Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schoolplan 2003-2007 (3) ken- en stuurgetallen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schoolplan 2003-2007 (3) ken- en stuurgetallen

10 minuten leestijd Arcering uitzetten

In de vorige twee artikelen schreven we over de functie van - en het proces van totstandkoming bij het schoolplan, in dat proces van analyseren - keuzes maken - concretiseren vinden wij het van belang de eigen schoolresultaten af te zetten tegen de resultaten van andere vergelijkbare scholen om overwogen beleidskeuzes te maken. Ken- en stuurgetallen kunnen daarbij een goed hulpmiddel zijn.

Waarom ken- en stuurgetallen?

In het kader van de beoordeling van de huidige Schoolplannen is een duidelijk evaluatiegegeven, dat scholen in het algemeen gesproken nog niet sterk zijn in het aangeven van hun eigen beleidsmatige koers.

Daarbij wordt deze koers en de plannen die daaruit volgen meestal niet ondersteund met meetbare gegevens. Gevraagd kan worden, waarom dit dan zonodig moet. Is er niet veel meer, dan wat gemeten kan worden?

Ons antwoord is: ja. Dat sluit echter niet uit dat we daarnaast enkele argumenten hebben, die ons inziens een pleidooi vormen voor het gebruik van ken- en stuurgetallen. De volgende argumenten willen wij aanvoeren: 1. In elke school is een grote hoeveelheid meetgegevens voorhanden. Elke school stopt ook veel tijd en energie in het verzamelen van deze gegevens. Naar onze mening zouden deze gegevens simpelweg alleen maar beter benut worden.

2. Een tweede argument is, dat in het onderwijsbeleid naar deze gegevens gevraagd wordt. En de inspectie constateert dus dat het veld hier nog maar weinig mee doet.

3. Een volgende argument is, dat wij in de praktijk zien dat in bepaalde situaties ken- en stuurgetallen zeer duidelijk wel een rol gaan spelen. Namelijk, wanneer scholen in de problemen raken door tegenvallende resultaten van hun onderwijs. Scholen zouden ze meer preventief moeten gebruiken in plaats van curatief.

4. Nog een argument uit de praktijk is, dat in een aantal gevallen wel terdege gebleken is dat ken- en stuurgetallen kunnen helpen inzicht te verkrijgen in zo'n complexe werkelijkheid als het onderwijs is. Als deze gegevens op de goede manier gebruikt worden, verschaffen ze inzicht, laten ze patronen zien, brengen ze zaken met elkaar in verband, enzovoorts. Op deze manier ingevuld is het werken met ken- en stuurgetallen alleen maar aan te bevelen.

5. Met ken- en stuurgetallen is het mogelijk om de eigen situatie te vergelijken met die van andere scholen. Een vergelijking heeft terdege waarde, zeker ook als verantwoording naar de achterban van de school en de maatschappij in zijn totaliteit.

Mits goed gebruikt en met verstand toegepast, zijn wij dus zeker voorstander van het gebruik van ken- en stuurgetallen. Wij verwachten hieruit een positieve impuls voor een (nog) meer bewuste beleidsmatige koers van de scholen.

Een beschrijving van diverse mogelijke ken- en stuurgetallen

Allereerst een opsomming: 1. De gegevens van inspectiebezoeken (RST en 1ST). 2. De schoolresultaten aan het eind van groep 8 met Cito en/of Seo. 3. Entreetoets CITO voor de groepen 5, 6 en 7. 4. Gebruik LVS voor berekeningen van tussentijdse schoolresultaten. 5. Eigen kwaliteitsmeting (bijvoorbeeld met WMK) 6. Het percentage zittenblijvers. 7. Het percentage verwijzingen naar het speciaal basisonderwijs. 8. Percentages voor risicoleerlingen. 9. Interne en externe evaluaties (bijvoorbeeld een IPB-enquete, of een enquête onder de ouders) 10. Welbevinden van leerlingen n. Kengetallen van financiële aard.

