Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Jhr. A.F. de Savornin Lohman (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Jhr. A.F. de Savornin Lohman (I)

Bezinning-Achtergrond

12 minuten leestijd

Inleiding

Abraham Kuyper en Alexander Frederik de Savornin Lohman (1837- 1924) werden in hetzelfde jaar geboren. Het jaar 1987 was dus niet alleen een Kuyper-jaar; toch hoorde men vorig jaar de naam van De Savornin Lohman veel minder vaak vallen dan die van zijn illustere tijdgenoot.

Nu kan het geen schande genoemd worden wanneer men qua importantie in de schaduw van Abraham Kuyper moet verkeren. Het is echter de vraag of de betekenis van De Savornin Lohman niet te laag Ingeschat wordt. Lohman heeft immers een arbeidzaam leven gehad; mede onder zijn leiding kwam de Christelijk Historische Unie tot stand en hij leverde zijn aandeel in de strijd voor een school met de Bijbel. Daarnaast kan gesteld worden, dat Abraham Kuyper in zijn "jonge jaren" in veel opzichten op Lohman heeft gesteund. In dit artikel

vragen we aandacht voor Lohmans leven en zijn werk in het algemeen. In een tweede bijdrage willen we letten op zijn werk met betrekking tot de schoolstrijd. We proberen dan ook aanzetten te geven tot een principiële waardering van Lohmans werk en visie.

Opvoeding en opleiding

Jonkheer Alexander Frederik de Savornin Lohman werd op 29 mei 1837 in Groningen geboren. Het feit, dat Lohman de titel jonkheer droeg, kan aanleiding geven te denken dat Lohmans jeugd in bepaalde opzichten zorgeloos was. Maar zorgeloos was zijn jeugd allerminst; op elfjarige leeftijd stond hij aan het graf van zijn vader. Moeder bleef achter met tien kinderen in de leeftijd van nul tot zestien. Begrijpelijk, dat Van Malsen schrijft, dat "toen reeds van zijn jeugd (...) de room (was) afgeschept." Negen jaren later was Lohman ook zijn moeder kwijt. Hij sprak nadien veel over haar; "Mijne moeder heeft tien kinderen groot gebracht. (...) Daar heb ik meer eerbied voor dan voor het werk van de grootste feministe", heeft hij ooit gezegd.

De Lohmannen waren vertrouwd met de gereformeerde godsdienst, want hoewel de Afgescheidenen het met name in Groningen niet gemakkelijk hadden, gingen zij "op een achterafje naar de kerk, en luisterden op bankjes en keukenstoelen naar de mijnheer met een stropdas en in een sjofele gekleede jas, die geen gezangen liet zingen, in plaats van naar een echte dominee in toga en bef."

Vandaar dat in Lohmans ouderlijk huis steeds met respect werd gesproken over ene Groen van Prinsterer, een jong Kamerlid, dat het voor de Afgescheidenen opnam binnen het overwegend liberale parlement van die dagen. Lohman zou zijn hele leven sympathie hebben voor Groen; in zijn studententijd gold Lohman al als "Groeniaan".

Zijn studie rechten rondde Lohman in 1861 af met een promotie. Een jaar later werd hij benoemd tot rechter van de rechtbank van Appingedam. Hij trad op 27 maart 1863 in het huwelijk.

Lohman en Kuyper

"Ik houd niet van de politiek" zou Lohman aan het eind van zijn leven zeggen. Zo'n uitspraak verwacht men niet van Lohman. Hij was immers van 1879 tot 1921 Tweede-Kamerlid, met een korte onderbreking waarin hij resp. minister van Binnenlandse Zaken was (1890-'91) en Eerste-Kamerlid (1892-1894).

Zijn hele politieke loopbaan is beheerst door de verhouding met Abraham Kuyper. Aanvankelijk was hun relatie vriendschappelijk. Maar daar kwam in de loop der tijd danig verandering in.

