dat een nadere bezinning op de te hanteren begeleidingsmethoden dringend gewenst is.

Nadat ds. Golverdingen mevrouw Van Dijke hartelijk heeft dankgezegd voor haar boeiende en heldere inleiding wordt er kort gepauzeerd.

Na de pauze krijgt mevrouw drs. M. van Kranenburg te Nunspeet gelegenheid voor het Inleiden van het onderwerp "Principiële en praktische hulpverleningsvragen vanuit de pedagogiek". Drs. Van Kranenburg wijst er in de eerste plaats op dat wanneer men als pedagoge werkzaam is in een residentiële hulpverleningsinstelling, dat vragen oproept ten aanzien van de relatie tussen de eigen christelijke identiteit en het pedagogisch handelen.

Dagelijks worden zowel de mogelijkheden als de beperkingen ervaren die er zijn om de eigen opvoedkundige ideeën met levensbeschouwelijke aspecten in de praktijk gestalte te geven.

Waarschijnlijk ervaart iedere pedagoog, met welke identiteit dan ook, dat zijn werkruimte beperkt is, aldus inleidster. Vervolgens geeft zij enkele grenzen aan van het werk van de pedagoog in een residentiële voorziening. Ten eerste stelt zij de vraag aan de orde, waarin de grenzen van het pedagogisch handelen, zowel praktisch als principieel, hun oorsprong vinden.

In de tweede plaats geeft zij enkele grenzen en de daaruit voortvloeiende consequenties aan voor het funktioneren van de pedagoog.

ad I De beperkte werkruimte vloeit volgens inleidster voort uit:

1. de levensovertuiging, de doelstelling en de organisatie van de instelling waarbinnen gewerkt wordt;

2. de organisatie, de werkwijze en de doelstelling van een behandelingsinternaat in het algemeen;

3. de persoonlijke visie van de pedagoog op hulpverlening en begeleiding.

ad II Enkele grenzen en de daaruit voortvloeiende consequenties:

1. In een behandelingsinternaat is een pedagoog een staffunktionaris die adviezen geeft aan een groepsleiding ten aanzien van de gewenste hulpverlening aan jongeren.

De groepsleider is geen uitvoerder van instrul< ties van de pedagoog. De consequentie daarvan is dat de pedagoog planmatig adviezen kan geven ten aanzien van de begeleiding van de jongeren, maar deze adviezen dragen slechts in beperkte mate bij aan het bereiken van het doel. De groepsleider, die vanuit zijn totale mens-zijn met de jongere werkt, heeft de meeste invloed.

2. De specifieke werksituatie: mevr. Van Kranenburg wijst erop dat de instelling waarbinnen zij werkt een algemeen christelijk karakter heeft. Deze instelling is één van de twee landelijke eindstations voor zeer moeilijk opvoedbare zwakbegaafde en debiele jongeren.

Ook dat heeft consequenties: a)de pedagoog met een reformatorische identiteit moet dan zijn levensbeschouwelijke opvattingen in de instelling kenbaar maken; tevens wordt verwacht dat hij in samenwerking met de ander evenveel respect voor diens identiteit heeft, zolang die ander zich nog beroept op de Bijbel.

b) De jongeren die komen, "kiezen" voor de instelling met de rug tegen de muur. Er is geen alternatief. De reformatorische pedagoog heeft dus te maken met jongeren die een heel ander normen- en waardenpatroon hebben dan hijzelf.

3. De persoonlijke visie op het hulpverlenen:

a) De indivuele hulpverlening aan om het werk zo getrouw mogelijk te doen, dus: goede kwaliteit leveren.

b) De christen-pedagoog moet zich waardenstelsel dient de pedagoog met een reformatorische identiteit pedagogische adviezen te geven in het belang van de jongeren. De consequenties hiervan zijn volgens inleidster:

a).De individuele hulpverlening aan jongeren vraagt steeds weer om een keuze: welke leefregel kan en mag de pedagoog de jongeren - gezien in het licht van de Bijbel - opleggen?

b).De christen-pedagoog moet zich steeds afvragen: wat is nog hulpverlenend en waar begint evangeliserend handelen?

Ds. Golverdingen zegt ook mevrouw Van Kranenburg hartelijk dank voor haar duidelijke en persoonlijk gerichte inleiding en sluit vervolgens de morgenvergadering met gebed waarin hij tevens een zegen vraagt over de te gebruiken maaltijd.

Na het nuttigen van de maaltijd eindigt de heer Teerds met dankgebed en vraagt tevens een zegen voor de middagbijeenkomst. Vervolgens leest hij Psalm 141. Hierna worden discussiegroepen gevormd waarin enkele van de uitgereikte discussievragen worden besproken. Na de koffiepauze worden de in de discussiegroepen aan de orde gestelde vragen plenair besproken.

Kortheidshalve zijn slechts enkele elementen uit de discussie weergegeven. Naar aanleiding van de vraag of de stelling juist is dat alleen christenen tot volledige aanvaarding van een gehandicapt kind en het ouderschap daarvan kunnen komen, luidt de conclusie van de plenaire bespreking dat de werkelijke volle aanvaarding alleen een vrucht kan zijn van persoonlijke bijzondere genade.

Met betrekking tot de vraag naar de aandachtspunten bij het geven van pedagogische adviezen, worden naast de Bijbelse norm, het belang van het kind en de pedagogische theorieën onder meer genoemd het belang van de groep, van de ouders, van de instelling en van de samenleving en het doel van de instelling. Het zwaarste gewicht dient bij de Bijbelse norm te blijven berusten.

Naar aanleiding van de vraag waar voor pedagogen en psychologen van reformatorische richting in hun funktie de grenzen liggen waarbinnen nog verantwoord gewerkt kan worden, wordt erop gewezen dat men zich zal moeten terugtrekken wanneer het spanningsveld tussen de opdracht om zijn werk te verrichten enerzijds, en zijn levensbeschouwing anderzijds te groot wordt. Wanneer die grens bereikt is, zal veelal afhangen van de ruimte die je krijgt. Gewezen wordt in dit verband op het voorbeeld van Daniël.

Na afronding van de plenaire discussie zegt ds. Golverdingen beide inleidsters nogmaals hartelijk dank voor hun medewerking aan deze bezinningsdag. Hij merkt op in beide inleidingen een sterke persoonlijke betrokkenheid van de inleidsters bij hun onderwerp beluisterd te hebben. Tenslotte besluit ds. Golverdingen de bijeenkomst met dankgebed.

Mr. P. Hugense.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Reformatorische School

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1984

De Reformatorische School | 68 Pagina's

Verslag van de derde kontaktbijeenkomst voor pedagogen en psychologen uit reformatorische kring,

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1984

De Reformatorische School | 68 Pagina's

PDF Bekijken