Ons advies is niet zo maar met al deze gegevens te gaan werken, maar dat scholen zelf hun kengetallen bewust kiezen en daar structureel (jaarlijks, of in een ander ritme) gebruik van maken.

1. De gegevens van RST en 1ST

Uiteraard maakt elke school gebruik van de rapportages die de Onderwijsinspectie maakt naar aanleiding van RST en 1ST. Wat wij in dit kader zouden willen toevoegen, zijn twee elementen. Het eerste is, dat de school volgens ons een overzicht zou moeten maken van de ontwikkelingen die er in de inspectiebeoordelingen zijn. Het is een belangrijk gegeven om te zien op welke terreinen de school vorderingen heeft gemaakt, of achteruitgegaan is. Een tweede manier van analyseren is het maken van een vergelijking met algemene gegevens. Hiervoor kan uitstekend gebruik gemaakt worden van het onderwijsverslag (van 2001) van de Onderwijsinspectie. Hierin zijn diverse tabellen met gegevens opgenomen waarmee je jezelf als school kunt vergelijken. Heeft de eigen school bij de laatste inspectiebeoordelingen bijv. geen voldoende gekregen op het punt 'de lessen vertonen een duidelijke opbouw' (onderdeel van didactisch handelen), dan heeft de school hier toch wel een probleem, omdat 87 procent van de scholen op dit punt wel voldoende scoort. Omgekeerd, heeft de school voor 'stimuleren tot zelfstandig gebruik van ICT' een voldoende, dan is dit toch wel een sterk gegeven, want dit geldt slechts voor 29 procent van de scholen (in 2001).

l.De schoolresultaten aan het eind van groep 8 met CITO en/of Seo

De schoolresultaten aan het eind van de basisschool zijn heel belangrijke kengetallen. Deze gegevens zijn het zeker waard om nader geanalyseerd worden. De meeste scholen zullen dat ook als vanzelf wel doen. Toch is naar onze waarneming daar vaak meer uit te halen.

Voor wat betreft de Eindtoets Basisonderwijs van het CITO willen wij de volgende ideeën aanreiken. A. Het verdient aanbeveling om de gegevens van het CITO over meerdere jaren op een rijtje te zetten, en daar een trendanalyse op los te laten (dit kan bijvoorbeeld uitstekend binnen Excel onder grafieken).

Het betreft dan de afwijking van de eigen gemiddelde Cito-scores ten opzichte van het gemiddelde (met behulp van de standaarddeviatie) van het scholencluster (1 tot met 7) waartoe de school behoort. In de meeste gevallen zullen de resultaten van jaar tot jaar wisselen, vaak heeft de school dan niet scherp een beeld van de trend die daarin zit.

B. Wat zeker ook aanbeveling verdient, is over meerdere jaren op een rij te zetten welke subgemiddelden van de Cito-scores beduidend afwijken van het eigen gemiddelde. Immers, als bijvoorbeeld meerdere jaren de score voor rekenen beduidend lager is, dan kan dit gebruikt worden als signaal maar ook als streefcijfer voor het eigen beleid. Omgekeerd kunnen ook hoge scores die over meerdere jaren min of meer constant blijven worden gezien als een sterk punt; het behouden hiervan is ook niet onbelangrijk. Voor het Schooleindonderzoek (Seo) dat het BGS samen met andere schoolbegeleidingsdiensten naar richting de scholen aanbiedt, kunnen een aantal andere adviezen gegeven worden.