Lohman en Kuyper waren qua persoonlijkheid en visie zeer verschillende mensen. Lohman heeft daar altijd wat meer oog voor gehad dan Kuyper. Hij sprak daar ook openlijk over tijdens hun vriendschap. Vandaar dat Puchinger kon schrijven: "(De jaren 70 waren) de lichtjaren van hun omgang (...) al werden de kiemen van hun later uiteengaan reeds toen zichtbaar." Die kiemen werden met name zichtbaar in het

jaar 1875. Toen vroeg Kuyper aan Lohman om in de Tweede Kamer te komen. Maar Lohman weigerde. Kuyper reageerde: "O, 't is mij zulk een zware levensbeproeving dat de Heer mij uw bondgenootschap onthouden heeft, " Maar Lohman liet zich nog niet overhalen. Hij voelde zich wel anti-revolutionair, maar de aanpak van Kuyper lag hem niet. Lohman was een voorzichtig manoeuvrerend jurist, die het liefst individueel werkte. Kuyper was daarentegen een onstuimig aanvaller, die het liefst met zijn anti-revolutionaire medeleden als een eenheid naar buiten optrad.

Lohman voelde als het ware aan, dat deze verschillen problemen zouden gaan geven. Hij schreef aan Kuyper: "Ik zou met uw zienswijze in botsing komen." Hij vond, dat Kuyper de conservatieven te hard aanpakte. Al eerder in dat jaar, op 5 april, had Lohman Kuyper de raad gegeven wat genuanceerder op te treden. "Met hoe meer kalmte wij onzerzijds de punten behandelen en hoe minder wij de tegenpartij kwetsen, hoe grooter de verlegenheid wordt der tegenpartij." Lohman vroeg zich ook af of Kuyper wel genoeg begrip had voor de zwakheden van zijn anti-revolutionaire medeleden. Het grootste bezwaar was wel het gebrek aan vrijheid, dat Lohman zou hebben als Kamerlid. "Gij zoudt willen getuigen, en ook mij daartoe noodzaken." Deze schermutseling heeft geen nadelige invloed gehad op hun vriendschap; toen Kuyper in 1876 ernstig ziek was, verving Lohman hem als politiek redacteur van het anti-revolutionaire dagblad De Standaard. Kuyper was achteraf lovend over Lohmans werk: "Mag ik het zeggen dat hebt Gij, door Uw onweerstaanbare ijver, en, vergun mij erbij te voegen, door het ongemeene talent, waarmee Gij, ver boven mijn lof, het zwaard gekruist hebt, onzen goeden Standaard van een bijna dood gered; mij een bange zorg van het hart genomen. (...)" En, wat later: "Reken levenslang op mijn trouw en erkentelijkheid."

Maar Lohman bleef nuchter en schreef op het hoogtepunt van hun vriendschap (1877) nog eens over de verschillen met Kuyper We lezen: "Ik ben een vijand van plannen maken." Kuyper daarentegen was een organisator van de eerste orde. Daarbij stippelde hij een spijkerharde lijn uit, die door zijn mede-antirevolutionairen gevolgd moest worden. Wat dit laatste betreft, had Lohman ook zijn bedenkingen: "de tegenstander is er ook om mij (...) op den beteren weg te helpen. Ik moet dus altijd bevoegd zijn, om ongelijk te erkennen, en daarin word ik alweer gehinderd door het vooropstellen van groote beginselen." Hoewel Lohman in 1878 nog weigerde de kandidatuur voor de Tweede Kamer aan te nemen ("Hij was nog ver

verwijderd van de gedachte, om in het openbaar op te treden"), werd hij een jaar later door het district Goes afgevaardigd. Ook de rooms-katholieken moeten overwegend op hem gestemd hebben, gezien het aantal stemmen dat Lohman veroverde op zijn tegenkandidaat, de liberaal Mr. Hoek.

In 1884 volgde tevens zijn benoeming als hoogleraar staatsrecht aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij heeft daar gedoceerd tot 1895. Niet toevallig valt dit tijdstip direct na het jaar van de breuk met Kuyper. Ook op de Vrije Universiteit was Kuyper de onbetwiste leider. In 1886 was Lohman Kuypers juridisch adviseur bij de zaken rondom de Doleantie. Lohman is zeer waarschijnlijk vooral vanwege kerkrechtelijke zaken meegegaan met de Doleantie; niet vanwege de prediking in de Nederlandse Hervormde Kerk.

Men voelt aan; ook in 1886 was de verhouding met Kuyper nog goed. Daar kwam verandering in toen Lohman minister van binnenlandse zaken werd in het al bestaande kabinet-Mackay (1890). Hij volgde Keuchenius op. Het voert in het bestek van dit artikel te ver hierover uit te weiden. Wel is het van belang om op te merken, dat Lohman met deze stap het kabinet Mackay redde; zeer tot ongenoegen van Abraham Kuyper. Kuyper achtte dit kabinet niet echt anti-revolutionair En ten aanzien van de schoolkwestie handelde ze halfslachtig; de schoolwet-Mackay bood te weinig vooruitgang. Lohman was in dit geval pragmatischer dan Kuyper.

