Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Referentieniveaus, houvast voor leraren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Referentieniveaus, houvast voor leraren

7 minuten leestijd

Als je het woord referentieniveau intikt op Google, volgen er meer dan zesduizend hits. Aandacht genoeg zou je denken. Wat weet eigenlijk de gemiddelde leerkracht over de referentieniveaus die zowel voor taal als rekenen het niveau beschrijven? En wat moet een docent ervan weten om het niveau van zijn leerlingen op het juiste peil te houden of te brengen? Hoog tijd om drs. Carla van Hengel-van Esch aan het woord te laten in DRS Magazine.

Carla van Hengel deed voor Driestar Educatief onderzoek naar de referentieniveaus voor taal in het voortgezet onderwijs. ‘Ik vond het heel interessant om dit onderzoek te doen. Vanuit mijn vorige functies was ik gewend om veel na te denken over taal, bijvoorbeeld over taalverwerving en taalverbetering. Dit onderzoek richtte zich op het voortgezet onderwijs en was vooral inhoudelijk. Het unieke was dat ik theoretisch onderzoek combineerde met schoolbezoeken. Het doel van dit project was o.a. om na te gaan wat de stand van zaken was in het voortgezet onderwijs op het gebied van referentieniveaus en waar extra ondersteuning nodig is. Er bestonden al veel trainingen, maar dat was vaak een aanpassing van al bestaand aanbod. Driestar Educatief vond dat niet bevredigend en wilde meer onderzoek om een beter aanbod te ontwikkelen.’

Daarnaast onderzocht Van Hengel of aanvullend wetenschappelijk onderzoek nodig was en of er behoefte was aan extra praktijkondersteuning. Hoewel zij gericht was op het voortgezet onderwijs zijn er wel koppelingen naar het basisonderwijs. ’Ik werk samen met het “expertiseteam taal”, dat zich richt op het primair onderwijs binnen Driestar Educatief. We wisselen resultaten uit die weer worden gebruikt voor verdere kennisontwikkeling.’

Referentieniveaus

In 2008 zijn de referentieniveaus ontwikkeld en in 2010 wettelijk erkend. Van Hengel: ‘De aanleiding tot het ontwikkelen van deze niveaus is dat uit (inter) nationale onderzoeken bleek dat de basisvaardigheden van taal en rekenen steeds verder omlaag gingen. Al zijn de resultaten minder hard dan wel eens gedacht wordt. In ieder geval was dat voor de minister reden om te zeggen dat er maatregelen moesten komen om de basisvaardigheden van de leerlingen te verbeteren.’ Om tot verbetering te komen is er een doorlopende leerlijn opgesteld van basisschool tot en met het middelbaar beroepsonderwijs. In de adviesnota ‘Over de drempels met taal en rekenen’, uitgebracht door de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (commissie Meijerink) in 2008, formuleert de expertgroep dat ‘doorlopende leerlijnen ervoor zorgen dat het onderwijsresultaat van de ene sector naadloos aansluit op dat van de andere. Tevens zullen referentieniveaus met beschrijvingen van kennis en vaardigheden leraren houvast bieden voor het bepalen, volgen en stimuleren van de ontwikkeling van leerlingen.’ Van Hengel: ‘Met drempels worden dan bijvoorbeeld de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs bedoeld en van voortgezet onderwijs naar middelbaar of hoger beroepsonderwijs.’

Fundamentele niveaus

Er zijn vier fundamentele niveaus, zogenaamde F-niveaus. Dat zijn de beschrijvingen op de drempels. 1F is het fundamentele niveau aan het eind van het basisonderwijs, 2F aan het einde van mbo 1, 2 en 3, 3F aan het einde van mbo 4 en havo en 4F aan het einde van het vwo. Voor leerlingen die gemakkelijk deze niveaus halen, zijn er ook streefniveaus (S-niveaus). Van Hengel: ‘Het F-niveau is het niveau van een vaardigheid zoals ten minste 75% van de leerlingen die nu waarschijnlijk beheerst.’

Behalve niveaus is er ook een onderscheid in vaardigheden. ‘Mondelinge taalvaardigheid, schrijfvaardigheid en leesvaardigheid’, noemt Van Hengel op. ‘Daarnaast zijn er nog taalbeschouwing en taalverzorging, ook weer onderverdeeld in de verschillende niveaus. De referentieniveaus zijn geijkt op de kerndoelen uit het primair onderwijs en de eindtermen van het voortgezet onderwijs. Ze zijn een specifiekere invulling van de einddoelen/eindtermen.’

Hoewel de niveaus speciaal ontwikkeld zijn voor taal werken ze wel door in alle vakken. ‘Alle examens worden geijkt op deze niveaus. Ook aardrijkskunde en geschiedenis. Als je straks vwo-examen doet zijn alle teksten op 4F- niveau. En voor havoleerlingen op 3F. Dat zal voor de havoleerling waarschijnlijk een behoorlijke verzwaring betekenen.’

Toets erbij?