A. Kenmerkend voor het Seo is, dat per leerling en ook bij de gemiddelden voor de school, steeds twee gegevens met elkaar worden vergeleken. Het betreft een score voor het beheersen van schoolvorderingen versus een score voor de intelligentie. De redenering is, dat een school het goed doet als de school minimaal een gemiddeld resultaat bereikt dat gelijkwaardig is aan de gemiddelde intelligentie van de leerlingen. Het grote voordeel van deze systematiek is, dat twee schoolinterne maten onderling vergeleken worden, terwijl bij de Citoscores de school met het gemiddelde van andere scholen vergeleken wordt. Er zijn voorbeelden van scholen, die met deze laatste methode enorm in de problemen zijn gekomen. Bovendien is deze vergelijkingsmethode zelfs volgens deskundigen van het CITO methodologisch niet hard te maken! Met de gegevens van het Seo kunnen ook de gegevens van meerdere jaren op een rijtje worden gezet en kan er een trendanalyse worden gemaakt.

B. Voor de subscores van het Seo geldt hetzelfde als bij de Cito-toets.

3. Entreetoets CITO voor de groepen 5, 6 en 7

Het verhaal hiervoor is gelijk aan het vorige. Zet de cijfers over meerdere jaren in een tabel, en vergelijk de eigen resultaten met de andere normgroepen (reformatorische scholen; landelijk). Zet vervolgens op een rijtje welke uitschieters er naar beneden en naar boven zijn.

4. Gebruik LVS voor berekeningen van tussentijdse schoolresultaten

De inspectie toetst scholen ook steeds op het feit of er voldoende gegevens voorhanden zijn over de tussentijdse resultaten van het

onderwijs. Hoewel de score hierbij wel vooruit gaat, zijn in 2001 nog op 38% van de scholen onvoldoende gegevens beschikbaar hiervoor (in 1999 was dit zelfs 48%). Naar onze mening zou hier op een vrij eenvoudige manier in kunnen worden voorzien, namelijk door de gegevens van het LVS hiervoor te benutten. De methode is de volgende: Aan het eind van elk leerjaar wordt per groep bij de relevante toetsen (technisch lezen, begrijpende lezen, spelling, rekenen en wiskunde) een gemiddelde schaalscore berekend. Dit gegeven wordt omgezet in een DLE (didactische leeftijdsequivalent), waarmee een vergelijking kan worden gemaakt met de ontvangen onderwijstijd (namelijk DL = didactische leeftijd).

Deze manier van berekenen maakt het mogelijk om per jaar te bepalen hoeveel leerresultaat er dat jaar is 'bijgewonnen'. De onderstaande tabel maakt dit duidelijk:

Enkele opmerkingen bij deze tabel: • Voor groep 3 zijn in dit voorbeeld geen gegevens bekend.

• Aan het eind van groep 4 hebben de leerlingen 19 maanden onderwijs ontvangen (dit rekensysteem start bij het begin van groep 3 en rekent met 10 maanden onderwijs per jaar; de afname in mei is in de 9e maand van groep 4).

• De leerlingen hebben in dit voorbeeld dan een DLE (beheersingsniveau) van 22. Ze scoren dus bovengemiddeld. Het rendement over de periode vanaf de start in groep 3 is daarmee 116%.

• Een jaar later, eind groep 5, DL 29, hebben de leerlingen een DLE van 30. Nog steeds dus iets boven het gemiddelde (want dat is dus 29). Maar: vergeleken met een jaar geleden hebben ze 'maar' 8 DLE's bijgewonnen. Het rendement over deze periode is dan ook 'slechts' 80%.

• enzovoorts

Uiteraard is deze methodiek alleen dan verantwoord te gebruiken, als er geen simpele conclusies worden getrokken. Er zijn tal van interpretaties te maken: de gebruikte lesmethode, de aansluiting van de toets bij de methode, de toets is maar een momentopname, enz. Maar het kan ook dichterbij de onderwijsgevenden zelf komen: Hebben we voldoende aangesloten bij het niveau van de leerlingen? Is de instructiekwaliteit voldoende?

Waren er voldoende activiteiten en materialen voor de snellere leerlingen?

5. Eigen kwaliteitsmeting

Uiteraard vormen de gegevens uit het eigen kwaliteitsinstrument een belangrijke bron van kengetallen. Met name worden deze gegevens krachtiger als er gegevens over een langere periode beschikbaar zijn en juist ook de groei of teruggang kan worden bepaald.