Volgens Van Malsen handelde Lohman hier in de lijn van Groen van Prinsterer, "die, hoewel jagende naar het beste, toch dankbaar elke, ook de geringste verbetering aanvaardde." Hoe dit ook zij, de tegenstellingen tussen Kuyper en Lohman werden aangescherpt.

De breuk met Kuyper

Laten we de verschillen in karakter en visie tussen Lohman en Kuyper nog eens op een rij zetten.

Van Kuyper kan gezegd worden, dat hij steeds een duidelijk, vastomlijnd doel voor ogen had. Alle terreinen van het leven moesten doordrongen worden van het (neo-)calvinisme. Aan dat doel moest alles ondergeschikt gemaakt worden. De van bovenaf opgelegde partijlijn moest door elk anti-revolutionair Kamerlid zonder meer uitgedragen worden. Dat vastomlijnde gold niet alleen de politiek. Ook op het terrein van het onderwijs moest gewerkt worden vanuit een vast punt. Kuyper had als vertrekpunt een door hem zelf hecht doortimmerd theologisch systeem; dat van het neocalvinisme. In het denken van

Kuyper paste een sterke, duidelijke leider Het moge bekend zijn, dat Abraham daarbij niet in de laatste plaats aan zichzelf dacht.

Lohman was in veel opzichten Kuypers tegenbeeld. Hij was naar het woord van Leih "een van de belangrijkste kampioenen van de geestelijke vrijheid van ons land." Concreet hield dat in, dat elk Kamerlid persoonlijk verantwoordelijk was voor zijn handelen, leder moest handelen

naar zijn geweten, niet naar de partijlijn. Lohman was wars van elk theologisch systeem; hij wilde handelen met "het Evangelie als inspiratiebron". Lohman was in veel opzichten genuanceerder dan Kuyper, hij had ool< meer aandacht voor de ideeën van anderen.

Los van deze dingen stond hun verschil in opvatting ten aanzien van de ideale staatsvorm. Terwijl Kuyper door de marxist Romein genoemd wordt als de democratische "klokkenist der kleine luyden" staat Lohman te boek als "de belangrijkste conservatief" van zijn tijd. Kossmann noemt Lohman een "patriciër, een man van gezag". Inderdaad had de jonkheer iets aristocratisch; Kuyper daarentegen was een man van het volk.

De tegenstellingen tussen Lohman en Kuyper werden pas echt duidelijk, toen Kuyper in 1894 voor de tweede maal in de Tweede Kamer gekozen werd. Eerder was hij Kamerlid van 1874 tot 1877. Zowel Lohman als Kuyper werd bij de anti-revolutionaire achterban als leider gezien. De machtsstrijd speelde zich af rondom de kwestie-Tak van Poorlvliet.

Kort samengevat kwam het hier op neer, dat de liberaal Tak van Poortvliet in 1894 voorstelde, om de kieswet van 1887 dermate ruim te interpreteren, dat er welhaast algemeen kiesrecht voor mannen zou zijn. Alleen de bedeelden en de analfabeten zouden niet mogen stemmen.

De pragmatische Kuyper was een sterk voorstander van deze interpretatie; nu zouden de gereformeerde "kleine luyden" meer en meer invloed kunnen verwerven in de volksvertegenwoordiging.

Lohman kon met hem niet meegaan; volgens hem probeerde Tak het algemene kiesrecht in te voeren, dat de grondwet van 1887 juist had afgewezen. De immer dominante Kuyper wilde Lohmans geweten niet belasten en toch zijn zin krijgen. Daarom bestond hij het Lohman voor te stellen tijdelijk de Kamer te verlaten totdat het kiesrecht geregeld zou zijn.

Begrijpelijkenwijs stemde Lohman daarmee niet in. Later zou hij in een rede voor de Statenkring van Goes zeggen: "Ik wilde wel met Kuyper samenwerken maar hem niet dienen".