Betekent de ontwikkeling van referentieniveaus opnieuw een toets erbij? Van Hengel: ‘Door de invoering van de referentieniveaus in het kader van opbrengstgericht werken, worden toetsen en toetsresultaten wel steeds belangrijker. Er zijn daarom naast methodegebonden toetsen ook methodeonafhankelijke toetsen op de markt gebracht waar scholen een keuze uit kunnen maken. Daarnaast komt er, zoals het er nu uitziet, een extra toets aan het eind van de onderbouw. Het is echter de bedoeling dat deze niveaus het hele onderwijs beïnvloeden. Je ziet dat bij de leermiddelen: de ontwikkelaars van leermiddelen op het gebied van taal passen hun methoden aan, zodat die aansluiten bij het gevraagde referentieen streefniveau.’

Carla van Hengel heeft verschillende scholen bezocht en kwam tot de conclusie dat de kennis over de niveaus nog veelal beperkt is. ‘Er zijn docenten Nederlands die nog nooit over de referentieniveaus gehoord hebben. Gelukkig zijn dat de uitzonderingen. De meesten kunnen wel globaal vertellen wat de niveaus inhouden. Ze weten alleen vaak niet hoe ze ermee moeten werken. Juist die concrete informatie is nodig om dat te doen. Opvallend was ook dat er wel met landelijke toetsen getoetst wordt, maar dat die niet of nauwelijks worden geanalyseerd en het lesaanbod erop afgestemd wordt. De inzet van een landelijke toets is pas nuttig als vooraf door de school wordt bepaald wát het exacte toetsdoel is en zij op basis daarvan een keuze doet voor een landelijke toets. Vaak kiezen scholen voor de Toets 0 t/m 3 van CITO om de naam. Terwijl er meer toetsen op de markt zijn die soms beter aansluiten op de wensen van de school.’

Verder liggen op het gebied van analyseren nog veel kansen, zowel schoolbreed als per klas. ‘Scholen moeten weten welke vaardigheden verder ontwikkeld moeten worden en op welk niveau. Dat geeft richtlijnen voor de vormgeving van steunlessen en voor het vaststellen van een schoolbreed taalbeleidsplan. Nascholing op het gebied van referentieniveaus is noodzakelijk, niet alleen voor de implementatie, maar ook om toetsen juist te analyseren.’

Gemeenschappelijke visie

Wat Carla van Hengel verder opviel tijdens haar onderzoek was het verschil in visie tussen directie en docenten. Niet alleen tijdens de schoolbezoeken kwam dit naar voren, maar ook breed uitgezette enquêtes lieten dit zien. ‘Zo bleken docenten soms een andere aanpak voor ogen te hebben om de resultaten te verhogen dan de directie zonder dat zij dit van elkaar wisten. Of vond de directie dat de implementatie al veel verder was gevorderd dan de docenten van mening waren.’ Over de noodzaak van eenduidige referentieniveaus zijn directie en docent het meestal eens. Van Hengel: ‘Zowel docent als directie zijn positief over de niveaus. Zij zien de achteruitgang in de huidige resultaten en zijn overtuigd van het belang van de referentieniveaus.’

Pluspunt

Het voordeel van het gebruik van de referentieniveaus is volgens Carla van Hengel dat er een doorgaande lijn is met de lesstof uit voorgaande jaren en opleidingen. ‘Je weet veel beter wat je mag en kan verwachten van de leerlingen. Als je als brugklasdocent leerlingen van verschillende basisscholen hebt, hoef je minder af te tasten wat de verschillen zijn tussen die leerlingen. Alle scholen hanteren bijvoorbeeld in principe dezelfde grammaticale termen die passen bij de niveaus. Daarvoor zorgt het onderdeel taalverzorging en taalbeschouwing. Ook de docenten van de andere vakken weten wat de leerling moet kennen en kunnen. Daarnaast is het een handvat om te differentiëren. Een docent weet namelijk preciezer voor welke vaardigheid een leerling onder, op of boven het vereiste niveau zit. Hij kan dan zijn lessen hierop afstemmen. De docent krijgt dus meer inzicht in de ontwikkeling van de leerling.’

Anneke Bregman
Redactielid DRS Magazine


Drs. Carla van Hengel-van Esch studeerde Nederlands aan de Universiteit van Leiden. Daarna volgde zij de master ‘Nederlands als tweede taal’ aan de Universiteit van Amsterdam. Na afronding hiervan werkte zij bij een taaltoetsingsbureau in Rotterdam. Eerst als medewerker, later als manager. Vervolgens ging Van Hengel aan de slag als projectmedewerker bij Driestar Educatief. Daar doet zij onderzoek naar referentieniveaus en begeleidt en traint zij scholen op het gebied van de referentieniveaus.

- Ontwikkel op school een taalbeleidsplan en ontwerp een taalvisie

- Gebruik de analyse van de toetsing om je taalbeleid te ontwikkelen

- Toets zorgvuldig, analyseer de toets

- Leer docenten differentiëren aan de hand van de referentieniveaus

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2012

De Reformatorische School | 40 Pagina's

Referentieniveaus, houvast voor leraren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2012

De Reformatorische School | 40 Pagina's

PDF Bekijken