6. Het percentage zittenblijvers

Een gegeven dat ook steeds door de inspectie wordt beoordeeld, is de ononderbroken ontwikkeling van de leerlingen. Een methode om dit te bepalen is het analyseren van de leeftijdsopbouw van de leerlingen.

Bij de leerlingentelling op 1 oktober moet de school steeds de leeftijden van de leeding vermelden.

Alle leerlingen die op de teldatum 12 jaar of ouder zijn, worden aangemerkt als leerlingen die langer dan 8 jaar over de basisschool doen. Een vergelijkingscijfer hiervoor: de laatste jaren schommelt het landelijk percentage rond de 2, 6 of 2, 7%.

7. Het percentage verwijzingen naar het speciaal basisonderwijs

Een kengetal kan ook zijn hoeveel leerlingen de eigen school de laatste jaren heeft verwezen naar het speciaal basisonderwijs. Een landelijk percentage (over 2001) is, dat per jaar 0, 67% van de leerlingen verwezen wordt naar het SBO.

8. Percentages voor risicoleerlingen

Bij het LVS kan ook steeds gekeken worden naar het percentage van de leerlingen in de categorieën A t/m E bij de Cito-toetsen. De normgegevens zijn daarvoor redelijk hard:

A betreft de 25% hoogst scorende leerlingen; B de volgende 25% (samen dus de 'beste' helft); C is de daarop volgende 25% (net onder het gemiddelde); D is 15% van de leerlingen en E 10% (de laagst scorende leerlingen). Bijzonder kan gelet worden op de percentages voor D en E, omdat dit immers de risicoleerlingen zijn. De school kan de eigen percentages (per groep per jaar) afzetten tegen de landelijke normen.

9. Interne en externe evaluaties

Als er interne en externe metingen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld de interne vragenlijst voor IPB, of een enquête onder de ouders, dan is het uiteraard logisch om deze gegevens te verzamelen en, zeker bij herhaalde metingen, de gegevens met elkaar te vergelijken en patronen hierin op te sporen.

10. Welbevinden van leerlingen

Dit is een zeer belangrijk, maar wel moeilijk te meten aspect. De gegevens van het Pedagogisch LVS, de schoolvragenlijst (SVL), of de ouderenquête kunnen hiervoor in elk geval gebruikt worden.

11. Kengetallen van financiële aard

Deze kengetallen zijn gepubliceerd door de Besturenraad (www.besturenraad.nl; knop 'ontwikkelingen; kerndoelen primair onderwijs'). Daarbij vermelden zij dat de gegevens nog onder voorbehoud gebruikt moeten worden. Binnenkort zullen recentere gegevens worden gepubliceerd.

Afsluiting

Er staan niet alleen meetbare resultaten op de beleidsagenda van de school. De gevolgen van het Bijbels onderwijs zijn bijvoorbeeld niet in tabellen weer te geven. Juist daar ligt wel het hart van het christelijk onderwijs. Ons pleidooi voor kenen stuurgetallen is niet bedoeld om accenten in dat opzicht te verschuiven. Samen met de invulling van de identiteit mogen scholen echter wel bevraagd worden op de kwaliteit. In dat kader kunnen deze meetbare resultaten een duidelijke meerwaarde bieden.

NB Voor geïnteresseerden zijn er diverse excel-bestanden op te vragen bij de schrijvers van deze artikelen.

A.W.A. ter Harmsel, unitleider Talent

J.F. Voorthuyzen

lid directie BGS en interim-manager Talent, (J.F.Voorthuyzen@bgs.nl)

Dit artikel werd u aangeboden door: De Reformatorische School

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 2003

De Reformatorische School | 48 Pagina's

Schoolplan 2003-2007 (3) ken- en stuurgetallen

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 2003

De Reformatorische School | 48 Pagina's