Zo kwam het in 1894 tot een breuk tussen Kuyper en Lohman. De laatste ging zich "Vrijantirevolutionair" noemen. Hij ging al spoedig werken aan een eigen partijopbouw en een eigen dagblad, De Nederlander. Sinds 1898 was er sprake van een nieuwe politieke partij. Het lag voor de hand dat Kuyper zijn vroegere "bondgenoot" nu uit de kring van VUhoogleraren zou werken. Inderdaad kreeg Lohman in 1895 te verstaan dat hij geen zuiver-calvinistische staatkunde doceerde; zijn loopbaan als hoogleraar was beëindigd. De aanvankelijke vriendschap was omgeslagen in zure nijd. Men bejegende elkaar althans in die sfeer Zo schrijft Lohman: "Zijn (= Kuypers, HAvZ) volgelingen houden hem voor een profeet, zij vereeren hem en laten hem niet los, al doet hij nog zoo gek."

De Vrij-Antirevolutionairen gingen in 1903 een fusie aan met de Christelijke-Historische Kiezersbond o.l.v. J.Th. de Visser De Christelijk-

Historische Partij, die toen ontstond, verenigde zich in 1908 met de Bond van Kiesverenigingen op Christelijk Historischen Grondslag in de Provincie Friesland tot de Christelijk Historische Unie.

De CHU is steeds een partij geweest met een aristocratische inslag en een overwegend

Nederlands Hervormde aanhang. Hoewel ze altijd kleiner zou blijven dan de ARP is de CHU toch decennia lang een factor van betekenis geweest in de Nederlandse politiek.

In rustiger vaarwater

"De adel van zijn (= Lohmans, HAvZ) karakter is gebleken uit het feit dat hij Kuyper en zijn volgelingen sinds de scheiding in 1894 heeft gesteund waar hij kon", aldus Puchinger Men voelde zich, ondanks de verschillen, blijkbaar toch verbonden in de strijd tegen het ongeloof en de revolutie. Daarnaast: de jaren hebben de scherpe kantjes van de tegenstellingen en het denken daarover afgeslepen. Lohman, Idenburg en Colijn werkten later trouw samen. En in 1918 gaf Lohman zelfs toe: "Een van de zwakheden der Christelijk-historische Unie (...) is, dat zij niet zoo goed georganiseerd is als de Anti-Revolutionaire Partij." Zo kwam Lohman gaandeweg in rustiger vaarwater; hij heeft er enkele jaren van mogen genieten.

Maar ook van De Savornin Lohman kan gezegd worden: "En hij stierf." Van Malsen meldt: "Den morgen van den 11 den Juni 1924 zou hij niet meer ontwaken; men vond hem dood op zijn legerstede."

H.A. van Zetten.

Geraadpleegde literatuur

Algemene Geschiedenis der Nederlanden, XIII, pp. 449 ev. H. Algra, Hef wonder van de 19e eeuw. Franeker, 1976. C. Bremmer (red.), Personen en momenten uit de geschiedenis van de Anti-Revolutionaire P Franeker, 1980. T.M. Gilhuis, Memorietafel van het christelijk onderwijs. Kampen, 1974. O.J. de Jong, Nederlandse Kerkgeschiedenis. Nijkerk, 1978. E.H. Kossmann, De Lage Landen 1780-1940. Amsterdam/Brussel, 1982. H.G. Leih, Geschiedenis van het fyrotestants-christelijk onderwijs. Kampen, z.j. H.G. Leih, Kaart van politiek Nederland. Kampen, 1962. H. van Malsen, Alexander Frederik de Savornin Lohman. Ontwikkelingsgang van zijn denke handelen. Haarlem, 1931. J. Mulder (red.), Themanummer A. Kuyper, Zicht. 1987, nr 5. G. Puchinger, Ontmoetingen met anti-revolutionairen. Zutphen, z.j. G. Puchinger, Ontmoetingen met nederlandse politici. Zutphen, 1981. A.J. Rasker, De Nederlands Hervormde Kerk vanaf 1795. Kampen, 1974. J.C. Rullmann (red.), Ged, enktx)ek bij het vijftig-jarig bestaan van de Unie "School met den Bi Kampen, 1928. J. Romein, "Abraham Kuyper, de klokkenist der kleine luyden". In: Erflaters van onze beschaving Amsterdam, 1979. JTh. de Visser, Kerk en staat, III. Leiden, z.j. H.W.J. Vollmuller (red.), Nijhoffs Geschiedenislexicon Nederland en België. 's-Gravenhage/Antwer 1981.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1988

De Reformatorische School | 56 Pagina's

Jhr. A.F. de Savornin Lohman (I)

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1988

De Reformatorische School | 56 Pagina's

PDF Bekijken